Al meer dan een halve eeuw ben ik geboeid door het probleem of erfelijkheid
feitelijk verantwoordelijk is voor de eigenschappen en kenmerken van
een volwassen mens, of het milieu. Een andere zienswijze is dat alles
geheel en al en onherroepelijk is voorbeschikt. Het is interessant te
zien dat bepaalde karaktertrekken in families voorkomen, dat veel tweelingen
die een eigen weg zijn gegaan overeenstemmen, en dat broers en zusters
vaak verschillen. Het is gemakkelijk voorbeelden te vinden van ‘goede’
ouders: goed kind; ‘slechte’ ouders: goed kind; ‘goede’
ouders: slecht kind; of zulke voorbeelden als ‘precies oom Jan’
of ‘tante Elly’.
Onlangs ben ik er door een gesprek voorgoed anders over gaan denken.
Ik werd me er plotseling van bewust dat we over de verkeerde vraag praten.
Bij woorden als erfelijkheid of milieu gaat men ervan uit dat het het
een of het ander is. Mijn schooljaren en wat ik heb gelezen, hebben
mijn kijk op het onderwerp beperkt. Latere jaren van studie op het terrein
van filosofie en religie hebben me een sterk geloof gegeven in karma
en in een voortdurend evenwicht tussen oorzaken en gevolgen. Het moet
mentale luiheid zijn geweest die maakte dat ik het bedrieglijke van
die twee-factoren discussie niet heb ingezien.
Het geloof in de voortgaande evolutie van de ziel die herhaalde incarnaties
meemaakt in een veelheid en verscheidenheid van omstandigheden, en de
gedachte dat deze ziel in elk leven enkele gevolgen ondergaat van het
tegenwoordige leven en van een bepaald deel uit vorige levens, maakt
het noodzakelijk een derde factor toe te voegen – de geest. Zo
goed als er een genetische factor is die onze lichamelijke vorm voortbrengt
en veel van onze andere kenmerken, en een milieu factor die eveneens
aan de vorming bijdraagt, is er ook een spirituele factor bij betrokken.
Het is heel goed mogelijk dat deze spirituele stuwkracht de andere
overheerst. Kan het niet de spirituele factor zijn die de ziel naar
dat echtpaar leidt dat de ouders zullen worden en op die manier de genetische
mogelijkheden kiest en zelfs de keuze van genen uit de totale voorraad
van genen beïnvloedt? Heeft de geest, door het tijdstip, de ouders
en de omstandigheden te kiezen waarin het nieuwe kind geboren zal worden,
niet zowel de erfelijkheid als het milieu uitgezocht?
Het probleem is dus niet eenvoudig erfelijkheid of het milieu.
Die zijn van ondergeschikt belang vergeleken met de spirituele beslissing
die de ziel ertoe brengt ervaring op te doen, te groeien en de zelfverdiende
gevolgen van daden in het verleden onder ogen te zien en te verwerken,
in samenhang met de mogelijkheid nieuwe handelingen te doen die bijbehorende
gevolgen zullen hebben.
Het verhoogt de waardigheid van de mens als hij beseft dat hij uniek
is als gevolg van zijn eigen gedachten en daden van vroeger en nu, dat
zijn omstandigheden werden gekozen door de ziel, en dat de verantwoordelijkheid
voor die omstandigheden en de daaruit voortvloeiende gevolgen uiteindelijk
het product zijn van de spirituele leiding van ieder mens.
De betrekkelijke invloed van erfelijkheid en het milieu op een bepaald
mens is voor hem ongetwijfeld een open vraag. De betekenis ervan in
een bepaald geval wordt echter minder belangrijk wanneer we ze bezien
vanuit het standpunt dat wat een mens ontvangt en ervaart, is wat zijn
ziel zocht. Dat zoeken bepaalt de vorm, het toneel, en is de gids.