In deze tijd vraagt men zich in onderwijskringen af, ‘Wat is
onze filosofie, als we die al hebben?’ Lange tijd heeft men die
vraag verdrongen en overgelaten aan kerkelijke of wereldse geleerden,
of genegeerd. Aan elk stelsel, of het religieus, maatschappelijk of
onderwijskundig van aard is, ligt een filosofie ten grondslag. Van daaruit
worden doelstellingen, prioriteiten, maatschappelijke normen en regels
vastgesteld, de rol van ouders, van de samenleving, van leraren en van
leerlingen. In alle tijden hebben spirituele onderwijzers zich met deze
onderwerpen beziggehouden, wat niet in de laatste plaats geldt voor
Helena Petrovna Blavatsky, die ongeveer honderd jaar geleden waarnam
hoe materialistische en religieuze groeperingen elkaar in een bittere
woordenstrijd met dogma’s bestookten. Ze zag hoe groot de behoefte
was aan een nieuwe instelling ten opzichte van de waarheid en verzamelde
een kern van gelijkgestemde mensen om zich heen. Het motto dat ze voor
hun organisatie koos was, ‘Er is geen godsdienst hoger dan de
waarheid’.
Men kan de waarheid nooit in zijn macht hebben, geen boek kan haar
gevangen houden, want het bewustzijn kan zich altijd uitbreiden naar
grotere hoogten. De waarheid moet voorzichtig in de ziel bewaard blijven,
van alle kanten worden overwogen en onderzocht, met respect, maar in
het voortdurende besef dat bij iedere wending van het pad van ervaring
kan blijken dat wat men waar achtte onwaar is, of slechts een deel van
een nieuw geheel.
Als men erkent dat de mensheid met alle andere wezens de dorst naar
ervaring en kennis gemeen heeft, komt er een nieuwe factor naar voren.
We zijn, via ons lichaam, onze ziel, onze mentale vermogens, onze wil,
onze aspiraties, onze hele natuur, met ieder ander verbonden; zelfs
dat wat ons het gevoel geeft onszelf te zijn delen we met anderen. We
moeten nu de aanwezigheid erkennen van een nieuwe en krachtige factor
in de maatschappelijke relaties. Het goddelijke in ons dat ons doel
bepaalt, is een heel belangrijke kracht in ieder mens, waarmee ernstig
rekening moet worden gehouden. Welk beeld heeft de mens van zijn eigen
plaats in het mensenrijk, van zijn relatie tot de planten, de zeeën
en de aarde? Wat heeft het organische beeld van de kosmos te bieden?
In hun discussie over de wijze waarop de kosmos is gebouwd, spraken
Plato en/of Socrates over ‘Ideeën’, ‘Vormen’,
en ook werd het woord ‘universalia’ gebruikt voor eenzelfde
begrip. H.P. Blavatsky gebruikte de term ‘kosmische beginselen’.
Het zijn alle pogingen het denkbeeld naar voren te brengen dat er constante
wetten heersen te midden van veranderingen en dat achter deze veranderingen
een bestendig beginsel staat. Hieruit spruit iets voort dat van groot
belang is en dat ieder mens raakt. Ieder van ons is in zichzelf enigermate,
actief of latent, een voorbeeld van de oneindige reeks van machtige
kosmische krachten. We hebben, al is het slechts op microkosmische schaal,
deel aan alle beginselen of krachten of universalia van de macrokosmos.
De aboriginals in Australië noemen de grote stroom van leven en
geest de machtige Regenboogslang en vieren in het natte seizoen van
het jaar de verschijning daarvan met een ‘corroboree’ [inlandse
dans en zang]. Wat ze daarmee willen zeggen is dat iedereen is verbonden
met de aarde onder zijn voeten, met zijn broeders de planten en dieren,
en met zijn medemensen. We zijn onlosmakelijk onderling verbonden. Ieder
van ons is thuis in het heelal, heeft daarin zijn plaats, omdat hij
zijn leven en levenstoneel om zichzelf heeft opgebouwd. Ieder is een
goddelijke vonk, een spirituele vonk, een levensvonk. Dat is een hoogst
belangrijke boodschap om aan een kind te geven, die een houding van
moed, vertrouwen, weetgierigheid, mededogen en hoop kweekt.
Evenals Plato drong Blavatsky erop aan dat we in onszelf moeten zoeken
om de waarheid te vinden en dat, wat we als waarheid ontdekken, een
herinnering is van de zich ontwikkelende ziel. Het pad van wijsheid
is een stapsgewijs ontsluieren van de waarheid door weg te nemen wat
het inzicht belemmert, zoals emoties, die de Boeddha ‘gehechtheden’
noemde, luiheid, of verkeerd gekozen gedachten. Er bestaat een geloof,
zo oud als de wereld en wijd verbreid, dat al het bestaande een cyclisch
patroon volgt, of cyclische eigenschappen heeft. Dat geldt voor het
zeer grote en het zeer kleine, want ritme is universeel en niet alleen
een kenmerk van de stof en de krachten die de wetenschap kent, maar
ook van spirituele zaken en de krachten van de geest. Deze levensopvatting
zou jonge mensen helpen zichzelf te zien als een arena waarin vele krachten
aan het werk zijn: krachten die hen soms moed geven of deprimeren, die
ziekte of gezondheid veroorzaken, hen inzicht geven of hun blik verduisteren.
Daarbij geholpen kunnen ze zelfkennis en zelfbeheersing ontwikkelen,
door op verstandige wijze gebruik te maken van de cyclische aard van
de krachten die door hen heen stromen. In een artikel, waarin ze Moral
Education, lts Laws and Methods* van Joseph R. Buchanan, M.D.,
besprak, geeft mevrouw Blavatsky deze opmerkelijke definitie: ‘Onderwijs
is de poging de harmonie tot stand te brengen tussen de natuur en de
mens, te ontdekken wat de werkelijke zin en het doel van het leven is
en, als die zijn gevonden, zich daaraan standvastig en trouw te wijden’.
*The Theosophist 5:3, december 1883.
H.P. Blavatsky’s geschriften riepen krachtige reacties op. Kerken
voelden zich beledigd en aangevallen, omdat zij van oordeel was dat
het christendom het licht dat het eens bezat had verloren, en dat het
oude grootse beeld van de waarheid had plaatsgemaakt voor bittere strijd
en dogma’s. Haar gedachten over onderwijs in het bijzonder bevatten
niets dat haar bemind maakte bij de geestelijkheid, die eeuwenlang alleen
de verantwoordelijkheid had gedragen voor het onderricht van de jeugd.
Het ziet ernaar uit dat haar ideeën hoe langer hoe meer op de voorgrond
komen in het onderwijs, niet revolutionair, zoals in de jaren tachtig
van de vorige eeuw, toen de tijd die aan leerlingen werd gegund om naar
het hoe en waarom te zoeken minimaal was, toen men uit het hoofd moest
leren en er een autocratische discipline heerste. Ze was een van de
eersten die het sterke element betreurde van concurrentie, waarvan het
onderwijs- en examenstelsel doordrongen was en dat volgens haar egoïsme
en rivaliteit veroorzaakte.
In de meeste onderwijsrichtingen van nu worden academische vakken,
die zijn bedoeld om accountants, wetenschappers of juristen voort te
brengen, hoger aangeslagen dan die welke handwerkslieden en kunstenaars
opleveren. Toch behoort het kunnen scheppen van nieuwe en mooie dingen
tot ons natuurlijk erfdeel, dat we als mensen enigermate gemeen hebben.
Een deel van het proces waarmee het onderwijs begint zou een zorgvuldig
onderzoek moeten zijn naar de aangeboren mogelijkheden van het kind.
Het lijdt geen twijfel dat in alle kinderen het scheppend vermogen aanwezig
is. Die creativiteit is een van de spirituele vermogens in de mens;
het vormt een deel van het bewustzijnsspectrum dat begrip, onderscheidingsvermogen
en het rechtstreeks kunnen opdoen van kennis omvat. Het ideale onderwijs
is een vreugdevolle ontdekkingsreis en een toenemende ontplooiing van
de kunst van zelfdiscipline. De nadruk op een vreugdevol leven is niet
nieuw. De onderwijstraditie die H.P. Blavatsky naar voren bracht, is
in overeenstemming met oude filosofieën en moderne theorieën,
die de nadruk leggen op vreugde, gemoedsrust, harmonie met de wetten
van de natuur, en die de rede en de intuïtie zien als vermogens
die ons allemaal zijn aangeboren en verder kunnen worden ontwikkeld.
Het is de taak van de leraar, een taak die hoge eisen stelt, om een
milieu te scheppen waarin de spirituele vermogens kunnen worden ontwikkeld
en aangewend en waar de leerlingen zich niet alleen kunnen verdiepen
in de verborgen mysteriën van de natuurwetenschappen, de wiskunde,
de schone kunsten en communicatiemiddelen, maar ook van hun eigen nous
en psyche, en ze de beginselen kunnen ontdekken die daaraan
ten grondslag liggen. In 1889 schreef ze in haar Sleutel tot de
theosofie (blz. 251-2):
Aan kinderen moet bovenal zelfvertrouwen worden geleerd,
liefde voor alle mensen, altruïsme, onderlinge verdraagzaamheid
en in de allereerste plaats zelfstandig en logisch denken. We zouden
het zuiver mechanische geheugenwerk tot een volstrekt minimum terugbrengen
en die tijd besteden aan de ontwikkeling en oefening van de innerlijke
zintuigen, vermogens en latente capaciteiten. We zouden ernaar streven
ieder kind als een eenheid te behandelen en het zo onderwijzen dat
zijn vermogens zich op de meest harmonische en gelijkmatige wijze
ontplooien, zodat zijn bijzondere aanleg zich volledig en natuurlijk
ontwikkelt. We zouden ons richten op het vormen van vrije
mannen en vrouwen, intellectueel vrij, moreel vrij, in alle opzichten
onbevooroordeeld en bovenal onbaatzuchtig.
Deze uitspraak bevat een reeks van doeleinden die iedere school zouden
sieren en tot het hart van iedere leerling, jong of oud, zouden spreken.