*Vertaald en verkort uit Lucifer (19:109), 15
september 1896; herdrukt in H.P. Blavatsky: Collected Writings,
13:262-8.
Als studenten in de oude talen iets weten, moet het hun bekend zijn
dat, zowel in de oude als de moderne filosofie de methode van een extreem
‘necessitarianism’ [de leer dat gebeurtenissen onvermijdelijk
worden bepaald door voorafgaande oorzaken] werd toegepast; dat sinds
de eerste eeuwen van de mens de fundamentele waarheden van alles wat
ons op aarde is toegestaan te weten, zich onder de veilige hoede bevinden
van de adepten van het heiligdom; dat het verschil tussen geloofsstelsels
en religieuze praktijken slechts van uiterlijke aard was; en dat de
bewaarders van de oorspronkelijke goddelijke openbaring, die elk vraagstuk
dat binnen het bereik van het menselijk intellect ligt, hadden opgelost,
in een universele broederschap van wetenschap en filosofie met elkaar
waren verbonden, die één onverbroken keten rond de aardbol
vormde. Het is aan de filologie en de oriëntalisten het einde van
de draad te vinden. Maar als zij doorgaan er slechts in één
richting naar te zoeken, en nog wel de verkeerde, zullen de waarheid
en de feiten nooit worden ontdekt. Het blijft dus de taak van de psychologie
en de theosofie de wereld te helpen dat te bereiken. Bestudeer de oosterse
religies in het licht van de oosterse – niet de westerse –
filosofie en mocht u soms in de oude religieuze stelsels één
enkele lus op de juiste wijze ontknopen, dan kan de keten van het mysterie
worden ontward. Maar om dat te bereiken moet men het oneens zijn met
hen die leren dat het onfilosofisch is een onderzoek in te stellen naar
eerste oorzaken, en dat alles wat we kunnen doen is aandacht te schenken
aan de stoffelijke gevolgen ervan. Het terrein van het wetenschappelijk
onderzoek wordt aan alle kanten beperkt door de stoffelijke natuur;
als de grenzen van de stof dan ook eenmaal zijn bereikt, moet het onderzoek
ophouden en het werk opnieuw worden begonnen. Omdat de theosoof er niet
voor voelt voor hamster in een tredmolen te spelen, moet hij weigeren
het voorbeeld van de materialisten te volgen. Hij weet in ieder geval
dat de omwentelingen in de materiële wereld, volgens de oude leer,
vergezeld gaan van soortgelijke omwentelingen in de wereld van het intellect,
want de spirituele evolutie in het heelal voltrekt zich, net als de
stoffelijke, in cyclussen. Zien we in de geschiedenis niet een regelmatige
afwisseling van eb en vloed in het getij van de menselijke vooruitgang?
Zien we niet in de geschiedenis, en weten we dat niet uit eigen ervaring,
dat de grote wereldrijken, na het hoogtepunt van hun grootheid te hebben
bereikt, weer terugvallen volgens dezelfde wet die hun opgang mogelijk
maakte? totdat de mensheid, na het dieptepunt te hebben bereikt, zich
weer doet gelden en weer opklimt, en een punt bereikt, overeenkomstig
deze wet van cyclische opgaande vooruitgang, dat iets hoger ligt dan
het punt vanwaar ze tevoren afdaalde. Koninkrijken en keizerrijken vallen
onder dezelfde cyclische wetten als planeten, rassen, en al het overige
in de kosmos.
De verdeling van de geschiedenis van de mensheid in wat de Hindoes
de sattva, treta, dvapara en kali-yuga’s noemen en wat de Grieken
aanduiden met ‘de gouden, zilveren, koperen en ijzeren eeuwen’
is geen fictie. We zien hetzelfde in de literatuur van de volkeren.
Een tijd van grote inspiratie en onbewuste productiviteit wordt onveranderlijk
gevolgd door een periode van kritiek en zelfbewustzijn. De ene verschaft
het materiaal voor het analyserende en kritische intellect van de andere.
De tijd om de filosofieën uit de oudheid opnieuw te bekijken is
gunstiger dan ooit. Archeologen, filologen, astronomen, scheikundigen
en natuurkundigen naderen steeds dichter tot het punt waarop ze gedwongen
zullen zijn er rekening mee te houden. De natuurwetenschap heeft haar
grenzen van onderzoek al bereikt; de dogmatische theologie ziet de bronnen
van haar inspiratie opdrogen. De dag nadert dat de wereld de bewijzen
zal krijgen dat alleen de religies uit de oudheid in harmonie met de
natuur waren en dat de wetenschap uit de oudheid alles omvatte wat kan
worden gekend. Nogmaals herhalen we de voorspelling die al jaren geleden
in Isis ontsluierd (1:90) . . . werd gedaan.
Lang bewaarde geheimen zullen dan misschien worden
onthuld; lang vergeten boeken en lang verloren kunsten zullen mogelijk
weer aan het licht komen; papyrussen en perkamenten van onschatbare
betekenis zullen tevoorschijn komen in handen van mensen die beweren
dat ze ze van mummies hebben afgerold of toevallig in onderaardse
graven hebben ontdekt; er zullen wellicht kleitabletten en pilaren
worden opgegraven en geïnterpreteerd, waarvan de gebeeldhouwde
openbaringen de theologen zullen verbluffen en de wetenschappers in
verwarring zullen brengen. Wie kent de mogelijkheden van de toekomst?
Een tijd van ontnuchtering en van herbouw zal binnenkort beginnen
– ja, is zelfs al begonnen. De cyclus is bijna volbracht; een
nieuwe staat op het punt te beginnen, en de toekomstige bladzijden
van de geschiedenis zullen het volledige getuigenis en bewijs kunnen
bevatten [van het voorgaande].
Sinds de dag dat dit werd geschreven, heeft veel ervan plaatsgevonden,
de ontdekking van de Assyrische kleitabletten en alleen al de optekeningen
daarop hebben de vertolkers van de inscripties in spijkerschrift gedwongen
– christenen zowel als vrijdenkers – de aarde een andere
ouderdom toe te kennen*.
*Sargon, de eerste ‘Semitische’ monarch van
Babylonië, het prototype en origineel van Mozes, wordt nu gedateerd
op 3750 jaar v.Chr. (blz. 21) en de Derde Dynastie van Egypte op ‘ongeveer
6000 jaar geleden’, en dus enkele jaren voor de wereld werd geschapen
volgens de bijbelse chronologie. (Zie Hibbert Lectures on Babylonia,
A.H. Sayce, 1887, blz. 21 en 33.)
De tijdrekening van de Purana’s van de hindoes, zoals die is
weergegeven in De geheime leer, wordt nu bespottelijk gemaakt,
maar de tijd zal misschien komen dat ze overal zal worden aanvaard.
Men kan dit eenvoudig als een veronderstelling beschouwen, maar ze is
dat alleen voor nu. Het is in werkelijkheid slechts een kwestie van
tijd. De hele strijdvraag in het geschil tussen de verdedigers van de
oude wijsheid en hen die haar kleineren – leken en spirituele
mensen – berust (a) op het feit dat de oude filosofen verkeerd
worden begrepen door het ontbreken van de sleutels die de Assyriologen
zeggen te hebben ontdekt; en (b) op de materialistische en antropomorfistische
tendensen van deze eeuw. Dit weerhoudt de darwinisten en materialistische
filosofen er geenszins van om in de intellectuele mijnen van de ouden
te graven en zich te bedienen van de schat aan denkbeelden die ze daarin
aantreffen; en de geestelijkheid niet om in Plato’s filosofie
christelijke dogma’s te ontdekken en ze ‘voorgevoelens’
te noemen, zoals in dr. Lundy’s Monumental Christianity,
en andere soortgelijke boeken van deze tijd.
Van zulke ‘voorgevoelens’ wemelt het in de hele literatuur
– of wat er van deze priesterlijke literatuur is overgebleven
– van India, Egypte, Chaldea, Perzië, Griekenland en zelfs
van Guatemala (Popul Vuh). Omdat de primitieve religies, zonder
één uitzondering, zijn gebaseerd op hetzelfde fundament
– de oude mysteriën – weerspiegelen ze alle de belangrijkste
van de eens universele geloofsopvattingen, zoals bijvoorbeeld een onpersoonlijk
en universeel goddelijk beginsel, dat absoluut van aard is, en onkenbaar
voor het ‘brein’ intellect of het geconditioneerde en beperkte
kenvermogen van de mens. Te denken dat daarvoor in het heelal een ander
bewijs bestaat dan het universele denkvermogen, de ziel van het heelal
– is onmogelijk. Het enige dat een eeuwig en onafgebroken getuigenis
en bewijs is van het bestaan van dat Ene beginsel is de aanwezigheid
van een onloochenbaar plan in het kosmische mechanisme, de geboorte,
groei, dood en transformatie van alles in het heelal, vanaf de stille
en onbereikbare sterren tot aan het nederige mos hier beneden, vanaf
de mens tot aan de onzichtbare levens die men nu microben noemt. Vandaar
het algemeen aanvaarden in de gehele oudheid van de ‘goddelijke
gedachte’, de anima mundi. Dit denkbeeld van mahat (het grote)
akasha of Brahma’s aura van transformatie bij de hindoes, van
aIaya, ‘de goddelijke ziel van denken en mededogen’ bij
de mystici aan de andere zijde van de Himalaya; van Plato’s ‘eeuwig
denkende godheid’, is de oudste van alle leringen die nu aan de
mens bekend is en waarin hij gelooft. Daarom kan men hiervan niet zeggen
dat ze hun oorsprong vinden bij Plato, noch bij Pythagoras, of een van
de filosofen in het historische tijdperk. De Chaldeeuwse Orakels
zeggen: ‘De werken van de natuur bestaan tegelijk met de intellectuele
νοερῷ [noero] het spirituele licht van
de Vader. Want het is de ziel ψυχή [psuche]
die de grote hemel opsierde en die hem opsiert naar de Vader.’
‘De onlichamelijke wereld was toen al voltooid, omdat zij haar
zetel heeft in de goddelijke rede,’ zegt Philo, die er ten onrechte
van wordt beschuldigd zijn filosofie aan Plato te hebben ontleend.
In de Theogonie van Mochus krijgen we eerst de aether en dan de lucht;
de twee beginselen waaruit Ulom de kenbare νοητός
[noetos] God (het zichtbare heelal van stof) wordt geboren.
In de orfische gezangen ontwikkelt de Eros-Phanes zich uit het spirituele
ei, dat door de aetherische winden wordt bevrucht, waarbij de wind ‘de
geest van god’ is, van wie men zegt dat hij zich in de aether
beweegt, ‘zwevend boven de chaos’ – de goddelijke
‘idee’. In de Katha-Upanishad van de hindoes vertegenwoordigt
purusha, de goddelijke geest, de oorspronkelijke stof; uit hun vereniging
ontspringt de grote ziel van de wereld, ‘maha-atma, Brahm, de
geest des levens’; deze laatste benamingen zijn identiek met de
universele ziel, of anima mundi, en het astrale licht van de theürgen
en kabbalisten.
Pythagoras haalde zijn leringen uit de oosterse heiligdommen en Plato
vatte ze samen in een vorm die voor de niet-ingewijde geest begrijpelijker
was dan de mysterieuze getallen van de wijze – bij wiens leringen
hij zich volkomen aansloot. De kosmos is dus ‘de zoon’ volgens
Plato, die als vader en moeder de goddelijke gedachte en de stof heeft.
Het ‘oorspronkelijke wezen’ (Wezens, volgens de
theosofen, omdat zij het collectieve samenstel van de goddelijke stralen
zijn) is een emanatie van het demiurgische of universele denkvermogen
dat eeuwig de idee van de ‘te scheppen wereld’ in zich bevat,
welke idee de ongemanifesteerde logos uit zichzelf voortbrengt. De eerste
idee ‘geboren in duisternis vóór de schepping van
de wereld’ blijft in het ongemanifesteerde denkvermogen; de tweede
is deze idee die als een weerkaatsing uitgaat van het denkvermogen (nu
de gemanifesteerde logos), dat zich gaandeweg met stof bekleedt en een
objectief bestaan aanneemt.