Een korte kabbalistische verhandeling met als titel Siphra di-Tseni’utha
(Boek van Mysterie of Stilte)1 bevat dit
vers:
Zijn oog is altijd open en slaapt niet, want het
houdt voortdurend de wacht.
Wie is dat? Bekend onder vele namen, is hij de eerste emanatie van
het Oneindige en Grenzeloze al, God, de Godheid, Oude der Ouden, de
Lankmoedige en Barmhartige, noem hem zoals u wilt, die in ontelbare
cyclussen de kronkelende en vaak pijnlijke wegen volgde naar de toppen
van volmaking – niet ter wille van eigen glorie, maar voor hen
die in alle tijden ernaar streefden de weg te vinden naar vrede en naar
het doel. Als de kroon of het toppunt van mededogen, sluimert hij niet,
maar houdt een beschermend oog gericht op zijn hiërarchie in haar
volle omvang, altijd waakzaam, opdat de beschermers van elk rijk de
heilige richtlijnen blijven volgen van het evolutionaire doel. Hij is
‘onafgebroken werkzaam’, zoals Krishna zegt tegen Arjuna
in de Bhagavad Gita:
Als ik niet onvermoeibaar werkzaam was, zouden alle
mensen mijn voorbeeld volgen, O zoon van Pritha. Als ik geen handelingen
verrichtte, zouden deze werelden vergaan; . . . –
3:23-4
Het licht van duizend zonnen weegt niet op tegen de stralende pracht
van het goddelijk mededogen dat uitgaat van hem die zich geheel heeft
gewijd aan het doen ontwaken en verlichten van de mensheid. Dit is het
ideaal van de kandidaat, nl. te worden als de Naamloze, wiens ‘oog
altijd geopend is en die niet slaapt’, en die onvermoeibaar is
in het beschermen van alle wezens. Uit hem komen, als takken van een
boom, de wijzen en adepten uit alle tijden voort, die in ontvankelijke
zielen de zaden van altruïsme en waarheidsliefde opwekken. Hun
offer is voor ons een altijd duidelijke aansporing te ontwaken uit onze
sluimer en de handschoen op te nemen die ons hoger zelf in de arena
van het aardse bestaan heeft geworpen.
Velen die zich in deze tijd uit de beschutting en vertroosting van
godsdienstige dogma’s hebben losgemaakt, voelen zich in een niemandsland,
op drift en zonder kompas. Ze worden moedeloos en doordat ze het contact
verliezen met hun innerlijke kracht, beroven ze zich van de hulp die
hen het meest nabij is en die oplicht in de duisternis van hun wanhoop:
het licht van hun eigen innerlijke god, bron van wijsheid en een gids.
Niets is van dit licht uitgesloten; het is zowel in de kern van het
atoom als van de ster, want het is het licht van de Logos, het licht
dat Gautama omhulde toen hij Boeddha werd, het licht dat door Jezus
scheen en hem tot Christos maakte. De aanwezigheid onder ons van een
van deze Lichtbrengers is het levende bewijs voor de waarheid dat, hoe
ernstig onze karmische tegenspoeden ook mogen zijn, ze vergankelijk
zijn vergeleken met het licht van het goddelijke dat voortdurend in
de ziel schijnt. Naarmate we ons hart openen worden we ontvangers van
zijn stralende kracht.
De hoopgevende gedachte die wij met iedereen zouden willen delen is
deze: dat het licht van onze innerlijke godheid ons zo nabij is als
we wensen. Maar om de zegening ervan te ontvangen, moeten we onszelf
in zijn dienst stellen. Jacob Boehme begreep dat, hoewel het God is
– of het ‘Grote Mysterie’, zoals hij het noemde –
die de stoffelijke wereld moet uitstralen, wij, willen we meer ten volle
deel hebben aan zijn glorie, bewust moeten streven naar het goddelijk
niveau door ons te louteren en door eigen inspanning. ‘God moet
mens worden, de mens moet God worden’, schreef hij drie eeuwen
geleden en gaf daarmee uitdrukking aan zijn visie dat de goddelijke
Tegenwoordigheid in alle wezens is en dat de mens dezelfde
macht heeft om de duistere gangen van aardse verwarring te doordringen
met het ‘helderste licht’.
Hoe vreemd dat deze prachtige waarheid de gramschap van de kerk moest
opwekken. Misschien kwam dat omdat Boehme de verantwoordelijkheid voor
wat ieder mens wordt, het verwezenlijken van zijn eigen potentiële
goddelijkheid, niet legt bij God of de priester, maar bij elk mens afzonderlijk.
Doordat zijn ziel zich spontaan ‘opende’, ‘zag’
hij achter en in het uiterlijke hoe de ‘verborgen geest’
zijn ‘innerlijke vorm’ manifesteert en zijn signatuur graveert
in velerlei gestalten en vormen; ‘in de sterren en elementen,
ook in de levende schepselen en tevens in bomen en planten’.2
Wanneer wij ons tot de natuur wenden en in gedachten de drijvende kracht
naspeuren achter de caleidoscopische harmonie van haar structuur, voelen
we de zekerheid dat wij allen verwant zijn, voortgekomen uit de Oneindigheid
en dat toch ieder uniek is, een individu. Zelfs in ons uiterlijk dragen
we de sporen van onze geestelijke, mentale en emotionele afkomst. Zoals
er geen twee zebra’s zijn met een identiek streeppatroon, zo heeft
ieder mens, identieke tweelingen inbegrepen, zijn eigen specifieke fysiologische
kenmerken: vingerafdrukken, lijnen op handpalmen en voetzolen; hart-
en hersengrafieken; stem- en spreekpatronen, enz. Elk deel van onze
natuur draagt het stempel van onze ‘verborgen geest’, niet
alleen op onze onzichtbare essentie die leven na leven intact blijft,
maar ook op ons karakter dat op zijn beurt zijn sporen achterlaat op
het lichaam.
Elk mens is een signatuur van het goddelijke, de vrucht van een eeuwenlange
ontwikkeling van zijn unieke aard. De verwikkeling van de geest in allerlei
vormen en de daaruit voortvloeiende druk op de stof-elementen om hun
identiteit tot ontwikkeling te brengen, veroorzaakt de eeuwigdurende
spanning tussen tegenstellingen: tussen geest en stof, licht en duisternis,
activiteit en rust. Als er geen onafgebroken wisselwerking was tussen
tegengestelde energieën, tussen de omlaagneigende krachten die
ons aan wereldse belangen binden en de opwaarts gerichte energieën
die ons tot de geest aantrekken, dan zou er geen beweging zijn, geen
groei, geen mogelijkheid om vooruit te gaan.
Daar ligt de kern van het menselijk dilemma: hoe gaan we om met ons
‘uniek-zijn’ tegenover het ‘uniek-zijn’ van
anderen, d.w.z. hoe ontwikkelen we onze eigen wezenlijke aard en respecteren
we tegelijk het recht van anderen de hunne te ontplooien. Maar wat is
het soms moeilijk onze ‘broeder lief te hebben’ als zijn
ideeën en gedrag lijnrecht tegenover de onze staan. Als we menen
dat we alleen met elkaar verwant zijn in onze goddelijke essentie, is
dat een dwaling. Er is geen enkel atoom in het heelal dat niet een straal
van het goddelijke belichaamt. Dat betekent dat elk deel van onze samengestelde
natuur, hoe onontwikkeld ook, een uitdrukking is van het goddelijke.
Als we voldoende liefhebben, richten we ons tot het hoogste in anderen
vanuit het hoogste in onszelf. Een potentieel conflict wordt dan een
opbouwende uitwisseling.
Boehme, die doordrong achter de uiterlijke natuur tot het ‘grootse
geheime mysterie’, zag hoe de ‘essentie van alle essenties
. . . tevoorschijn komt uit de Eeuwigheid in de Tijd, en weer uit de
Tijd in de Eeuwigheid’ (ibid., 13 en ondertitel). Dat doet denken
aan het samentrekken/uitdijen uit de kabbala en het uit- en inademen
uit de hindoefilosofie, waarbij het grenzeloze uitspansel zich verdicht
tot een enkel punt, en een heelal doorbreekt uit de duisternis in het
licht van het zijn en worden. Na lange, lange tijd, als de cyclussen
van stoffelijke belichaming aan hun doel hebben beantwoord door geestelijke
rijkdom te verwerven uit ervaringen, is er een tot bloei komen van de
essentie en een terugtrekking van de vorm, terwijl de Tijd opnieuw de
Eeuwigheid, de Duur wordt. In dat proces ‘schijnt het licht van
het goddelijke in en door alles’, en laat daarbij overal in het
heelal zijn sporen achter terwijl het zijn families van godsvonken,
monaden en atomen voortdrijft in steeds stoffelijker wordende sferen
tijdens de ‘afdalende’ helft van zijn evolutionaire cyclus.
Wanneer het diepste punt is bereikt en de verleiding om steeds dieper
in de stof af te dalen is overwonnen, neemt de opwaarts voerende stroom
de monadische levens mee in steeds geestelijker cyclussen van ervaring.
Tenslotte worden alle opgenomen in de goddelijke Bron – het vele
is opnieuw het Ene geworden.
Het is duidelijk dat er eeuwigheden nodig zijn om materie in geest
om te zetten, om het ik-zelf te doen samensmelten met het universele
zelf. Sir Edwin Arnold zei het zo: ‘de dauwdruppel glijdt in de
glinsterende zee’.3 Niet voor altijd,
want elk monadisch leven komt weer ‘ongeschonden’ uit het
nirvana tevoorschijn ‘op de dag waarop de Grote Wet alle dingen
tot werkzaamheid terugroept’.4
Volgens de brahmaanse tijdtabellen, zoals die zijn vermeld in de Purana’s
en andere heilige geschriften in India, is onze huidige wereldcyclus
de ‘eerste van de tweede periode van het bestaan van Brahma5,’
en is de eerste helft van zijn leven verstreken. Dat is van grote betekenis,
omdat moeder aarde en al haar kinderen leven en bewegen en hun bestaan
hebben in het grotere leven van de goddelijke hiërarch –
in dit geval Brahma (wiens levensduur wordt vermeld als 311.040.000.000.000
van onze jaren) – wat betekent dat wij mensen al zijn begonnen
aan de opwaartse helft van onze eeuwenlange reis naar het volledig goddelijke.
We worden niet langer, of we dat willen of niet, steeds verder meegevoerd
in de stof, zoals noodzakelijk was tijdens de eerste helft van het bestaan
van Brahma. Vanaf nu hebben we in ons streven naar de geest de evolutionaire
stroom met ons, opwaarts en voorwaarts.
Op deze evolutionaire reis zijn we niet alleen, want onze innerlijke
god, die onze inspiratie en bron van licht is, is in essentie één
met de Naamloze, hij die altijd mededogend en beschermend handelt. Niet
voordat de minste onder ons de keuze doet zich met het verheven offer
van deze eenzame Wachter te vereenzelvigen, zal hij zijn zelfgekozen
post verlaten, ‘omdat hij graag de weg zou wijzen naar dat gebied
van vrijheid en licht’, aan allen die zich willen bevrijden uit
de gevangenis van het zelfzuchtig doel6.
Met iedere levensvonk in de kosmos hebben wij de mogelijkheid gemeen
uiteindelijk één te worden met dit heilige mysterie. De
drang die een elektron ertoe aanzet zijn bestemming te bereiken, is
geen andere dan de dynamische impuls die een kosmos geboren doet worden
en een mens doet terugkeren naar de aarde om opnieuw het donkere woud
van zijn natuur te bezielen met de vlam van een goddelijk bewustzijn.
‘Geboren uit de maan, kinderen van de zon, kroost van de sterren,
en erfgenamen van de kosmische ruimten’7,
zijn wij en het Grenzeloze één. In het licht van dit erfgoed,
hebben onze medewerkers zich beziggehouden met de wonderen van mineralen,
planten en dieren en ook met de mens en de kosmos – alle op zichzelf
staande eenheden, maar die toch een symbiotische band hebben met de
rijken erboven en eronder. Al ziet men de mens gewoonlijk als de kroon
van het dierenrijk, in werkelijkheid zijn we een rijk op zich. Anders
dan zij die achter ons komen, hebben wij, als we er slechts op meedogende
en verstandige wijze gebruik van wilden maken, het vermogen onbeperkt
te groeien in begrip, medeleven en zelfverlichting. Is er daarom niet
onvermijdelijk een symbiose tussen ons en het rijk van de goden, waaraan
we ons goddelijk denken en onze goddelijke geest ontlenen?
Noten
- Het bestaat uit vijf hoofdstukken en is toegevoegd
aan de Zohar (Boek van Schitteringen) en opgenomen in het
commentaar op Exodus. Vgl. S.L. Mac Gregor Mathers, Kabbalah Unveiled,
§ 14, blz. 46: zie ook § 137, blz. 127.
- Signatura Rerum (The Signature of All Things),
blz. 121, 23, 12.
- Het Licht van Azië, bk. viii.
- H.P. Blavatsky, De Geheime Leer [Engelse
ed., 11, 80].
- Vgl. Vishnu-Purana, I, iii (blz. 53-4, vert.
Wilson); ook ‘The Chronology of the Brahmins’, De
Geheime Leer, 2:71-81.
- De Geheime Leer , 1:236].
- G. de Purucker, De vier heilige jaargetijden,
blz. 70.