Mystiek en wetenschap: perspectieven
I.M. Oderberg

 

De oosterse mystiek benadert de levensuitingen in de kosmos en alles daarin vanuit een standpunt dat lijnrecht staat tegenover de opvatting die tot voor kort bij de meerderheid van de westerse wetenschappers, filosofen en godgeleerden de boventoon voerde. Oosterlingen zien het heelal als een geheel, als een organisme. Voor hen zijn alle dingen onderling verbonden, schakels in een keten van wezens die zijn doordrongen van bewustzijn dat ze aaneenrijgt. Dit bewustzijn is de ene levenskracht, de voortbrenger van alle verschijnselen die we kennen als de natuur, en het huist in zijn emanaties en spoort deze als een krachtige, innerlijke drang aan om te groeien en te evolueren tot een steeds edeler uitdrukking van het goddelijke. Het Ene openbaart zich niet alleen in al zijn emanaties, maar ook door het kanaal dat deze emanaties vormen; het is daarin aanwezig maar gaat er tegelijk bovenuit.

Wat de nadruk krijgt is de werkelijkheid als subject, terwijl men haar in het Westen ziet als object. Als bewustzijn het oorzakelijke of subjectieve aspect van het leven is, tegenover het objectieve of de verschijnselen – waarbij alles wordt gezien als afzonderlijke objecten – dan kan dat bewustzijn uitsluitend worden ervaren, en kan geen enkele analyse de ziel van de werkelijkheid onthullen. Om een voorbeeld te geven: voor de oude Egyptenaren waren hun talrijke ‘goden’ aspecten van de oorspronkelijke energie van het goddelijke denken (Thot) dat vóór de schepping van ons heelal in rust verkeerde, een potentieel vermogen in een subjectieve toestand binnen de ‘wateren van de Ruimte’. Het was via deze goden dat de goddelijke eigenschappen zich manifesteerden.

Een vraag waarover men nog steeds redetwist, luidt: ‘Hoe wordt het Ene het vele?’, dat wil zeggen, als er een ‘God’ is, hoe ontstaan dan het heelal en de vele entiteiten die het samenstellen? Deze vraag komt niet op bij hen voor wie het Ene in het vele woont, en het vele in het Ene, waaraan het leven en het bestaan worden ontleend. Ondanks het feit dat wij in het Westen de Schepper scheiden van zijn schepping en, wat daarmee samenhangt, een afstand zien tussen ‘God’ en de mens, zijn er westerse mystici die opvattingen huldigen overeenkomend met die van het Oosten, zoals bijvoorbeeld Meister Eckhart, de dominicaner theoloog en predikant, die van godslastering werd beschuldigd omdat hij het had gewaagd te zeggen dat hij eens de nabijheid van de ‘Godheid’ had ervaren. Zijn vrienden en volgelingen waren de levende getuigen van het charisma (dit woord gebruikt in zijn oorspronkelijke betekenis van spiritueel magnetisme) van hen die een leven van liefde voor de naaste leiden; mensen als Johannes Tauler, Heinrich Suso, de ‘bewonderenswaardige Ruysbroeck’, die uitdrukking gaven aan opvattingen die overeenkomen met die van oosterse vertolkers van de spirituele levenswijze of het spirituele pad.

In het oude China werd het eerste verschijnen van het heelal beschreven als q’i (chi), een emanatie van licht, niet het stoffelijke licht dat wij kennen, maar de goddelijke essentie ervan die soms Tien, hemel, werd genoemd, in tegenstelling tot de aarde. De q’i energie polariseerde zich als yang en yin, positief en negatief elektromagnetisme. Aan de werking en wisselwerking van deze twee ontsprongen de ‘10.000 dingen’: het heelal, onze wereld, de myriaden wezens en dingen zoals wij ze waarnemen. Met andere woorden, de vroegere Chinezen beschouwden ons heelal als een voortgaand proces, de Ene energie, q’i, die zich vermenigvuldigde in het vele.

In hun schilderstukken beeldden de Chinese kunstenaars de mens af als een klein maar noodzakelijk element in reusachtige natuurtaferelen. En omdat wij een deel vormen van de kosmos, zijn we de belichaming van al zijn mogelijkheden en hangt onze relatie af van de wijze waarop we ons instellen: (1) op harmonieuze wijze, d.w.z. in overeenstemming met de natuur; of (2) op disharmonieuze wijze, als we de loop van de natuur verstoren. We beïnvloeden derhalve alles: onze omgeving, alle andere levens, en dragen de volle verantwoordelijkheid voor het resultaat van onze gedachten en daden, onze beweegredenen en de invloed die van ons uitgaat. Aan leerlingen in de schilderkunst werd geleerd zich te vereenzelvigen met wat ze aan het schilderen waren, omdat er leven is in ieder ding, en het is dat leven waarmee ze zich moesten vereenzelvigen, evenzeer met stenen en rotsen als met vogels die overvlogen. Stof, energie, ruimte, zijn alle openbaringen van q’i en wij, als delen daarvan, zijn met het hele heelal ten nauwste verbonden.

In India zag men de eenheid van het leven door het prisma van de opeenvolgende openbaringen van Brahman, een onzijdige of onpersoonlijke Sanskrietterm voor het goddelijke, het equivalent van wat Eckhart de Godheid noemde. Brahman is de bron van de scheppende kracht, Brahma, de Schepper van Eckhart; en is ook de oorsprong van de ondersteunende en onderhoudende kracht of Vishnu, en van de destructieve/herscheppende kracht of Siva. Omdat deze drie actief zijn in de hele kosmos, de ‘wereld’ zoals wij die kennen, werken ze op kleinere schaal, voor zover mogelijk, ook door ons. Men ziet de stof als gecondenseerde kracht, chit of het bewustzijn zelf. Uit de Mundaka Upanishad* citeren we het volgende: ‘Door de zelfverwerkelijking van het Bewustzijn trekt Brahman zich samen; daaruit wordt de stof geboren en uit de stof het leven, het denkvermogen en de werelden . . .’

*Zoals geciteerd door Michael Talbot in Mysticism and the New Physics, blz. 143.

In een ander hindoegeschrift wordt gezegd dat Brahma, toen hij ontwaakte uit zijn periode van rust tussen de openbaringen, wilde nadenken over zichzelf zoals hij is. Door in de ontwakende stofdeeltjes te staren als in een spiegel, spoorde hij ze aan hun latente goddelijke eigenschappen te tonen. Daar dit proces een voortdurende ontplooiing vanuit het innerlijke centrum met zich brengt, een voortdurend worden, kan er nooit een einde komen aan de creativiteit – universele ‘dagen’ omvatten biljoenen menselijke jaren, gevolgd door een zelfde aantal ‘nachten’ van rust.

Wij voelen in ons dezelfde drijfkracht om te groeien die door het hele uitgestrekte heelal gaat, om steeds meer uitdrukking te geven aan wat er in het vormloze of subjectieve rijk van het Zijn ligt besloten en wacht op het magische moment om in onze levensfase te ontwaken.

De Tibetaanse metafysica vat dit alles samen in haar beschrijving van sunyata, dat we als leegte kunnen zien als we alleen onze uiterlijke zintuigen gebruiken, of als volheid als we het innerlijk waarnemen en weten dat het vol is van energieën, die wat hun golflengten/frequenties betreft, geen beperkingen kennen. De Ruimte, zo gezien, is de grote moeder van alles, steeds vruchtbaar, uit wier ‘hart’ eindeloze variëteiten van wezens, eindeloze krachten, steeds veranderende variaties tevoorschijn komen – zoals de pulserende energieën waarvan, volgens de moderne natuurkundigen, de nucleaire subdeeltjes een voorbeeld zijn.

In het voorwoord tot zijn Tao van Fysica vertelt Fritjof Capra hoe hij op een zomermiddag een transformatie onderging toen hij aan zee naar de aanrollende golven keek en het ritme van zijn eigen ademhaling voelde. Hij zag stofjes dansen in een straal zonlicht; energiedeeltjes vibrerend als moleculen en atomen; stromen van energie die zich vanuit de buitenste ruimte over ons uitstorten. Al dit komen en gaan, verschijnen en verdwijnen, vergeleek hij met het Indiase begrip van de dans van Siva . . . hij voelde het ritme ervan, ‘hoorde’ het geluid ervan, en wist dat hij er zelf een deel van was. Door deze heel persoonlijke, werkelijk mystieke ervaring werd Capra zich bewust van het feit dat zijn ‘hele omgeving deelnam aan een gigantische kosmische dans’.

Dat is de kern van de wijze waarop de oude Chinezen de fysica benaderden: aan de leerlingen werd de zwaartekracht onderwezen door te letten op de bloemblaadjes als ze sierlijk op de grond vallen. Gary Zukav drukt het zo uit in zijn De dansende Woe-Li meesters: Een overzicht van de nieuwe fysica (blz. 231): ‘De wereld van de deeltjesfysica is een wereld vol fonkelende energie die altijd met zichzelf danst in de vorm van haar deeltjes, terwijl ze in en uit het bestaan pinkelen, botsen, muteren en opnieuw verdwijnen.’ Dat wil zeggen dat de dans van Siva de dans is van aantrekking en afstoting tussen geladen deeltjes elektromagnetische kracht.

Dit is een soort van ‘transcendentale’ fysica die de ‘wereld van tegenstellingen’ te boven gaat en een mystieke kijk op de grotere Werkelijkheid benadert, die voor ons waarnemingsvermogen de onzichtbare grondslag vormt van wat wij de ‘stoffelijke werkelijkheid’ noemen. Ze ligt zo ver boven het vermogen of de woordenschat van het mechanisch rationele deel van ons verstand om het te definiëren, dat het diepzinnige hindoegeschrift, de Isa Upanishad er de voorkeur aan geeft de gedachte met een paradox aan te duiden:

Het beweegt. Het beweegt niet.
Het is ver, en het is nabij.
Het is binnen dit alles,
En het is buiten dit alles.

Inderdaad erkent men, voornamelijk onder jongere natuurkundigen, in toenemende mate het feit dat bewustzijn meer is dan een ander woord voor gewaarwording, meer dan een bijproduct van cellulaire activiteit (of van atomaire of subatomaire trillingen). Jack Sarfatti bijvoorbeeld, een kwantumnatuurkundige, zegt dat zich door de ruimte signaaltrillingen bewegen die een ogenblikkelijke communicatie tussen alle delen van de kosmos vormen. ‘Deze signalen kunnen worden vergeleken met de hartslag van de zenuwcellen van een groot kosmisch brein dat alle delen van de ruimte doordringt.’* Michael Talbot citeert de opmerking van Sir James Jeans, ‘het heelal lijkt meer op een reusachtige gedachte dan op een reusachtige machine’, waarbij hij aantekent dat de ‘substantie van de grote gedachte bewustzijn is’** dat de hele ruimte doordringt. Andere verschijnselen die, naar men zegt, op grote afstanden van elkaar en toch gelijktijdig in de kosmos plaatsvinden, blijken met elkaar verband te houden op een tot nu toe onverklaarbare wijze, maar waarvoor men wel de term bewustzijn gebruikt.

*Michael Talbot, Mysticism and the New Physics, 1981, blz. 82.
**Op.cit., blz. 175.

Kortom, de mysticus werkt met rechtstreekse ervaringen; de intuïtieve wetenschapper is onbevooroordeeld en het is een feit dat de grote ontdekkingen, zoals die van Einstein, werden gedaan door amateurs die op hun gebied niet werden belemmerd door bestaande definities en de overgeërfde beperkingen van speculaties uit het verleden. Deze vrijheid stelde hen in staat nieuwe wegen in te slaan die ze begaanbaar maakten en plaveiden. De rationalist tracht de vraagstukken van een levend heelal aan te pakken door ze alleen te analyseren en gebruik te maken van alles wat de computerfuncties van het verstand kunnen construeren.

Het theosofische beeld van de universele verschijnselen berust op de gedachte dat de kosmos bezield is. Dat wil zeggen, vanaf het kleinste subdeeltje waarvan we iets weten, tot het grootste sterrenstelsel dat is waargenomen, bezit alles in de kern vitaliteit, energie, een actief iets dat van binnenuit aandrijft tot groei en evolutie van vermogens.

Het enige ‘blijvende’ in het hele heelal is beweging: onophoudelijke beweging en men kan spreken van een ideale beschouwingswijze als het mystieke samengaat met het wetenschappelijke, het intuïtieve met het rationele.

 
Wetenschap en spirituele perspectieven daarop
 

Uit het tijdschrift Sunrise nov/dec 1987

© 1987 Theosophical University Press Agency