Dharma poorten
Paul Johnson

 

Alle wezens, ontelbaar, beloof ik te bevrijden.
Eindeloze blinde hartstochten beloof ik uit te roeien.
Dharma poorten, eindeloos veel, beloof ik binnen te gaan.
De Grote Weg van Boeddha beloof ik te bereiken.

   – Zen: Dawn in the West, Philip Kapleau, blz. 177.

De vaak herhaalde bodhisattva-gelofte is onder Mahayana boeddhisten even bekend als het Onze Vader onder christenen. Ze vat in vier korte uitspraken samen waartoe men zich innerlijk verbindt en wat de kern is van het pad van mededogen. De derde zin van de bodhisattva-gelofte, ‘Dharma poorten, eindeloos veel, beloof ik binnen te gaan’, krijgt een bijzondere betekenis als we ons bewust worden van het grote aantal alternatieve wegen tot begrip van het leven en het heelal.

Vanuit een theosofisch standpunt zijn we niet slechts verplicht levenslang naar de waarheid te zoeken, maar inderdaad eindeloos. De meeste organisaties die spirituele leringen voorstaan, stellen de mogelijkheid in het vooruitzicht dat er aan het zoeken een einde komt – de bevrediging van onze verlangens – de vervulling. Ze beloven definitieve antwoorden en de troost die voortkomt uit het besef die te bezitten. Aan de andere kant lijkt het alsof het materialistisch ingestelde denken de zin van spiritueel onderzoek volkomen ontgaat. De wereld schijnt ruwweg te zijn verdeeld in hen die geen oog hebben voor de grote levensvragen – wat is onze oorsprong? de zin van ons bestaan? ons doel? onze bestemming? – en hen die menen de antwoorden te bezitten. Slechts betrekkelijk weinigen stellen zich tot taak aan te tonen dat dit hoogst belangrijke vragen zijn die we allen zouden moeten stellen, en dat er geen definitieve antwoorden zijn.

‘Dharma poorten’ wil zeggen dat we door duidelijk bepaalde stadia van begrip heengaan, die we bereiken en dan achter ons laten via een reeks drempels; ‘eindeloos veel’ omdat er geen eind is aan dit proces dat H. P. Blavatsky in De geheime leer beschrijft:

Op welk gebied ons bewustzijn ook werkzaam is, zowel wij als de dingen die tot dat gebied behoren, zijn voor dat moment onze enige werkelijkheden. Naarmate wij een hogere trap van ontwikkeling bereiken, bemerken wij dat we tijdens de stadia die we hebben doorlopen schaduwen voor werkelijkheden hebben aangezien. Het omhoogklimmen van het ego is een reeks steeds verdergaande bewustwordingen, waarbij iedere vordering de gedachte meebrengt dat we nu eindelijk de ‘werkelijkheid’ hebben bereikt. Wij zullen echter pas vrij zijn van de door maya voortgebrachte waanvoorstellingen, wanneer wij het absolute Bewustzijn hebben bereikt en het onze daarin hebben laten opgaan.    – 1:70

In zekere zin is het hier beschreven proces onvermijdelijk en algemeen, maar het wordt in het bijzonder een deel van het bodhisattva-pad als men het bewust ondergaat. Als we het feit aanvaarden dat elke vooruitgang in begrip betrekkelijk is, is dat op zich al een grote vooruitgang die ons bevrijdt van het verlangen spirituele waarheid te bezitten en onze waarheid aan anderen op te leggen. Pas als we begrijpen dat het noodzakelijk is door eindeloos veel dharma poorten te gaan, kunnen we een doeltreffende bijdrage leveren aan de spirituele evolutie van de mensheid. In haar artikel ‘De oorsprong van de mysteriën’ schrijft H.P. Blavatsky:

. . . de grote massa moet een tweevoudige transformatie ondergaan: (a) loskomen van elke vorm van exoterisch bijgeloof en priester-politiek en (b) ontwikkelde mensen worden, die vrij zijn van elk gevaar de slaaf te worden van een mens of een idee.    – BCW 14:251

Dit brengt ons terug bij het eerste deel van de bodhisattva-gelofte: ‘Alle wezens, ontelbaar, beloof ik te bevrijden.’ Deze gelofte verplicht ons tot eindeloze arbeid voor alle wezens. Maar waar te beginnen? De passage zelf geeft aan wat een beginpunt kan zijn voor altruïsten in deze tijd: ernaar streven de mensheid te bevrijden van ‘elke vorm van exoterisch bijgeloof en priester-politiek’ en van ‘elk gevaar de slaaf te worden van een mens of een idee’.

Daarom is het onze plicht deze tweevoudige transformatie in onszelf tot stand te brengen. En laten we onszelf niet misleiden door te denken dat dit slechts betrekking heeft op een zogenaamde spirituele filosofie. Vrij worden van elk gevaar van slavernij door mensen of ideeën eist van ons levenslang leerlingen te zijn van wetenschap, kunst en geesteswetenschappen. Als we een houding ontwikkelen van ‘alles-te-weten’, al is het maar in één aspect van ons leven, vertragen we daardoor onze eigen evolutie en die van de hele mensheid. Trots is natuurlijk niet de enige hindernis bij het eindeloos zoeken naar waarheid; het is op zijn minst in gelijke mate te wijten aan luiheid dat de ontwikkeling van het menselijk begrip in het algemeen zo langzaam gaat. De paramita (deugd) die gewoonlijk wordt vertaald met ‘kracht’ heet in het Sanskriet virya. In De stem van de stilte definieert H.P. Blavatsky deze als ‘de onverschrokken kracht die zich uit het slijk van aardse leugens al strijdend een weg baant naar de hoogste WAARHEID.’ (blz. 46).

We hebben inderdaad kracht en moed nodig, want het pad van spirituele evolutie kent vele hindernissen langs de hele weg. De stem van de stilte, evenals ‘The Pilgrim's Progress’ [van John Bunyan] beschrijven deze allegorisch als de stadia van een reis. Maar Blavatsky beschrijft deze hindernissen vanuit een psychologisch standpunt in haar interview met kapitein Robert Bowen over de studie van De geheime leer:

Als men vorderingen maakt in jñanayoga, komen er ideeën tevoorschijn die men, hoewel men zich ervan bewust is, niet in woorden kan uitdrukken en nog niet tot een mentaal beeld kan vormen. Naarmate de tijd verstrijkt zullen deze ideeën mentale beelden vormen. Dat is het moment waarop men op zijn hoede moet zijn en moet weigeren zich te laten misleiden door de gedachte dat het pas ontdekte en prachtige beeld de werkelijkheid moet vertegenwoordigen. Dat is niet zo. Als men doorgaat, ontdekt men dat het eens bewonderde beeld dof en onbevredigend wordt en tenslotte vervaagt of wordt verworpen. Dit is een ander gevaarlijk punt, want men verkeert op dat moment in een leegte, zonder enig begrip dat ons steunt, en men kan in de verleiding komen om het verworpen beeld nieuw leven in te blazen bij gebrek aan een beter om zich aan vast te klampen. De ware student zal echter onbezorgd doorwerken, en algauw komen er nieuwe flauwe lichtflitsen die na verloop van tijd een weidser en mooier beeld dan het vorige doen ontstaan. Maar de leerling weet nu dat geen enkel beeld ooit de waarheid zal voorstellen. Dit laatste schitterende beeld zal, evenals alle andere, dof worden en vervagen. En zo gaat het proces verder, tot de leerling tenslotte uitstijgt boven het denken en zijn beelden, en de wereld van geen vorm binnentreedt en bewoont, waarvan alle vormen beperkte afspiegelingen zijn.
      – Een introductie tot De geheime leer, blz. 13

Dit zijn twee praktische suggesties en wat daarin besloten ligt is het overdenken waard. In de eerste plaats geeft H.P. Blavatsky ons de raad weerstand te bieden aan het waandenkbeeld dat welke nieuwe visie ons nu ook inspireert, die de waarheid zou zijn. Dat geldt zowel voor het begrijpen van theosofische als voor andere ideeën, want zelfs als het gaat over haar meesterwerk De geheime leer waarschuwt zij:

Als men denkt uit de GL een bevredigend beeld te krijgen van de samenstelling van het heelal, zal de studie ervan alleen verwarring opleveren. De GL is niet bedoeld om zo’n definitieve uitspraak te doen over het bestaan, maar om de weg te wijzen naar de waarheid. . . . Zie de studie als een middel om het denken dat door andere studies nooit is gestimuleerd, te oefenen en te ontwikkelen.    – Op.cit., blz. 11

We krijgen hier de raad ons niet te vereenzelvigen met wat we als waarheid zien. Dat houdt in dat we ons niet moeten vleien met het zelfvoldane gevoel dat zo treffend wordt weergegeven in de woorden: ‘Eens was ik dwalende, nu heb ik het gevonden; eens was ik blind, nu zie ik.’ Maar op de neergaande boog van de cyclus, als we ons ontgoocheld en verloren voelen, moeten we weerstand bieden aan die gevoelens en de twijfel aan onszelf die ze oproepen, en ‘onbezorgd doorwerken’ in het besef dat er meer licht zal komen.

Moderne psychologen hebben een verschijnsel ontdekt dat ‘evoked potential’ [opgeroepen potentieel] wordt genoemd en dat betrekking heeft op ons thema. Als een reactie op zulke prikkels als felle lichtflitsen, elektrische schokken of pijn, heeft men karakteristieke patronen van hersenactiviteit waargenomen. Proefpersonen worden verdeeld in ‘afremmers’ en ‘verhogers’ op grond van hun hersengolfreactie op deze prikkels, die in verband is gebracht met introversie en extraversie. We kunnen bij het naderen van nieuwe dharma poorten ook afremmers en verhogers zijn. Als nieuwe informatie of ervaringen ons treffen als aangenaam, grijpen we die gretig aan, zoals de hersenactiviteit van de verhoger opspringt als een reactie op een lichtflits. Als het pijnlijk is nieuwe informatie of nieuwe ervaringen onder ogen te zien, trekken we ons terug en proberen we ons ervoor af te sluiten, zoals het hersengolfpatroon van de afremmer vermindert als reactie op een prikkel. Op het terrein van de ideeën grijpt menigeen kritiekloos naar iets nieuws dat op zijn weg komt, terwijl anderen achterdochtig zijn voor alles wat buiten een zeer eng gebied van kennis ligt.

Om de Middenweg te volgen door de ‘dharma poorten’ kunnen we profiteren van het voorbeeld van H.P. Blavatsky. In de vele jaren van reizen en studie moet ze vele malen in de verleiding zijn geweest haar zoeken te beëindigen en te zeggen ‘nu heb ik het gevonden’. Ze zou zich ongetwijfeld hebben kunnen vereenzelvigen met een christen, een westers occultist, een sufi, een mahayana-boeddhist, enz., maar haar virya was daarvoor te groot. Haar oude vriend Albert Leighton Rawson schreef over haar dat ze ‘in haar studie altijd zeer actief en onvermoeibaar was, nooit tevreden. Meer licht, meer feiten, moderne theorieën, verschillende hypothesen, meer suggesties, steeds op weg naar een ideaal.’* We weten dat H.P.B. tot het einde van haar dagen een verwoed liefhebber van lezen en vergelijkende godsdienststudie, van wetenschap en filosofie is gebleven. Maar ze was allerminst kritiekloos of oppervlakkig in haar studie en alle nieuwe informatie en ervaringen beoordeelde ze in het licht van wat voor haar universele beginselen en waarden waren, nu bekend als theosofie.

*’Mme. Blavatsky: A Theosophical Occult Apology’, Frank Leslie's Popular Monthly, feb. 1892, blz. 202.

Waarheidszoekers van nu hebben het grote voordeel boven die in het verleden dat ze leven tijdens een informatie-explosie. Een vergelijkende studie van godsdiensten, van wetenschap en filosofie kan nu met veel meer vergelijkingsmateriaal worden ondernomen dan een eeuw of zelfs tien jaar geleden beschikbaar was. Dat heeft echter ook een nadeel, omdat een synthese hoe langer hoe moeilijker schijnt te worden. Het lijkt erop dat Blavatsky's voorschriften aan kapitein Bowen een voorteken vormden van de huidige ‘informatieziekte’. Haar synthese van wetenschap, godsdienst en filosofie is daarom van blijvende waarde omdat ze een flexibel stramien verschaft dat oude en moderne, kosmische en menselijke, spirituele en materiële perspectieven omvat. Door de betekenis te leren begrijpen van al onze nieuwe wetenschappelijke, filosofische en religieuze informatie voor het welzijn van ‘alle wezens, ontelbaar’, zal de mensheid als geheel voortgaan door de ‘dharma poorten’.

 
Het spirituele pad
 

Uit het tijdschrift Sunrise nov/dec 1987

© 1987 Theosophical University Press Agency