Lied van het leven
Nhilde Davidson

 

‘Reïncarnatie?’ Ik heb verscheidene weken besteed aan het doorlezen van de mooiste dichtbundels, de Bijbel en allerlei andere werken, met de bedoeling de beste uitingen van het geloof in onsterfelijkheid van de ziel en van vertrouwen in de eeuwige wet van rust en activiteit in de natuur te verzamelen. Maar daar zat ik, een onbeschreven blad papier voor mij! Verontrust over die stand van zaken, vroeg ik me plotseling af: ‘Waarom geloof ik in reïncarnatie, en hoe heeft het mijn leven veranderd?’

Het antwoord daarop vond ik al even moeilijk. Het denkbeeld dat ik een reiziger ben in het leven die door de eeuwen heen zijn tocht voortzet, heb ik altijd gekoesterd. Het beschouwen van de natuur en de talloze levenspatronen is eerder een bevestiging dan een bewijs van mijn ingeboren geloof in de ‘juistheid’ der dingen. In mijzelf heb ik, na eerst de stoom van emoties te hebben afgeblazen, steeds een kalme, leidende en zacht vermanende kracht gevonden, die me wijzer en altijd optimistisch door de strijd van het leven heenbracht! Met Job roep ik uit: ‘Ik weet dat mijn verlosser leeft.’

Waarom maakte in het bijzonder reïncarnatie, afgezien van het onsterfelijkheidsaspect, zo’n verschil? Misschien is het belangrijkste dat de gedachte aan vele levens in gezelschap van vrienden en schijnbare vijanden, mij bereidwilliger maakte me bezig te houden met problemen en er een oplossing voor te vinden – niet alleen met betrekking tot andere mensen, maar ook uit waardering voor ons tehuis, dit heelal. Het besef dat ik ten slotte zelf de rommel zal moeten opruimen die ik met mijn gedachten en daden verspreid, maakte dat ik vrijwillig de eerste voet zette op de steile weg van zelfverbetering.

Dat het hart zich verzacht is het bevredigendste van alles. Het inzicht dat we er allemaal bij betrokken zijn, lerend, struikelend en toch vooruitgaand, moet wel een nieuwer begrip opleveren. In onze ziel wordt het zaad van broederschap gekweekt, niet volmaakt maar wel vreugdevol. Een lied maakt de weg altijd prettiger, en de overtuiging dat we tijd en ruimte in het vooruitzicht hebben, kan mijn ziel met muziek vervullen!

 

Uit het tijdschrift Sunrise mei/jun 1987

© 1987 Theosophical University Press Agency


Nu zijn we kinderen van de aarde; in de eeuwigheid zijn we kinderen van het grote heelal. Voel ik niet in mijn eigen ziel dat ik deel uitmaak van dit machtige harmonieuze geheel? Ben ik mij er niet van bewust dat in deze enorme, ontelbare verzameling wezens, waarin de Godheid zich openbaart – de Opperste Kracht, zo u wilt – ik één schakel vorm, één stap tussen de lagere graden van wezens en de hogere? Als ik deze ladder zie, duidelijk zie, die oprijst van plant naar mens, waarom zou ik dan veronderstellen, dat ze bij mij ophoudt, en niet hoger, steeds hoger reikt? Ik weet, dat zoals er nooit iets in het heelal vernietigd zal worden, ook ik nooit zal vergaan, maar altijd zal bestaan, en altijd heb bestaan. Ik weet dat er buiten mezelf, spirituele wezens boven mij moeten bestaan, en dat er waarheid is in dit heelal.    – Leo Tolstoi