Overpeinzingen in perspectief
James A. Long

 

Bij de nadering van dit heilige jaargetijde en peinzend zowel over het mooie verhaal als over de symboliek van de geboorte van het Christuskind, wordt men vanzelf gedwongen na te denken over de tijden die voorafgingen aan onze christelijke jaartelling. Wat is er de duizenden jaren vóór het gebeuren in Bethlehem gedaan om leiding te geven aan de vooruitgang van de mensheid op haar opwaartse pad? Dat er sinds de eerste mensen vooruitgang is geweest, lijdt geen twijfel.

Als we onze gedachten richten op de wijkende horizon van het verleden, vragen we ons veel dingen af. Hoe staat het met de worstelingen van de mens door het onmetelijke tijdperk van de prehistorie? Moest hij het zonder enige aansporing tot het goede stellen; had hij geen toetssteen voor de richting die hij moest inslaan? Is zijn hele groei het resultaat geweest van een blind rondtasten in al zijn omstandigheden? Is hij slechts een stoffelijk wezen dat zich zonder uitgezette koers heeft ontwikkeld – zonder continuïteit van doel, behalve om te blijven voortbestaan? Voortbestaan voor wat?

De opgetekende geschiedenis geeft ons enkele wenken voor een aantal antwoorden via de bekende religies en filosofieën, die alle een gemeenschappelijke noemer hebben: de ontvouwing vanuit het binnenste van elk levend wezen van een ontastbare maar dominerende essentie die we de geest van de stof die zich openbaart kunnen noemen. De roos ontvouwt de geest van de roos. De mens, Gods beeld, streeft ernaar om de geest van God die binnenin hem is, te ontvouwen, en zal dit blijven doen in de zich ontvouwende cyclussen die nog komen. De kracht van deze zich ontvouwende geest is overal herkenbaar, van de hoogste levenshiërarchie tot de laagste. Het hele bestaan wordt erdoor getransformeerd. Daarom kan men veilig concluderen dat er een onmiskenbare band bestaat tussen al wat gemanifesteerd is – een broederschap die in feite universeel is.

Als we nog eens nadenken over het verhaal van Jezus in de kribbe en zijn daaropvolgende zending, kunnen we zijn betekenis en zijn symbolische verwantschap met ieder van ons individueel niet genoeg benadrukken. De meester Jezus, die de laatste was van een hele lange reeks van gidsen door de eeuwen heen, herinnerde ons nog eens aan ons oude erfdeel. Hij wees er duidelijk op, dat wij zelfs nog grotere dingen tot stand konden brengen dan hij deed. Verder schreef hij de verdiensten van zijn daden toe aan de Vader in ons. Hij was een groots voorbeeld van de geest belichaamd in een pelgrim die vol mededogen ernaar streeft de mens te helpen zijn kennis over zijn doeleinden en plichten te ontwikkelen.

Zo bezien hebben de beginselen, die in het werk van de christussen en boeddha’s, de krishna’s en zoroasters, en de geïnspireerde filosofen besloten liggen, een directe en betekenisvolle invloed gehad op ieder van ons. Of we het beseffen of niet, ieder van deze Groten heeft zijn deel bijgedragen tot het versterken van de geest binnenin ons, die ons meer licht schenkt om te begrijpen wat de plaats is van de mens in het universele levensplan. We zijn begonnen ons ware geboorterecht te herkennen en hebben nu de verantwoordelijkheid om ons deel bij te dragen tot het welzijn van de mensheid als geheel.

Het is met recht een heilig jaargetijde, een heilige gelegenheid en een heilige plicht die voor ons liggen.

 

Uit het tijdschrift Sunrise jan/feb 1987

© 1987 Theosophical University Press Agency