Enkele gedachten over de doodstraf
Wim Rinsma

 

De doodstraf is uit het verre verleden tot ons gekomen als een vergeldingsmaatregel voor zware misdaad, in de meeste gevallen voor moord met voorbedachte rade. Het spreekt vanzelf dat het mogelijk moet zijn om krachtige maatregelen te kunnen nemen ter bescherming van de onschuldigen. Aan de andere kant is het een voor de hand liggende vraag of de doodstraf een van deze noodzakelijke maatregelen moet zijn, en ook of het een nuttig effect heeft voor de samenleving als geheel.

Indien de roep naar rechtvaardigheid een verlangen naar vergelding is, is dit dan een goed motief dat kan helpen de maatschappij tegen misdaad te beschermen? Zijn we niet bezig alleen gevolgen te bestrijden in plaats van te proberen de oorzaken weg te nemen?

Gedurende de laatste jaren ontving de doodstraf steeds meer de aandacht van verschillende naties, en onderzoek toonde aan dat door de dreiging van de dood het aantal gewelddaden niet afneemt. Bovendien toonden psychologische analyses tot nu toe aan dat we heel weinig omtrent de werkelijke mens weten: wat hij is, en wat hem drijft tot het verrichten van verheven daden of handelingen van brute vernietiging. Dit zijn nog steeds raadsels. Onderzoekers op het terrein van wetenschap, filosofie en religie dringen dieper door in de menselijke natuur in een poging om te leren welke rol de mens speelt in ons ecosysteem.

Sprekend over strafsystemen in het algemeen, verklaarde de criminoloog prof. dr. Hoefnagels:

Het gaat mij erom vast te leggen wat de wetenschap omtrent de criminologie aan het licht heeft gebracht. Deze wetenschappelijke vooruitgang moet dienstbaar aan de samenleving worden gemaakt. Strafrecht is een maatschappelijke dienst evenals iedere andere instelling. Het gaat er niet om te straffen maar om het aantal wetsovertredingen te beperken.

Deze en andere inzichten vertegenwoordigen een ontwakende benadering van de idee dat we veel nauwer met de ander zijn verbonden en verantwoordelijk voor hem zijn dan we misschien denken. Tenslotte nemen we allemaal deel aan het machtige getij van de evolutiestroom.

Er is nog een ander aspect dat uit de diepten van een lang vervlogen verleden tot ons komt: iemand neemt na voltrekking van de doodstraf gevoelens van verbittering, haat en andere kwaadaardige emoties met zich mee in het zogenaamde astrale gebied of astrale licht, dat onze stoffelijke aarde omringt en doordringt. Deze aura die de planeet omringt, is samengesteld uit gebieden van gevarieerde aard, een opslagplaats van alle mentale en emotionele energieën, goede en slechte, en van alle beelden van alle gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden. Door executie wordt een leven voortijdig beëindigd. In tegenstelling met de vredige overgang bij de natuurlijke dood, is het een onnatuurlijke dood, waarna de persoon verder leeft in de astrale sfeer. Hij verkeert in een toestand die zou kunnen worden vergeleken met een levendige en zich herhalende nachtmerrie – een toestand die volgens de theosofie voortduurt totdat het natuurlijke tijdstip van de dood zou zijn bereikt. Gedurende deze tussentijd worden zijn emoties krachtig op het astrale gebied afgedrukt en op het wereldbewustzijn weerkaatst. Niet langer beperkt tot zijn stoffelijke vorm, verspreiden deze destructieve krachten zich vrijelijk en worden tot diegenen aangetrokken die vatbaar zijn voor hun verderfelijke invloed. Zou het ter wille van potentieel zwakke naturen – die door wraakgierige gedachten en de nog actieve wil van een geëxecuteerde misdadiger tot het plegen van gewelddadigheden kunnen worden aangedreven – niet verstandiger zijn een dergelijke manier van strafvoltrekking te vermijden, en door opsluiting een weg te zoeken de gevangene te reclasseren, in plaats van het risico te lopen anderen in gevaar te brengen door met geweld zijn stoffelijk lichaam uit de weg te ruimen en zo alle levenden op aarde bloot te stellen aan een zelfs subtieler en gevaarlijker invloed?

 
Andere artikelen over sociale en maatschappelijke vraagstukken: de doodstraf
 

Uit het tijdschrift Sunrise mrt/apr 1987

© 1987 Theosophical University Press Agency