Over spinners en wevers
Madeline Clark

 

Vele jaren geleden, toen ik de schoolvakantie op een landgoed doorbracht, had ik de gewoonte voor het raam van het oude koetshuis te staan en uit te kijken over een verlaten olijfgaard, in de hoop een zeldzame vogel, een eekhoorn of een konijn te zien, of misschien zelfs een prairiewolf, want de buurt wemelde van wilde dieren. Maar op een dag zag ik hoe een grote bruine spin bezig was haar reusachtige web te maken, dwars over de vensterruit. Ze had de spaken of spandraden en de buitenrand al bevestigd en begon daarop het prachtige netwerk aan te brengen. Dat was een kostelijke gelegenheid om van dichtbij, slechts een glasdikte van me af, de kleine architect aan het werk te zien. Ik stond als betoverd, hoe lang weet ik niet meer.

Zonder zich te haasten en zonder te rusten bewoog de spin zich langs haar spiraalvormig pad, waarbij ze de openingen tussen de spaken overspande en slechts even stopte om haar zijden draad eraan vast te maken, en daarna weer verder te gaan naar de volgende, in een strak maar vloeiend ritme. Ten slotte kwam ze tot rust in haar zelfgeschapen heelal. Jong als ik was, raakte ik diep onder de indruk, want het leek wel of het bedrijvige diertje werkte alsof het door een onzichtbare, leidende intelligentie werd bestuurd.

De spin – raadselachtig, stil en eenzaam – heeft altijd tot de verbeelding gesproken. Hoe men ook staat tegenover de afschuw die ze algemeen inboezemt, één ding is zeker, men kan haar nooit negeren. Zij en haar web hebben een plaats in de scheppingsmythen in verschillende tijden en bij verschillende volken, misschien wel door haar grote onafhankelijkheid, want de spin bouwt haar huis en bestaansmogelijkheid uit de substantie van haar eigen lichaam. Het web zelf met zijn symmetrie voert ons in gedachten naar het mysterie van Genesis: ‘De aarde was nog woest en doods, en duisternis lag over de oervloed, en maar Gods geest zweefde over het water.’ Toen klonk het Woord door de universele leegte en de werelden kwamen tot aanzijn. In een nog ouder document, de Stanza’s van Dzyan, wordt het ontstaan van een heelal als volgt symbolisch voorgesteld:

Vader-moeder spinnen een web dat boven aan de geest . . . is bevestigd – en van onderen aan de stof; . . . en dit web is het heelal, gesponnen uit de twee substanties die tot één zijn gemaakt.
      – De geheime leer 1:113

Het web wordt dus gebruikt om de wereldsubstantie of atomen in de oertoestand van kosmische geboorte aan te duiden. Wanneer het web uitzet, komt het heelal tot aanzijn: wanneer het samentrekt, voelen de wezens, doortrokken van leven, het einde van hun cyclus, ‘om terug te keren in hun moeders schoot aan het einde van de ‘Grote Dag’ en om met haar weer één te worden.’

Ieder wiens denken nog niet is verengd tot een toestand van geleerde onwetendheid zal de schoonheid van de eerste Stanza ondergaan:

De eeuwige moeder, gewikkeld in haar altijd onzichtbare gewaden, had opnieuw zeven eeuwigheden gesluimerd. De tijd was niet, want hij lag in slaap in de oneindige schoot van de duur. Het universele denkvermogen was niet, want er waren geen ah-hi [hemelse wezens] om het te bevatten. De zeven wegen tot gelukzaligheid waren niet. De grote oorzaken van ellende waren niet, want er was niemand om ze teweeg te brengen en erdoor verstrikt te raken. Alleen duisternis vulde het grenzeloze al, want vader, moeder en zoon waren opnieuw één, en de zoon was nog niet ontwaakt voor het nieuwe wiel en zijn pelgrimstocht daarop. . . .

Dit is de essentie van vele oude sprookjes zoals dat van Doornroosje, dat vrijwel dezelfde waarheden in eenvoudiger vorm bevat.

Onder de Amerikaanse indianen bestaat in grote lijnen dezelfde legende, die over een periode van zo’n 20.000 jaar van generatie op generatie is overgeleverd. Bij de Hopi’s is het de ‘Spin-vrouw’ die, geïnspireerd door Tiowa, de oorspronkelijke, de werelden, de hemelen, de oceanen – en ten slotte de mens – uit haar eigen ‘melkachtige substantie’ formeert. Ze bouwt de werelden en de schepselen uit haar eigen wereldstof. We zouden kunnen zeggen dat toen God aan de nieuwe schepping begon te werken het materiaal al aanwezig was in de onmetelijke voorraadschuur van het vormloze, het ongemanifesteerde; de stof, afkomstig van de laatste inademing, maar bewaard in de subjectieve werelden tot de roep tot leven opnieuw werd gehoord en de atomen antwoordden op een nieuwe uitademing van hun ‘schepper’.

Wat onszelf betreft, die oneindig kleine schepsels in dit huidige universum: zijn wij op onze beurt zelfgeschapen wevers en spinners? Waar vinden onze daden, en dus onze karakters, hun oorsprong? Ze ontstaan in ons eigen bewustzijn – wat de psychologen het onbewuste noemen, dat de subjectieve herinnering is aan eeuwen van ervaring. In antwoord op het spel van omstandigheden in ons dagelijks leven komt dat wat we zijn in denken en willen aan de oppervlakte; het leidt ten slotte tot daden waarbij we in letterlijke zin uit onszelf het materiaal putten dat de uiterlijke kant van ons karakter wordt – de bestanddelen van onze eigen wereld of ons eigen heelal. Dit proces is een kopie in het klein van wat in de grotere kosmos plaatsvindt. Op deze manier zijn wij de erfgenamen van onszelf, de wevers en de dromers van dromen.

Iets daarvan is door enkele dichters aangevoeld. In een vermaarde brief van John Keats van 19 februari 1818 staat deze passage:

Nu lijkt het mij dat bijna ieder mens, net als de spin, vanuit zijn eigen binnenste zijn eigen luchtige citadel spint – het zijn maar enkele punten van bladeren en twijgen van waaruit de spin haar werk begint en ze vult, al rondgaande, de ruimte op prachtige wijze. De mens zou met even weinig punten tevreden moeten zijn als bevestiging voor het fijne web van zijn ziel, en een weefsel moeten weven dat vol hemelse symbolen is voor zijn geestesoog, dat zacht is voor zijn geestelijk gevoel, dat ruimte biedt voor zijn omzwervingen en dat zijn verlangen naar genieting bevredigt.

En Walt Whitman dacht stellig aan het stille wonder van een spin die haar web ontwerpt, toen hij schreef:

Ik zag een stille, geduldige spin,
op een klein uitsteeksel gezeten, heel alleen.
Ik zag hoe, om de grote leegte om haar heen te onderzoeken,
ze draad na draad na draad uit zichzelf tevoorschijn bracht,
hem steeds ontrolde en onvermoeibaar uitzond.
En u, o mijn ziel, waar staat u,
Omringd, en vrij, in onmeetbare oceanen van ruimte,
U peinst onophoudelijk, waagt, werpt uit en poogt de sferen te verbinden,
Tot de brug die u nodig heeft klaar is, tot het buigzame anker pakt,
Tot de herfstdraad die u uitzendt ergens houvast vindt, o mijn ziel.

Er komt een moment dat voor zekere tijd het web van de spin is voltooid, . . . maar de gedachte is geboren en leeft voort.

 

Uit het tijdschrift Sunrise mei/jun 1987

© 1987 Theosophical University Press Agency


Het lijkt mij dat een van de dingen die in deze tijd noodzakelijk zijn, is dat we de aandacht richten op die gevallen waarin verstandelijke opvattingen over fundamentele vraagstukken in strijd zijn met wat ons hart ons ingeeft als waar. Als we zo’n conflict herkennen, is dat misschien het juiste moment om los te laten wat ons te sterk bindt, en een ruimer gebied van waarheid binnen te gaan.

Wat te denken van de verstandelijke verwarring die zachtmoedigheid ziet als zwakheid, geweldloosheid als vrees, idealisme als onpraktisch, en goedheid als domheid? Vaak zien we dat iemand zich enigszins schaamt als hij erop wordt ‘betrapt’ een van deze deugden te beoefenen, en toch weten we innerlijk dat daarvoor eerder kracht en moed nodig zijn, die verband houden met zelfoverwinning, dan uiterlijke zaken die te maken hebben met het overwinnen van anderen.

Ik geloof dat we vaak hardvochtig zijn wanneer ons hart ons aanspoort tot zachtmoedigheid, omdat ons verstand zachtmoedigheid ziet als zwakheid; dat we vaak agressief zijn wanneer ons hart ons aanspoort tot geweldloosheid, omdat ons verstand geweldloosheid ziet als angst; dat we ons vaak afkeren van idealisme, omdat ons verstand idealisme ziet als onpraktisch; en dat we vaak nalaten het goede te doen en te verdedigen waar ons hart om vraagt, omdat ons verstand het brandmerkt als domheid.

Met het verstrijken van de jaren zullen we misschien steeds beter het conflict herkennen tussen hoofd en hart en zullen we onpartijdig luisteren naar ons hart bij het oplossen van deze conflicten.

     – Nellie M. Davis