Het gevoel van verwondering
Ingrid Van Mater

 

Ziet hij, die kijkt met sterflijk oog, ooit licht
en weet ooit hij, die zoekt met sterflijk brein?
Al worden vele sluiers opgelicht,
Er zullen steeds weer nieuwe sluiers zijn.
   – Sir Edwin Arnold, Het Licht van Azië

Wat is het gevoel van verwondering dat in kinderen zo sterk leeft, in velen van ons slechts zwak bestaat en dat toch noodzakelijk is om het diepste wezen van ons menszijn te begrijpen? Het wijst erop dat er iets achter de stoffelijke wereld bestaat om ons over te verwonderen en dat er een zintuig is achter de gewone fysieke zintuigen waarmee we nadenken over de ongrijpbare dingen van het leven. In de jaren vijftig liet Rachel Carson het nageslacht een schat na in haar boek, The Sense of Wonder, waarin ze overpeinst:

Als ik invloed had op de goede fee die naar men zegt de doop van alle kinderen leidt, zou ik haar vragen als geschenk aan ieder kind in de wereld een gevoel van verwondering te geven dat zo onvernietigbaar is dat het het gehele leven standhoudt, als een onfeilbaar tegengif voor de verveling en ontgoochelingen van de latere jaren, het nutteloos bezig zijn met kunstmatige dingen en de vervreemding van de bronnen van onze kracht.    – blz. 42-3

De grote vraag is wat we moeten doen opdat de innerlijke belofte uit de kinderjaren niet wordt ontmoedigd of genegeerd, zoals de vorst knaagt aan een ongeopende bloem. We lijden nog steeds onder die vorm van vervreemding die Rachel Carson dertig jaar geleden waarnam, en het tegengif in onze mechanistische eeuw schijnt te zijn dat we onze innerlijke banden met de natuur bewaren. En dat moet beginnen met onze verantwoordelijkheid tegenover kinderen. We moeten hun spontane ideeën en gevoelens een warm onthaal geven en hen helpen het wonder van het leven te waarderen dat zij instinctief aanvoelen.

Als we ooit twijfelen aan onze band met de natuur, hoeven we slechts te letten op het licht in de ogen van een kind als het langzaamaan de wereld van de levende dingen gaat onderzoeken; neerhurkt om dicht bij de bloemen te zijn, het gezicht tegen het raam drukt om naar de dansende regendruppels te kijken, zich verheugt over alle dieren en insecten, in het water of op de grond. Een kind is een vrije geest, begerig en gereed om de wereld om zich heen te ontdekken. Het vereenzelvigt zich met de aarde, de zee, de lucht, de zon en de sterren – vrienden van lang geleden. Als een oude pelgrim is het kind teruggekeerd naar zijn aardse tehuis om een nieuw leven te beginnen en het brengt de essentie met zich van alles wat het in zijn vroegere verblijfplaatsen heeft geleerd. Kinderen zijn daarom tegelijk wijs en naïef. Wanneer een kind vraagt ‘Waar was ik voor ik hier kwam?’ . . . kunnen we dan werkelijk weten welke avonturen de ziel van het kind, oud in wijsheid, heeft meegemaakt voor het weer naar de aarde kwam? Zelfs het fysieke proces van de geboorte vertoont onopgeloste wonderen van intelligentie van het leven van de cellen. En wanneer het kind vraagt ‘Wat is regen?’ kunnen we wel de cyclus verklaren – van waterdamp dat zich weer tot wolken verdicht en terugkeert om alle dingen te verfrissen en te voeden – maar het is het mysterie van de miljoenen regendruppels die uit de lucht op aarde vallen dat de jonge verbeelding gevangen houdt.

Wat een kind ook vraagt, het is belangrijk de deur open te houden voor zijn eigen frisse ideeën, het in staat te stellen verder te gaan, te groeien en dieper te zoeken naar antwoorden. Er is zo weinig voor nodig om de gretige belangstelling van een kind te voeden, zoals blijkt uit het antwoord van een driejarige, toen zijn grootmoeder hem meenam op een wandeling door een natuurgebied, hem enthousiast vertelde over de zon, de wolken, de bomen en het gras en ze hem zei dat dit allemaal bij hem hoorde omdat hij zelf de natuur is. Onmiddellijk rende hij rond, vrij als een vogel, met uitgestrekte armen en opgewonden roepend ‘Ik ben de natuurl ik ben de natuur!’ – de mooiste ontdekking van de wereld. Die uitbundigheid kan niets anders zijn dan een werkelijke reactie van de ziel. Wie weet wat de invloed van deze herinnering eens voor hem kan betekenen?

Joseph Bharat Cornell, een instructeur in natuurwaarneming, heeft duizenden leraren, ouders en natuurgidsen getraind als een deel van zijn ‘Earth Sky’ [Aarde Hemel] programma. Hij legt de nadruk op het hart en de intuïtieve kwaliteiten ‘om in kinderen vreugdevolle, verlichtende inzichten en ervaringen te stimuleren’, en hij gelooft, net als Rachel Carson, dat het voor een kind belangrijker is alles in de natuur te voelen dan alles erover te weten. Hij bereikt zijn doel met spelen zonder wedijver, waarin de natuur de leermeester is, en houdt daarbij bepaalde beginselen in gedachte, zoals respect voor kinderen en ontvankelijkheid voor wat ze zeggen en vragen door de ‘draad van hun eigen nieuwsgierigheid’ te volgen. In plaats van het opsommen van feiten, die van weinig betekenis zijn wanneer ze geen verband houden met ervaringen, brengt hij op hen zijn eerbied voor de natuur over en zijn eigen diepe gevoelens over de eenheid van alle levende dingen.

In zijn boek Sharing Nature with Children geeft Cornell een treffend voorbeeld van wat er gebeurde toen hij uiting gaf aan zijn gevoel van eerbied voor een miniatuur berg-notenboompje: meer dan tweehonderd jaar oud en maar 2,5 meter hoog; het worstelt om in leven te blijven tussen twee grote rotsblokken en heeft takken die door de wind in de strenge winters zijn vergroeid. Omdat het slechts schrale grond en weinig voedsel vond, zond het zijn wortels diep omlaag, leed door gebrek aan water in de zomer, en door te weinig water in de winter omdat het dan vaak bevroren was. De kinderen vereenzelvigden zich direct met deze boom als een levend wezen en daardoor werd hun medegevoel gewekt. Hun bezorgdheid was zo groot, dat ze op hun voettochten een omweg maakten om hun veldflessen op de wortels te ledigen en er ieder jaar naar gingen kijken als ze weer gingen kamperen.

Een innerlijke kijk op de werkingen van de natuur kweekt een grotere gevoeligheid voor haar leven en mysteries; het enthousiasme groeit. Een scherpere waarneming en het verlangen om te leren, maken ons meer bewust van wat we zien en horen en wekken het vreugdevolle besef erbij te horen. Al deze emoties en indrukken bereiden jonge harten en zielen erop voor zaden van wijsheid wortel te doen schieten en te laten ontkiemen; ze verrijken onze latere jaren met het wonder van steeds nieuwe ontdekkingen.

 

Uit het tijdschrift Sunrise mrt/apr 1987

© 1987 Theosophical University Press Agency