Naar een universeel bewustzijn
A. Studley Hart

 

In de duizenden jaren van de ons bekende geschiedenis heeft men in vele landen, verspreid over de hele aarde, overblijfselen gevonden die bepaalde punten van overeenstemming vertonen. Deze getuigenissen die men ook nu nog ontdekt, bestaan uit documenten, stenen, beeldschrift en symbolen. Oud of niet oud, oorspronkelijk putten ze alle uit dezelfde grondbeginselen, die door elke school en elk volk op eigen wijze werden weergegeven, waaraan later ideeën werden verbonden die sterk afweken van de oorspronkelijke bron.

Op het ogenblik schijnt er een tendens te zijn om terug te keren tot de grondgedachten, spiritueel zowel als stoffelijk. Dat geldt met name voor het verlangen naar eenwording en het ter discussie stellen van veel kerkelijke dogma’s, filosofische stelsels en gedragsregels. We zien het in de huidige stroom van aanklachten tegen de godsdienst, de regering en scholen, en in het onderzoek van, en in sommige gevallen het in opstand komen tegen de bestaande moraal. Met welk doel? In de meeste gevallen weten de jongeren niet wat ze willen, maar velen van hen protesteren terecht tegen de bestaande toestand. De afbraak van wat zich eeuwenlang om de kern van de grondwaarheden heeft vastgezet, had allang moeten plaatsvinden; en dat betekent terugkeren naar de kern van de dingen, die zo eenvoudig is dat we eraan voorbij zijn gegaan door onze eigenwaan en de neiging er zo lang over te theoretiseren dat de oorspronkelijke gedachten verloren raakten.

De ware bestemming van de mens wordt te vaak over het hoofd gezien in de hedendaagse, steeds ingewikkelder wordende wereld. Deze overbevolkte planeet is slechts een microscopisch stipje in de onmetelijke stoffelijke ruimte, maar we worden zo in beslag genomen door het dagelijks leven met zijn problemen, dat de meesten van ons vergeten dat ze maar een klein deel vormt van het kosmische patroon. Weliswaar richten we onze telescopen en radio-antennes op andere planeten en ver verwijderde sterren, maar net als bij het kijken naar één enkel huis in een stad, slagen we er niet in de innerlijke werkelijkheid en het verband tussen het deel en het geheel te zien: het gebouwen de stad, ons leven en het heelal.

Velen in deze tijd zien in dat de levenskracht zich voortzet door de generaties heen, in cyclussen van geboorte en dood; dat ieder wezen en ieder ding zich ontwikkelt, zich in de loop van de eeuwen verbetert; dat het leven ‘begint’ als een onbewust zaad dat uit zichzelf en uit wat de natuur ter beschikking stelt, zijn voertuig opbouwt – een zich steeds ontwikkelende eenheid van bewustzijn van atoom tot heelal en verder. Ieder van ons heeft behoefte aan een doel – niet een grotere persoonlijke ego, maar een meer universele ego, een universeel bewustzijn.

We kunnen niet onverschillig staan tegenover de problemen van de jongeren, die terecht zoeken naar de zin van hun bestaan, die aansluit bij hun diepe innerlijke drang ten volle te leven. We horen de argumenten en debatten van hen die onze tegenwoordige materialistische doelstellingen bestrijden. We horen de eeuwenoude leerstellingen van de kerk, die door eeuwen van dogmatiek zo zijn besmet dat sommige geestelijken ertegen in opstand komen. Maar waar zijn de antwoorden op het hoe, waarom en waarheen van de weg die de mens moet gaan? Ze blijven verborgen door de veelheid van interpretaties, door de stoffelijke vooruitgang, de illusie van de welvaart en de overvloed van materiële sensaties, amusement en bezittingen. De meeste mensen die nadenken beseffen dat die niet het werkelijke doel van het leven zijn of van het luttele aantal jaren op deze kleine planeet. Nu de mens in staat is meer van zijn stoffelijke behoeften te bevredigen, en de mogelijkheid van een hogere opleiding in het algemeen aanwezig is, schijnt het rusteloos zoeken nog opvallender.

Ieder mens kan men zien als een centrum van bewustzijn. Zoals bij een baby, draait alles wat hij wil en doet om zijn eerste behoeften en breidt het terrein waarop zijn belangstelling en aandacht is gericht zich geleidelijk uit – maar alles draait nog om het groeiende besef: ik ben, ik voel, ik wil, ik hoop. Met de volwassenheid komen ook de frustraties: het contact met het leven en met anderen verruimt de visie en noodzaakt ons meer dan tevoren het bewustzijn te onderzoeken. Er komen botsingen, er ontstaan verschillen van mening en er doen zich dingen voor die het persoonlijk succes in de weg staan. In mindere of meerdere mate streven we ernaar onszelf tot uitdrukking te brengen, maar vroeg of laat voelen we ons in de steek gelaten, onbevredigd, steeds op zoek naar iets waarvan we voelen dat het aan ons leven ontbreekt. Maar er is één weg van groei waarop anderen geen invloed hebben en waarvan het einde zich aan onze blik onttrekt: de uitbreiding van ons denken en gevoelen en een innerlijk streven naar een universeel bewustzijn.

De beroeringen veroorzaakt door de opstandigheid van de jeugd zijn gezond en noodzakelijk, zolang ze niet louter destructief zijn. Iedere generatie moet voor zichzelf de ‘unieke’ ontdekking doen dat haar vaders en voorvaders ook in opstand kwamen tegen de ballast uit het verleden en dat ook zij tekort zijn geschoten bij het verwezenlijken van hun idealen.

Door de eeuwen heen hebben grote leraren de weg gewezen, maar weinig mensen hebben meer gedaan dan ingestemd met hun mond en de meerderheid heeft nooit werkelijk geloofd dat hun richtlijnen praktisch waren. Hoe kunnen wij dat dan? We worden in hoofdzaak in beslag genomen door de dagelijkse behoeften en zijn niet in staat de weg te volgen die ons is gewezen door hen die zich hebben leren beheersen en hun visie zo hebben verruimd dat ze het universele omvat. Kortom, zij hebben dichter bij de Bron geleefd waaruit wij allemaal zijn voortgekomen en die onze bestemming is in toekomstige eeuwen van evolutie.

De Bhagavad Gita zegt ons dat we moeten handelen maar ons niet moeten hechten aan de gevolgen. Het grootste struikelblok voor de vooruitgang van de mensheid is de gedachte dat groei eindigt wanneer de lichamelijke volwassenheid is bereikt. Maar hoe staat het met ons menselijk bewustzijn? Het wordt door het leven gedwongen zich te verruimen; maar hoezeer zou het proces kunnen worden versneld als we onszelf voortdurend trainden en opvoedden en als we onze visie verruimden na onze jaren van groei!

Of men gelooft in reïncarnatie, in de christelijke gedachte dat de ziel eeuwig in de ‘hemel’ of in de ‘hel’ blijft, of in eeuwig doorgaande transformaties van levensvormen, de mens heeft nagelaten de voor de hand liggende conclusie te trekken dat, wat men ook gelooft, het leven doorgaat en dat er geen absoluut begin of einde kan zijn.

Ieder mens heeft een zich ontwikkelend zielenbewustzijn, een spiritueel zelf, en een goddelijke vonk diep in zich. In Jezus leeft de christos, in Sakyamuni de boeddha. Het doel van ieder mens, van welk ras of uit welke tijd ook, moet zijn zijn innerlijke christos of boeddha te worden. Gezien onze vooruitgang tot nu toe, lijkt dit op een uitdaging die slechts weinigen kunnen aanvaarden of zelfs begrijpen, hoewel de meesten van ons zich op dat pad bevinden zonder te beseffen waarheen we gaan.

In het oude China zocht men het Tao, of de gouden draad van de oorspronkelijke waarheid, in de eenvoudige ervaringen van het dagelijks leven. Door de natuur waar te nemen en het tempo van hun leven aan te passen aan dat om hen heen, bereikten de ware volgelingen van Tao een harmonie en vrede waarin ze met de natuur konden meegroeien, want zij geloofden dat de mens niet moet proberen grootse dingen te doen, maar dat hij elk probleem moet aanpakken zodra het zich voordoet. Door te studeren kan men veel kennis opdoen over de dingen, maar hij die eenvoudig is en in harmonie, laat de student ver achter zich – niet door verstandelijke studie en waarneming, maar door innerlijke groei van het bewustzijn.

 

Uit het tijdschrift Sunrise mei/jun 1987

© 1987 Theosophical University Press Agency