Alle wezens, ontelbaar, beloof ik te bevrijden.
Eindeloze blinde hartstochten beloof ik uit te roeien.
Dharma poorten, eindeloos veel, beloof ik binnen te gaan.
De Grote Weg van Boeddha beloof ik te bereiken.
– Zen: Dawn in the
West, Philip Kapleau, blz. 177.
De vaak herhaalde bodhisattva-gelofte is onder Mahayana boeddhisten
even bekend als het Onze Vader onder christenen. Ze vat in vier korte
uitspraken samen waartoe men zich innerlijk verbindt en wat de kern
is van het pad van mededogen. De derde zin van de bodhisattva-gelofte,
‘Dharma poorten, eindeloos veel, beloof ik binnen te gaan’,
krijgt een bijzondere betekenis als we ons bewust worden van het grote
aantal alternatieve wegen tot begrip van het leven en het heelal.
Vanuit een theosofisch standpunt zijn we niet slechts verplicht levenslang
naar de waarheid te zoeken, maar inderdaad eindeloos. De meeste organisaties
die spirituele leringen voorstaan, stellen de mogelijkheid in het vooruitzicht
dat er aan het zoeken een einde komt – de bevrediging van onze
verlangens – de vervulling. Ze beloven definitieve antwoorden
en de troost die voortkomt uit het besef die te bezitten. Aan de andere
kant lijkt het alsof het materialistisch ingestelde denken de zin van
spiritueel onderzoek volkomen ontgaat. De wereld schijnt ruwweg te zijn
verdeeld in hen die geen oog hebben voor de grote levensvragen –
wat is onze oorsprong? de zin van ons bestaan? ons doel? onze bestemming?
– en hen die menen de antwoorden te bezitten. Slechts betrekkelijk
weinigen stellen zich tot taak aan te tonen dat dit hoogst belangrijke
vragen zijn die we allen zouden moeten stellen, en dat er geen definitieve
antwoorden zijn.
‘Dharma poorten’ wil zeggen dat we door duidelijk bepaalde
stadia van begrip heengaan, die we bereiken en dan achter ons laten
via een reeks drempels; ‘eindeloos veel’ omdat er geen eind
is aan dit proces dat H. P. Blavatsky in De geheime leer beschrijft:
Op welk gebied ons bewustzijn ook werkzaam is, zowel
wij als de dingen die tot dat gebied behoren, zijn voor dat moment
onze enige werkelijkheden. Naarmate wij een hogere trap van ontwikkeling
bereiken, bemerken wij dat we tijdens de stadia die we hebben doorlopen
schaduwen voor werkelijkheden hebben aangezien. Het omhoogklimmen
van het ego is een reeks steeds verdergaande bewustwordingen, waarbij
iedere vordering de gedachte meebrengt dat we nu eindelijk de ‘werkelijkheid’
hebben bereikt. Wij zullen echter pas vrij zijn van de door maya voortgebrachte
waanvoorstellingen, wanneer wij het absolute Bewustzijn hebben bereikt
en het onze daarin hebben laten opgaan. –
1:70
In zekere zin is het hier beschreven proces onvermijdelijk en algemeen,
maar het wordt in het bijzonder een deel van het bodhisattva-pad als
men het bewust ondergaat. Als we het feit aanvaarden dat elke vooruitgang
in begrip betrekkelijk is, is dat op zich al een grote vooruitgang die
ons bevrijdt van het verlangen spirituele waarheid te bezitten en onze
waarheid aan anderen op te leggen. Pas als we begrijpen dat het noodzakelijk
is door eindeloos veel dharma poorten te gaan, kunnen we een doeltreffende
bijdrage leveren aan de spirituele evolutie van de mensheid. In haar
artikel ‘De oorsprong van de mysteriën’ schrijft H.P.
Blavatsky:
. . . de grote massa moet een tweevoudige transformatie
ondergaan: (a) loskomen van elke vorm van exoterisch bijgeloof en
priester-politiek en (b) ontwikkelde mensen worden, die vrij zijn
van elk gevaar de slaaf te worden van een mens of een idee. –
BCW 14:251
Dit brengt ons terug bij het eerste deel van de bodhisattva-gelofte:
‘Alle wezens, ontelbaar, beloof ik te bevrijden.’ Deze gelofte
verplicht ons tot eindeloze arbeid voor alle wezens. Maar waar te beginnen?
De passage zelf geeft aan wat een beginpunt kan zijn voor altruïsten
in deze tijd: ernaar streven de mensheid te bevrijden van ‘elke
vorm van exoterisch bijgeloof en priester-politiek’ en van ‘elk
gevaar de slaaf te worden van een mens of een idee’.
Daarom is het onze plicht deze tweevoudige transformatie in onszelf
tot stand te brengen. En laten we onszelf niet misleiden door te denken
dat dit slechts betrekking heeft op een zogenaamde spirituele filosofie.
Vrij worden van elk gevaar van slavernij door mensen of ideeën
eist van ons levenslang leerlingen te zijn van wetenschap, kunst en
geesteswetenschappen. Als we een houding ontwikkelen van ‘alles-te-weten’,
al is het maar in één aspect van ons leven, vertragen
we daardoor onze eigen evolutie en die van de hele mensheid. Trots is
natuurlijk niet de enige hindernis bij het eindeloos zoeken naar waarheid;
het is op zijn minst in gelijke mate te wijten aan luiheid dat de ontwikkeling
van het menselijk begrip in het algemeen zo langzaam gaat. De paramita
(deugd) die gewoonlijk wordt vertaald met ‘kracht’ heet
in het Sanskriet virya. In De stem van de stilte definieert
H.P. Blavatsky deze als ‘de onverschrokken kracht die zich uit
het slijk van aardse leugens al strijdend een weg baant naar de hoogste
WAARHEID.’ (blz. 46).
We hebben inderdaad kracht en moed nodig, want het pad van spirituele
evolutie kent vele hindernissen langs de hele weg. De stem van de
stilte, evenals ‘The Pilgrim's Progress’ [van John
Bunyan] beschrijven deze allegorisch als de stadia van een reis. Maar
Blavatsky beschrijft deze hindernissen vanuit een psychologisch standpunt
in haar interview met kapitein Robert Bowen over de studie van De
geheime leer:
Als men vorderingen maakt in jñanayoga, komen
er ideeën tevoorschijn die men, hoewel men zich ervan bewust
is, niet in woorden kan uitdrukken en nog niet tot een mentaal beeld
kan vormen. Naarmate de tijd verstrijkt zullen deze ideeën mentale
beelden vormen. Dat is het moment waarop men op zijn hoede moet zijn
en moet weigeren zich te laten misleiden door de gedachte dat het
pas ontdekte en prachtige beeld de werkelijkheid moet vertegenwoordigen.
Dat is niet zo. Als men doorgaat, ontdekt men dat het eens bewonderde
beeld dof en onbevredigend wordt en tenslotte vervaagt of wordt verworpen.
Dit is een ander gevaarlijk punt, want men verkeert op dat moment
in een leegte, zonder enig begrip dat ons steunt, en men kan in de
verleiding komen om het verworpen beeld nieuw leven in te blazen bij
gebrek aan een beter om zich aan vast te klampen. De ware student
zal echter onbezorgd doorwerken, en algauw komen er nieuwe flauwe
lichtflitsen die na verloop van tijd een weidser en mooier beeld dan
het vorige doen ontstaan. Maar de leerling weet nu dat geen enkel
beeld ooit de waarheid zal voorstellen. Dit laatste schitterende beeld
zal, evenals alle andere, dof worden en vervagen. En zo gaat het proces
verder, tot de leerling tenslotte uitstijgt boven het denken en zijn
beelden, en de wereld van geen vorm binnentreedt en bewoont, waarvan
alle vormen beperkte afspiegelingen zijn.
– Een introductie tot De
geheime leer, blz. 13
Dit zijn twee praktische suggesties en wat daarin besloten ligt is
het overdenken waard. In de eerste plaats geeft H.P. Blavatsky ons de
raad weerstand te bieden aan het waandenkbeeld dat welke nieuwe visie
ons nu ook inspireert, die de waarheid zou zijn. Dat geldt zowel voor
het begrijpen van theosofische als voor andere ideeën, want zelfs
als het gaat over haar meesterwerk De geheime leer waarschuwt
zij:
Als men denkt uit de GL een bevredigend beeld te
krijgen van de samenstelling van het heelal, zal de studie ervan alleen
verwarring opleveren. De GL is niet bedoeld om zo’n definitieve
uitspraak te doen over het bestaan, maar om de weg
te wijzen naar de waarheid. . . . Zie de studie als een middel
om het denken dat door andere studies nooit is gestimuleerd, te oefenen
en te ontwikkelen. – Op.cit., blz.
11
We krijgen hier de raad ons niet te vereenzelvigen met wat we als waarheid
zien. Dat houdt in dat we ons niet moeten vleien met het zelfvoldane
gevoel dat zo treffend wordt weergegeven in de woorden: ‘Eens
was ik dwalende, nu heb ik het gevonden; eens was ik blind, nu zie ik.’
Maar op de neergaande boog van de cyclus, als we ons ontgoocheld en
verloren voelen, moeten we weerstand bieden aan die gevoelens en de
twijfel aan onszelf die ze oproepen, en ‘onbezorgd doorwerken’
in het besef dat er meer licht zal komen.
Moderne psychologen hebben een verschijnsel ontdekt dat ‘evoked
potential’ [opgeroepen potentieel] wordt genoemd en dat betrekking
heeft op ons thema. Als een reactie op zulke prikkels als felle lichtflitsen,
elektrische schokken of pijn, heeft men karakteristieke patronen van
hersenactiviteit waargenomen. Proefpersonen worden verdeeld in ‘afremmers’
en ‘verhogers’ op grond van hun hersengolfreactie op deze
prikkels, die in verband is gebracht met introversie en extraversie.
We kunnen bij het naderen van nieuwe dharma poorten ook afremmers en
verhogers zijn. Als nieuwe informatie of ervaringen ons treffen als
aangenaam, grijpen we die gretig aan, zoals de hersenactiviteit van
de verhoger opspringt als een reactie op een lichtflits. Als het pijnlijk
is nieuwe informatie of nieuwe ervaringen onder ogen te zien, trekken
we ons terug en proberen we ons ervoor af te sluiten, zoals het hersengolfpatroon
van de afremmer vermindert als reactie op een prikkel. Op het terrein
van de ideeën grijpt menigeen kritiekloos naar iets nieuws dat
op zijn weg komt, terwijl anderen achterdochtig zijn voor alles wat
buiten een zeer eng gebied van kennis ligt.
Om de Middenweg te volgen door de ‘dharma poorten’ kunnen
we profiteren van het voorbeeld van H.P. Blavatsky. In de vele jaren
van reizen en studie moet ze vele malen in de verleiding zijn geweest
haar zoeken te beëindigen en te zeggen ‘nu heb ik het gevonden’.
Ze zou zich ongetwijfeld hebben kunnen vereenzelvigen met een christen,
een westers occultist, een sufi, een mahayana-boeddhist, enz., maar
haar virya was daarvoor te groot. Haar oude vriend Albert Leighton Rawson
schreef over haar dat ze ‘in haar studie altijd zeer actief en
onvermoeibaar was, nooit tevreden. Meer licht, meer feiten, moderne
theorieën, verschillende hypothesen, meer suggesties, steeds op
weg naar een ideaal.’* We weten dat H.P.B. tot het einde van haar
dagen een verwoed liefhebber van lezen en vergelijkende godsdienststudie,
van wetenschap en filosofie is gebleven. Maar ze was allerminst kritiekloos
of oppervlakkig in haar studie en alle nieuwe informatie en ervaringen
beoordeelde ze in het licht van wat voor haar universele beginselen
en waarden waren, nu bekend als theosofie.
*’Mme. Blavatsky: A Theosophical Occult
Apology’, Frank Leslie's Popular Monthly, feb. 1892,
blz. 202.
Waarheidszoekers van nu hebben het grote voordeel boven die in het
verleden dat ze leven tijdens een informatie-explosie. Een vergelijkende
studie van godsdiensten, van wetenschap en filosofie kan nu met veel
meer vergelijkingsmateriaal worden ondernomen dan een eeuw of zelfs
tien jaar geleden beschikbaar was. Dat heeft echter ook een nadeel,
omdat een synthese hoe langer hoe moeilijker schijnt te worden. Het
lijkt erop dat Blavatsky's voorschriften aan kapitein Bowen een voorteken
vormden van de huidige ‘informatieziekte’. Haar synthese
van wetenschap, godsdienst en filosofie is daarom van blijvende waarde
omdat ze een flexibel stramien verschaft dat oude en moderne, kosmische
en menselijke, spirituele en materiële perspectieven omvat. Door
de betekenis te leren begrijpen van al onze nieuwe wetenschappelijke,
filosofische en religieuze informatie voor het welzijn van ‘alle
wezens, ontelbaar’, zal de mensheid als geheel voortgaan door
de ‘dharma poorten’.