Een gedachte ter overweging
James A. Long

 

Het is begrijpelijk dat bijna dagelijks de vraag wordt gesteld: ‘Wat denk jij van de situatie in de wereld?’ De stroom van vragen die overal bij mensen opkomt, kent schijnbaar geen grenzen: de heersende oorlogen en de problemen die daarmee verband houden; het radicalisme; dissidente krachten in universiteiten; de algemene onrust in de arbeidssfeer; het ongebreidelde gebruik van drugs; de vervuiling; de rol van de kerken; en in en door dat hele patroon van verwarring de schijnbare hulpeloosheid van de gevestigde orde – regering, de universiteiten, het zakenleven of de ouders – om daaraan iets te doen.

Op de televisie en over de radio, in kranten, tijdschriften en boeken, schijnen de onderwerpen te worden behandeld alsof geen enkele generatie voor de onze ooit een dergelijke periode van beroering heeft meegemaakt. Zelfs als we alleen rekening houden met de historische tijden, komen we tot het besef dat de beschaving meermalen is geconfronteerd met dezelfde vragen. En wat te denken van die lange, lange periode van ervaring van de mensheid, die in bijna onberekenbare tijden teruggaat tot het moment waarop de menselijke geest voor het eerst op deze bol aankwam? Ikzelf kan niet geloven dat de volledige annalen van de geschiedenis van de mensheid geen veel slechtere toestanden te zien zouden geven dan die waar we nu doorheen gaan. De autoriteiten zijn het niet met elkaar eens over de tijdsduur die de mens als een zelfbewust, denkend wezen hier heeft doorgebracht, maar we kunnen veilig aannemen dat die vele miljoenen jaren omvat.

Onze houding is in het algemeen gebaseerd op een visie en perspectief vergelijkbaar met die van een paard met oogkleppen, omdat we slechts een klein segment zien van de 360 graden van onze aardse ervaringen. Hoe staat het met de ziel van de mens vóór zijn geboorte en wat gebeurt daarmee na de dood? Een intelligente voorzienigheid zou zeker geen enkel aspect van het leven, in welk rijk van de natuur ook, doen ontstaan zonder enige kans op voortzetting. Het is zeker op zijn plaats de mogelijkheid te overwegen dat de geest van de mens – of liever de ziel – vele menselijke belichamingen heeft gekend vóór deze levensperiode en er noodzakelijkerwijs veel meer moet hebben om zijn ervaringen uit te breiden.

Dan is het logisch dat de menselijke levensgolf van zielen die zich in een bepaalde tijd in de geschiedenis van de beschaving belichaamt, een grote oogst uit het verleden met zich brengt en dat ze van nature geneigd is vooruit te willen gaan naar een betere toekomst. Is het dan zo’n wonder dat nieuwere generaties zich verzetten tegen de status quo, en de gevestigde tradities bestrijden die voor hen dogmatisch en waardeloos zijn? Zonder zulke periodieke reacties zou de mensheid niet vooruitgaan maar tot niets vervallen. Wat de jongere generatie van nu nodig heeft, is het afleggen van haar eigen oogkleppen om het volledige terrein van mogelijkheden te kunnen overzien. Dan zullen ze in plaats van te vernietigen, streven naar vernieuwing, en de ware geest van de mens doen ontvlammen bij het beklimmen van de ladder van evolutionaire groei. Ze zullen inzien dat er geen verkorte weg naar verlichting bestaat.

Dit ruimere perspectief, dat berust op de oude beginselen van reïncarnatie en karma – reïncarnatie als de basis voor de continuïteit van menselijke ervaringen; en karma als de onschendbare wet van oorzaak en gevolg – verschaft niet alleen de sleutel tot een beter begrip van onze huidige dilemma’s, maar betekent voor ieder van ons een uitdaging onze eigen gedachten en daden eerlijk onder ogen te zien. Bovendien kunnen we niet verwachten de wereldproblemen op te lossen, voordat ieder mens zijn eigen motieven onder de loep neemt en daarbij van een egoïstische houding overgaat naar een meer universele houding tegenover anderen – zelfs tegenover de zogenaamde gevestigde orde. Per slot van rekening is ieder mens zelf een ‘gevestigde orde’, en wie van ons zou vanwege een reumatische arm of been zijn hele lichaam willen vernietigen – zijn ‘gevestigde orde’ – alleen omdat er met één van de onderdelen iets niet in orde is!

Voor mij berust de hele wereldsituatie en alles wat daarmee samenhangt op de eenvoudige stelling dat in het hele leven waarachtige broederschap het grondbeginsel is. Zodra daarom iemand van ons denkt en handelt in een richting die afwijkt van het universeel goede, verbreekt hij de harmonie van het geheel. De taak die voor ons ligt is inderdaad zwaar en van lange duur en kan niet in één mensenleven worden volbracht. Zoals er miljoenen jaren achter ons liggen, hebben we ook miljoenen jaren voor ons. Maar zolang we niet samenwerken met de natuur en met haar onbaatzuchtige en vaste regels die de continuïteit van groei mogelijk maken, zullen we de beperkingen voelen die een bekrompen benadering aankleven.

Daarom ligt het op de weg van hen die rijper van jaren zijn hun perspectieven te verruimen, en daardoor een steviger basis te verschaffen voor het denken van diegenen onder de jongeren die eerlijk zoeken naar zinvolle antwoorden op hun vragen. Hoe verwarrend en verontrustend al onze moeilijkheden ook schijnen te zijn, we kunnen toch hoop hebben voor de toekomst omdat, ook al zal één generatie van de mensheid niet volledig de les leren dat vooruitgang met zich brengt dat de enkeling iets offert voor het geheel, er altijd nieuwere generaties komen om de tijdloze taak voort te zetten.

 

Uit het tijdschrift Sunrise mei/jun 1987

© 1987 Theosophical University Press Agency