Het ‘leven’ van kristallen en gesteenten
Raymond Rugland

 

‘Als u God wilt leren kennen’, sprak de wijze tot de lankmoedige Job, ‘aanschouw dan zijn werken’. De meeste mensen houden van de natuur, zijn verrukt over de grootsheid van een machtige berg of de beukende branding – evenzeer de wonderen van het mineralenrijk als de wereld van edelstenen, kristallen en gesteenten. Wat hen aantrekt is zeker meer dan de dode stof!

Wat is een mineraal? Stof of substantie is niet het begin van leven voor een wereld en haar bewoners, maar is de in materieel opzicht verst ontwikkelde openbaring van geest in zijn straling omlaag. Het stoffelijk heelal bestaat uit ongeveer honderd elementen. Zo’n 3000 mineralen zijn opgebouwd uit een zuiver element of uit combinaties van elementen. James Dwight Dana van de Yale Universiteit classificeerde in 1854 de mineralen op grond van hun chemische samenstelling; later, toen de techniek met röntgenstralen de ruimten tussen de atomen onthulde, kon men hun rangschikking onderscheiden.

Er zijn drie vormen waarin de stof bestaat: vast, vloeibaar en als gas. De voornaamste verschillen in de drie toestanden zijn het gevolg van verschillen in de energie van hun atomen. Gas-atomen zijn het actiefst en liggen het verst uit elkaar. Vloeibare atomen hebben iets minder energie dan gas-atomen, maar bewegen zich toch te snel om zich te kunnen groeperen. Vaste atomen hebben betrekkelijk weinig energie; ze liggen dicht bijeen en kunnen elkaar tot georganiseerde patronen dwingen. Voor de fysicus hebben de woorden ‘kristallijn’ en ‘vast’ dezelfde betekenis, omdat alle vaste stoffen de interne atomaire structuur hebben van kristallen. Omdat mineralen vaste stoffen zijn (behalve water en kwik) en alle vaste stoffen kristallen zijn, zijn alle mineralen dus kristallen.

Het milieu waarin mineralen ontstaan wordt magmatisch, sedimentair en metamorf genoemd. Het is magma dat diep in de aarde vuur, rook, as en het gesmolten materiaal voortbrengt dat men lava noemt en dat door een vulkaan wordt uitgespuwd. Sedimentaire gesteenten worden gevormd door grind-, zand- en kleisoorten, die gewoonlijk door water in lagen worden afgezet. Wanneer een gesteente verandert door te zijn blootgesteld aan warmte, druk, vloeistoffen en gassen, wordt het een metamorf gesteente.

Kristallisatie kan zich voordoen als hete lava afkoelt en stollingsgesteenten vormt. Het vloeibare deel dat overblijft, wordt rijk aan minder algemene elementen, aan water, koolzuurgas, en andere gassen en zuren. Deze hete vloeistof koelt af en vormt zeer grove kristallen. Zulke afzettingen, pegmatieten genoemd, kunnen aderen vormen die duizenden voet lang en honderden voet dik zijn en meer dan honderd soorten mineralen bevatten, waaronder veldspaat, mica, en edelgesteenten, zoals toermalijn, beril, kwarts en topaas. Kristallisatie kan zich ook voordoen wanneer een gas wordt omgezet in een vaste stof; dat kan gebeuren in oplossingen in water; sedimentair of stollingsgesteente kan in metamorf gesteente veranderen door een proces van omzetting en herkristallisatie onder invloed van warmte en druk. Verwering omvat een aantal processen, zoals de chemische inwerking van lucht en regenwater, en van planten en bacteriën, en de mechanische werking van temperatuurswijzigingen. Er worden chemische veranderingen teweeggebracht en na verloop van tijd wordt de oorspronkelijke zuiverheid van het gesteente vernietigd.

We kennen Johannes Kepler nu door zijn wetten van de planetaire bewegingen. In de 16de eeuw schreef hij over het onderwerp van geometrische vaste lichamen en leidde hieruit op wiskundige wijze een reeks van vaste vormen af die identiek zijn met die welke bij mineralen worden gevonden. Zijn nieuwsgierigheid werd gewekt door sneeuwkristallen en door wat hun uniforme zeshoekige vorm bepaalde. Omstreeks diezelfde tijd bracht de Duitse geleerde Athanasius Kirchner als zijn overtuiging naar voren dat er in de kristallen een of andere inwendige kracht huist die maakt dat ze zich naar buiten ontwikkelen in bepaalde vaste richtingen. Sir Thomas Browne herhaalde in zijn Religio Medici van 1643 een oude Platonische gedachte: ‘De natuur gaat geometrisch te werk en streeft orde na in alle dingen.’ In 1669 formuleerde de Deense fysicus Nicolaus Steno de eerste wet op het gebied van de kristallen, nl. de constante grootte van tweevlakshoeken, die verklaart dat bij alle kristallen van een bepaald mineraal, de hoeken tussen de corresponderende vlakken altijd precies dezelfde afmetingen hebben.

De wetenschap van de kristallografie kreeg omstreeks 1800 een geweldige stimulans van Abbé Haüy, professor aan het Museum van Natuurlijke Historie in Parijs. Hij kwam tot de conclusie dat ieder kristal is opgebouwd uit een ordelijke opeenstapeling van zeer kleine eenheden, en dat de uiteindelijke vorm van het kristal zowel afhangt van de vorm van de kleine eenheden als van de manier waarop ze zijn verenigd. Toen hij met calcium-carbonaat werkte, ontdekte hij dat, welke vorm het ouderkristal ook had, de afgebroken stukken allemaal vlakken hadden met gelijke hoeken. Haüy ontdekte dat hij kon doorgaan met het klieven van de stukken totdat ze te klein werden om ze te hanteren. Later werd met röntgenstralen aangetoond dat de eenheden ongeveer éénhonderd miljoenste inch lang waren – zo’n miljoen maal kleiner dan wat het oog kan waarnemen!

Naarmate de atomen van een kristal zich beginnen te groeperen, worden ze gedwongen posities in te nemen die met elkaar in verband staan en worden bepaald door de grootte van de atomen en de mate van aantrekking die ze tot elkaar hebben. In 1850 gaf de Fransman Auguste Bravais een schets van zijn roostertheorie van kristallen. Hij toonde aan dat de atomen zich rangschikken in driedimensionale netwerken van zich herhalende patronen, waarvan sommige heel eenvoudig en andere zeer gecompliceerd zijn. Die worden ruimteroosters genoemd en zoals Bravais had voorspeld, zijn er slechts veertien verschillende roosters mogelijk. Alle andere zijn slechts variaties op de veertien rangschikkingen. Wanneer een kristal een symmetrisch vlak heeft, betekent dit dat wanneer het door een denkbeeldig vlak wordt gesneden, het verdeeld wordt in twee helften die precies elkaars spiegelbeeld zijn. Dergelijke symmetrieën kunnen twee, drie, vier of zes keer voorkomen bij elke draai om de as, afhankelijk van de soort kristal. Alle kristallen kunnen in 32 verschillende symmetrie-klassen worden gegroepeerd, die terug te brengen zijn tot zes of zeven kristalstelsels: het kubische, hexagonale, trigonale, enz. Zo gaat de natuur dus meetkundig te werk!

Wij verschijnen als ‘stof’ – een geschenk van moeder aarde. Deze wonderlijke stof bestaat uit calcium, fosfor, ijzer, en in kleinere hoeveelheden uit chroom, kobalt, koper, fluoride, jodium, magnesium, mangaan, molybdeen, kalium, selenium, natrium, zwavel en zink. En 90% van ons lichaam is water, ook een mineraal! Maar zijn we daarom minder levend? Zoals de natuur ons brein beschermt met een hard omhulsel, zo beschermt ze ook ons beenmerg, dat de bron is van onze vitale rode bloedlichaampjes.

Voor ons lijkt een basaltkei misschien levenloos – in het bijzonder één die zich bevindt in een vulkanische sintelkegel in de Mojavewoestijn in Californië, waar de temperatuur kan oplopen tot 1300° F, Maar ik heb gezien dat zo’n steen overdekt was met kleurige vlekken en heb me afgevraagd wat dat was. De kleuren bleken verschillende mossoorten te zijn. Onder moeilijke omstandigheden hadden twee rijken elkaar gevonden en waren in zekere zin afhankelijk van elkaar. Wanneer het mos zich met het harde basalt verbindt, welke ervaringen delen deze levensvormen dan met elkaar? Zoals Harlow Shapley, de astronoom, het uitdrukte: ‘We zijn broeders van de rotsen en neven van de wolken.’ De bioloog Lewis Thomas meende dat de oppervlakte van de maan ‘zo dood was als oud gesteente’, en in tegenstelling hiermee meende hij dat de aarde vol overvloed was en eruitzag als een levend schepsel. Schepsel? Organisme? Hij moest over dit denkbeeld diep nadenken. Tenslotte vroeg hij zich af op welk soort schepsel de aarde het meest lijkt? Het antwoord kwam: ze lijkt het meest op een enkele cel.

Mineralen kunnen radioactief zijn, magnetische, galvanische of optische eigenschappen bezitten; ze kunnen fluorescerend zijn onder ultraviolet licht en kunnen fosforescentie vertonen. We hebben de mineralen niet bekeken vanuit het oogpunt van de eigenschappen die men algemeen toeschrijft aan toverringen, talismans, amuletten, gelukshangers, of zelfs geboortestenen, maar op grond van hun vorm of structuur. Vorm vraagt om een vormgever, intelligentie, of denkvermogen. Atomen en moleculen hebben een structuur; we vinden structuur in het plantenrijk en in de kosmos – waar is er geen structuur? Het eerste vers in de Dhammapada, dat aan Gautama Boeddha wordt toegeschreven, luidt: ‘Alle verschijningsvormen van het bestaande hebben het denken als voorloper, het denken als opperste leider, en uit het denken zijn zij gevormd.’ Het denken gaat vooraf aan alles wat bestaat. De uiterlijke kosmos is een schepping van het denken, geïntegreerd in een kosmische orde van oorzaak en gevolg.

William Quan Judge geeft een wijds perspectief in zijn De Oceaan van Theosofie:

Uit het onbekende . . . ontwikkelt het heelal zich op zeven gebieden of langs zeven wegen of op zeven manieren in alle werelden, en door deze zevenvoudige differentiatie hebben alle werelden van het universum en de wezens daarop een zevenvoudige samenstelling. Zoals in vroeger tijden werd geleerd, zijn de kleine en de grote werelden kopieën van het geheel, en zowel het kleinste insect als het hoogst ontwikkelde wezen zijn replica’s in het klein of in het groot van het onmetelijke alomvattende voorbeeld.    – blz. 16

Hij voegt eraan toe dat het denkvermogen ‘het intelligente deel van de kosmos’ is en zegt verder:

Waar ook een wereld of een stelsel van werelden zich ontwikkelt, daar is het plan in het universele denkvermogen vastgelegd; de oorspronkelijke kracht komt van de geest; de basis is stof – die in feite onzichtbaar is; het ‘leven’ onderhoudt alle vormen die leven nodig hebben, en akasa [aether] is de verbindende schakel tussen enerzijds stof en anderzijds geest-denkvermogen.    – blz. 18

Innerlijk zijn we vonken van het vuur van het goddelijk denken waarin onze onsterfelijkheid berust. Die vonk noemen we een monade. Ze is het zaadje van onze individualiteit. Ze is de pelgrim die haar reis begint als een onschuldige engel van licht en de reis eindigt als een volkomen ontplooide god. De natuur kent geen bevoorrechting; ze ‘bestaat voor geen ander doel dan de ervaring van de ziel.’

Toen H.P. BIavatsky schreef dat stof gekristalliseerd licht was, gaf ze ons heelal een belangrijke dimensie terug – de belofte van ruimere perspectieven van groei, vervolmaking en nooit eindigend leven. Het is nodig dat we eraan herinnerd worden dat alle wezens vonken van het goddelijke, belichaamde monaden zijn – of het gaat om evoluerende planeten, cellen, mineralen, of mensen. We hebben nooit een begin gehad, evenmin kunnen we een einde hebben, omdat ons hoogste het hoogste in de kosmos is, en evolutie de ontplooiing van het innerlijk potentieel betekent.

 
Andere artikelen over broederschap
 
Andere artikelen over wetenschap: ecologie
 

Uit het tijdschrift Sunrise sep/okt 1987

© 1987 Theosophical University Press Agency