Wonderen van de dierenwereld
Eloise Hart

 

Het heelal is ‘één onmetelijk individu,’ zoals de volgelingen van Zoroaster het noemden, samengesteld uit een oneindig aantal individuen, elk met een verschillende graad van bewustzijn en in staat om te voelen, te denken en te kiezen, en elk is op zijn eigen unieke wijze opgebouwd uit en de belichaming van dezelfde krachten en substanties als ieder ander wezen. Niet alleen zijn de chemische elementen in elk dezelfde, niet alleen zijn de oneindig kleine onzichtbare levens die de lichamen vormen van een madeliefje, mier, olifant, mens en boom gelijk, maar wat belangrijker is, elk wordt bezield en geïnspireerd door dezelfde geestelijk-goddelijke energie-kracht.

Er was een tijd waarin de mensen, toen ze in harmonie met de natuur leefden, zich van deze eenheid van leven bewust waren. De jaargetijden hadden een betekenis en men voelde dat de fasen van de zon, de maan, de planeten en sterren, de plantengroei en de wonderen van de dierenwereld evenzeer een deel van het levensdoel waren als zijzelf. De mensen zagen, waardeerden en zorgden voor de oogst, de levende have, en de goden alsof ze broeders waren, in het vertrouwen dat zij daardoor op hun beurt zouden worden verzorgd. Door samenwerking en vertrouwen ontwikkelden ze een intuïtief begrip voor elkaars gevoelens en behoeften en leefden ze samen in een vreedzame gemeenschap. Als een uiting van dit besef, gebruikten ze tekeningen en verhalen van dieren om de orde van de kosmos en de plaats van de mens daarin te illustreren. Religieuze en filosofische geschriften gebruikten dieren om deugden en gebreken, sterrenbeelden en aspecten van leringen uit te beelden.

In een poging dit gevoel van eenheid te herwinnen, geven in deze tijd vele mannen en vrouwen hun egocentrische en materialistische vooroordelen op en proberen ze zich af te stemmen op de geestelijke krachten die door de natuur stromen. Anderen, bezorgd over de richting die de beschaving inslaat, houden zich bezig met wetenschappelijk onderzoek, in de hoop in de wereld van de natuur antwoorden te vinden die de mensheid ten goede zullen komen. Het is alsof ze zich de woorden van Job herinneren:

Vraag het de dieren, en zij zullen u leren;
     vraag de wilde vogels – zij zullen het u zeggen;
kruipende schepsels zullen u onderrichten,
     de vissen in de zee zullen u inlichten;
want wie van hen alle weet niet
     dat dit de weg van de Eeuwige is,
die iedere levende ziel
     en het hele leven van de mens beheerst?
          – 12:7-10 (naar de Eng. vert. van Moffatt)

Inderdaad, de dieren bezitten zintuigen en psychische vermogens die sterker zijn dan de onze en kunnen ons veel leren over onze dierlijke natuur en de geheimzinnige wereld waarin we ons bewegen.

Vraag de wilde vogels – zij zullen het u zeggen. Slaat dit op echte vogels of op geestelijke leraren, die in oude geschriften vaak vogels werden genoemd? Hoe het ook zij, er is veel dat wilde vogels ons kunnen leren: wellicht iets van de aerodynamica van het vliegen als zij hoog in het uitspansel zweven en sommige bijna om de aardbol heenvliegen; of iets van hun vermogen in de poolkou en de woestijnhitte te leven, en vaak op gevaarlijke plaatsen hun nest te bouwen dat tegen zware stormen bestand is. We kunnen ook leren wat het is dat hen bij hun trek tot gids dient en dat hen aanzet tot de bezorgdheid en zorg die beide ouders aan de dag leggen wanneer ze op hun jongen passen, hen voeden, oefenen en beschermen.

Net als mensen gebruiken sommige vogels werktuigen: blauwe gaaien en vinken op de Galápagoseilanden zoeken twijgjes of cactusdoornen, die ze vaak met hun snavel veranderen en korter maken of er de uitstekende delen van afbreken voor ze daarmee in spleten naar insecten zoeken. Zodra de prooi is gespietst laat de vogel het twijgje vallen of stopt het onder zijn tenen om het opnieuw te gebruiken. Zilvermeeuwen en kraaien breken schelpdieren open door ze op gesteenten of harde oppervlakten te laten vallen en ze weten vreemd genoeg precies op welke hoogte ze hun buit moeten laten vallen zodat die niet uiteenspat.

Kruipende schepsels zullen u onderrichten. Zelfs wormen! Aardwormen, hoewel schijnbaar de eenvoudigste, minst bewuste en minst intelligente leden van het dierenrijk, behoren tot de grootste weldoeners van de wereld, die ijverig de onvruchtbare aarde en rotte organismen in vruchtbare, luchtige grond omzetten, waarin het plantenleven kan gedijen. Bovendien zijn ze voortreffelijke grondwoelers en beschermers van nationale schatten: Darwin bracht dit feit onder de aandacht van het publiek door te vertellen dat ze rotsen en monumenten begraven door er de ene laag aarde na de andere over en omheen te werpen, in een hoeveelheid die, naar schatting van geologen, van 150 tot 2000 kg aarde per are per jaar bedraagt!

Men zou veronderstellen dat deze wormen, al kronkelend door de grond, gemakkelijk het voedsel vinden dat ze nodig hebben. Maar nee; ze zijn selectief. Als ze kunnen kiezen reizen ze een heel eind naar gronden die rijk aan voedsel zijn. Er is één soort die ’s nachts zelfs uit de grond kronkelt om blaadjes van een speciale struik te verzamelen. Door een blad bij het spits toelopende uiteinde beet te pakken, trekken deze kleine arm- en pootloze schepseltjes eraan tot het afbreekt en brengen het dan onder de grond, waarna ze de ingang zorgvuldig dichtstoppen zodat er geen rovers volgen. Mocht de zon opkomen voor hun werk is voltooid, dan zien we een vreemd tafereel: half begraven blaadjes die ondersteboven in de tuin groeien!*

*Animal Thinking, Donald R. Griffin, voorzitter van de afdeling biologie aan de Rockefeller Universiteit.

Er is een grote verscheidenheid van ‘kruipende schepsels’ die deze aarde bevolken. Slangen en schildpadden bijvoorbeeld, van wie de kenmerken en gewoonten in fabels en heilige geschriften zijn gebruikt, duiden op wijsheid en volharding, periodiciteit en cyclische wedergeboorte. Dan zijn er de insecten; wonderlijke schepseltjes die de mens honderden miljoenen jaren in ouderdom overtreffen; sommige hiervan stammen af van reusachtige voorouders die zelfs aan de dinosaurussen voorafgingen. Het overleven van deze insecten is een bewijs van het succes van hun onderlinge samenwerking en van hun vermogen hun gedrag te wijzigen overeenkomstig de behoeften van het geheel.

Sommige insecten bouwen een woonplaats met tal van kamers om aan de eisen van een ingewikkelde sociale organisatie te voldoen. Hun communicatie is duidelijk waarneembaar: de bijen bijvoorbeeld ‘spreken’ door te dansen; mieren door middel van geur en door beweging en aanraking met hun voelsprieten. Beide geven ze boodschappen door die hun soortgenoten de weg wijzen naar voedsel, of opdracht geven de vijand aan te vallen, en dikwijls offeren ze hun leven op om de koningin te beschermen.

Waarnemers moeten zich wel afvragen of dit alleen het gevolg is van instinct of dat er een soort intelligentie is die het hele proces overziet en leidt. Zijn insectengemeenschappen vergelijkbaar met het menselijk lichaam – dat ook wonderlijk ingewikkeld is en uit ontelbare cellen bestaat van werk-, verkennings-, en vechtgroepen, die het leven in ons hele gestel onderhouden en beschermen? Als er een overeenkomst is, dan kunnen insectenkolonies de uiterlijke vorm zijn van een intelligentie die, hoewel onzichtbaar, het geheel beheerst. Per slot van rekening ziet niemand het menselijk bewustzijn, dat denkt, voelt en leiding geeft aan onze stoffelijke en maatschappelijke activiteiten!

Als we nagaan hoeveel schade we gedachteloos aan de lagere rijken toebrengen, vraagt men zich af hoe ze overleven zonder de een of andere hogere steun die, door hen te helpen zich aan te passen en vol te houden, ook ons helpt. Waar zouden we zijn zonder insecten om de vegetatie te bestuiven, het milieu schoon te maken en het ecostelsel op de hele aarde in evenwicht te houden?

Het zijn de vaak verguisde rovers die de overbevolking in de hand houden. In dit opzicht zijn spinnen zeer doeltreffend. En over spinnen gesproken, wat kan met het wonder van hun web worden vergeleken? Zijden draden stromen uit de vloeibare proteïne van klieren in het achterlijf en worden hard als ze in aanraking komen met de lucht. De draden verschillen in dikte, elasticiteit en kwaliteit: sommige, sterk en droog, worden gebruikt voor het overbrengen van berichten en als ‘kabels’ voor het transport en als ontsnappingswegen in geval van nood. Andere worden gebruikt voor ‘het omwikkelen van de prooi, het bekleden van een hol of schuilplaats, het ‘omlaag duiken’ naar een nieuwe plek, het inpakken van eierzakjes in waterdichte cocons, of voor het vasthechten van het draagraam van het web aan hechtpunten’.* Iedere spin, iedere soort, heeft haar eigen unieke weefpatroon – er zijn geen twee hetzelfde.

*‘Life on a Silken Thread’, Ben Patrusky in het tijdschrift Geo, januari 1982.

Hoewel we aan spinnen denken als eenlingen, zijn er op zijn minst zes soorten die in grote permanente gemeenschappen leven en in sommige hiervan wonen ‘tienduizenden’ vreedzaam bij elkaar in bouwsels die uit vele lagen bestaan. Met zijde beklede gangen leiden naar verschillende vertrekken waarin eierzakjes worden ondergebracht, jongen grootgebracht, en waar mannetjes, wijfjes en jonge spinnetjes samen eten zonder dat ooit één het voedsel van een ander aanraakt of een webgenoot aanvalt. Een voorbeeld voor de menselijke samenleving om na te volgen!

Vissen in de zee zullen u inlichten. Tv-documentaires illustreren dit als ze de aandacht vestigen op de intelligentie en gewoonten van dolfijnen, walvissen (die de Bijbel vissen noemt) en andere zeebewoners. Vergeleken met aardwormen zijn de grote ingewikkelde waterzoogdieren zeer vergevorderd, en toch bezitten beide opmerkelijke vermogens om zich voedsel te verschaffen. De gang van de aardworm naar voedzame gronden en het oogsten van bladeren kan worden vergeleken met het vermogen van de walvis om die gebieden op te sporen waarin zich plankton en de kleine vissen waarop ze verzot zijn, hebben verzameld. Walvissen zingen samen lange en ingewikkelde ‘melodieën’, waaraan elk zijn eigen variatie op het thema toevoegt. Dit, en de veelzijdigheid van hun gedrag dwingen wetenschappers tot de conclusie dat walvissen en dolfijnen bewust denken en subjectief voelen. Hoe kan men anders de vlotheid verklaren waarmee ze leren, en de vernuftige kunststukjes waarmee ze hun menselijke leermeesters vaak te slim af zijn!

Oude zeemansverhalen over de manier waarop dolfijnen en bruinvissen elkaar en schipbreukelingen redden en verzorgen worden nu bevestigd. Onderwaterfoto’s hebben vastgelegd dat dolfijnen zieke of gewonde soortgenoten – en soms mensen – naar het wateroppervlak brengen. Ze doen dit voorzichtig en zorgen ervoor dat het spuitgat of de neusgaten boven water worden geduwd. Men heeft bij een bepaald soort dolfijn waargenomen dat die op deze manier acht dagen lang een dode tijgerhaai vervoerde zonder de tijd te nemen om te eten of te rusten. Pas toen een duiker de in ontbinding verkerende haai verwijderde, begon de dolfijn weer te eten.

Als we dit alles overwegen, en wat we hebben gelezen en zelf opgemerkt, vragen we ons af: wat kunnen we van de dieren leren? Afgezien van hun technische kundigheden, geven ze blijk van een levensvreugde die zonder twijfel het gevolg is van een bestaan dat in harmonie is met de natuur. Dieren zijn ook een levend bewijs van die wonderlijke intelligentie die de wereld van de natuur bezielt en leidt.

Robert Browning zinspeelt in zijn ‘Paracelsus’ (i) op deze intelligentie als de ‘waarheid van binnen’. Zijn regels zijn welbekend:

Er is in elk van ons een innerlijke kern,
Waarin de volle waarheid woont; en daaromheen
Omsluit, met muur na muur, het grove vlees
Die heldere en volmaakte visie – die de waarheid is.
Ze is gevangen in dat aardse net
Dat ons verbijstert en misleidt,
Ons dwalen doet: en weten is veeleer
Het openen van een weg waarlangs
De gevangen luister ontsnapt,
Dan toegang bieden aan een licht
Dat, naar men meent, van buiten komt.

Hoewel Browning vermoedelijk aan de mensheid dacht toen hij deze regels schreef, slaat zijn gedachte op alle wezens – omdat elk een ‘kind van het goddelijke’ is en, voor zover zijn evolutionaire ontplooiing dat toelaat, uitdrukking geeft aan de innerlijke luister. Omdat dieren nog niet zelfbewust zijn en niet, zoals wij, door het egocentrische, rationele en zorgelijke denken worden gehinderd, geven ze instinctief gehoor aan deze innerlijke intelligentie en geven er met hun onverklaarbare kennis, hun vertrouwen en liefde, uitdrukking aan.

Enkele jaren geleden vertelde J. Allen Boone in zijn boek, Kinship With All Life, hoe hij heeft geleerd zich af te stemmen op de ‘waarheid van binnen’. Op een dag raadpleegde hij een wijs indiaans opperhoofd. Terwijl ze om het kampvuur zaten, stelde Boone het opperhoofd een vraag over de band die alle dingen onafscheidelijk en harmonieus verbindt: die de indianen bijvoorbeeld in staat stelt paard te rijden alsof ze een deel van het dier zijn. Aanvankelijk gaf het oude opperhoofd geen antwoord. Daarna vertelde hij hem het geheim. Boone legde het als volgt uit:

Wat ik uit zijn ritmische gebarentaal opmaakte was dit: Toen het opperhoofd zijn beide handen voor me hield, wist ik intuïtief dat de ene hand een indiaan en de andere een pony symboliseerde. Toen zijn beide handen elkaar raakten vóór zijn gezicht, betekende dat het vriendelijke en begrijpende contact tussen indiaan en pony. Toen de vingers zich kruisten en neerkwamen op de rug van zijn handen, betekende dit de verstrengeling van al hun belangen. Toen de twee wijsvingers tegen elkaar werden gezet, stelde dit ‘saamhorigheid’ voor, overgaande in ‘eenheid’. En toen hij met zijn handen in die positie een volledige cirkel beschreef, gaf dat aan dat indiaan en pony als één enkele eenheid functioneerden in het denken, het hart, het lichaam en het doel.    – blz. 103

Mystici en filosofen van alle tijden hebben geprobeerd deze eenheid te bereiken, om zich met de geestelijke aard van alle dingen te kunnen onderhouden en die te kunnen begrijpen. Waar kunnen we hiermee beter beginnen dan met die wezens die ons zo vaak genoegen en nut schenken?

‘Omdat de ziel van de wereld de hele kosmos doordringt, moeten zelfs de dieren iets goddelijks in zich hebben,’ schreef Clemens van Alexandrië (Stromata v, 590). Hippocrates, de ‘vader van de geneeskunde’, zegt:

Alle kennis, alle kunsten zijn te vinden in de natuur, en als we haar op de juiste wijze vragen, zal zij ons de waarheden onthullen die op elk hiervan en onszelf betrekking hebben. Wat is de natuur in werking anders dan het goddelijke dat zijn aanwezigheid openbaart? Hoe zullen we haar ondervragen; en hoe zal zij ons antwoorden? We moeten met vertrouwen te werk gaan, met de stellige zekerheid dat we tenslotte de hele waarheid zullen ontdekken; en de natuur zal ons haar antwoord laten weten door middel van ons innerlijke zintuig, dat met behulp van onze kennis van een bepaalde kunst of wetenschap ons de waarheid zo duidelijk onthult, dat verdere twijfel wordt uitgesloten.*

*Cabanis, Histoire de la Médecine; geciteerd in Isis Ontsluierd, 1:424-5 (Eng. ed.).

Allen die een dier hebben leren kennen en werkelijk leren begrijpen, hebben iets bijzonders gevoeld. Het is niet alleen de liefde en het vertrouwen die ze ons geven; in hen voelen wij de tegenwoordigheid van een wonder dat groter is dan zij – groter dan wij, ‘iets goddelijks’ zoals Clemens van Alexandrië al jaren geleden ontdekte.

 
Andere artikelen over broederschap
 
Andere artikelen over wetenschap: biologie, ecologie
 

Uit het tijdschrift Sunrise sep/okt 1987

© 1987 Theosophical University Press Agency