De verantwoordelijkheid van het menszijn
Sarah Belle Dougherty

 

. . . want omdat uw karma, goed of slecht, één is en de hele mensheid gezamenlijk toebehoort, kan u niets goeds of slechts overkomen dat niet vele anderen met u delen. – H.P. Blavatsky’s leraar*

Wat is een mens? Een bezield lichaam? Een geest? Waar kunnen we de grens leggen van wat we zijn? Ons emotionele, mentale en spirituele zelf kan niet binnen onze stoffelijke vorm besloten liggen. Het strekt zich veeleer uit in de wereld om ons heen, een reusachtig veld van krachten dat reikt tot de zon en de sterren. Wij bestaan zowel in de onzichtbare delen van de sterren en planeten als in die van de verschillende wezens op aarde. De kosmos is een netwerk van deze levens die elkaar doordringen, en terecht zegt de dichter ‘U kunt geen bloem aanraken zonder een ster te beroeren’.

Als de hele natuur zo innig is verbonden, hoe nauw moeten dan onze relaties met onze medemensen zijn. Verre van een sentimenteel gevoel voor de rest van de mensheid als verre neven en nichten of zelfs kinderen van één godheid, betekent broederschap de volslagen onderlinge afhankelijkheid van ons allen. Er vindt voortdurend een vermenging plaats van ons individuele bewustzijn met dat van de rest van de mensheid, want zogoed als wij deel uitmaken van hetzelfde stoffelijke milieu, maken wij ook deel uit van hetzelfde psychologische en geestelijke milieu. Onze gedachten en gevoelens zijn geen toestanden van de stof of louter abstracties, ze zijn een werkelijkheid – levende energieën die blijvend zijn en circuleren door de overeenkomstige aspecten van het wezen van de aarde en de mentaliteit van anderen beïnvloeden. Als brandpunt van deze psychische en geestelijke energieën, is de mens zoiets als een radiostation dat die gedachten en gevoelens uit de hele wereld ontvangt en daarheen uitzendt, die overeenstemmen met de ‘golflengte’ waarop hij zich op een bepaald moment afstemt. We trekken voortdurend gedachten en gevoelens aan en drukken daarop het stempel van onze mentale energieën. Wanneer een gedachte ons bewustzijn binnentreedt, kunnen we die verbeteren, verlagen, of onveranderd laten. Ook kunnen we haar negeren of, door concentratie, haar meer energie geven zodat het voor anderen op dezelfde golflengte gemakkelijker is haar aan te trekken. Zo dragen we onbewust bij aan de vorming van het gedachtereservoir waaruit we allen putten.

In feite zijn de werkingen van ons bewustzijn even reëel als van enig ander aspect van ons en hebben gevolgen waaraan onvermijdelijk een groot aantal mensen deelhebben. Als we iets voelen, denken of doen, menen we gewoonlijk dat de gevolgen op een of andere exclusieve manier bij ons horen; dat is ‘mijn zaak’, ‘mijn probleem’, ‘mijn verdienste’, ‘mijn karma’. Maar iedere daad, gedachte of aspiratie en elk gevoel heeft potentiële gevolgen voor onze medemensen over de hele aarde, nu en in de komende eeuwen. Ons bewustzijn is veel uitgebreider dan ons lichaam en toegankelijk voor de hele mensheid, zodat onze mentale, emotionele en spirituele activiteiten een veel grotere invloed hebben dan onze zichtbare uiterlijke activiteiten. Verder is hun invloed sterk gekleurd door motief en houding, ontastbare factoren die wij geneigd zijn af te wijzen. Dit weerspiegelt onze gebruikelijke weigering de werkelijkheid te erkennen van wat wij niet kunnen waarnemen met onze stoffelijke zintuigen, ook al is de psychische wereld die wij met de rest van de mensheid gemeen hebben de belangrijkste sfeer van menselijke activiteiten.

Onze verantwoordelijkheid reikt dus verder dan wat wij schijnen te zijn en strekt zich uit tot wat wij werkelijk zijn. Een rechtschapen leven leiden is niet een kwestie van ‘de schijn ophouden’ of ons uiterlijk aanpassen aan de normen van de samenleving, maar draait om de gedachten en gevoelens die we tot ons trekken, onze aspiraties en verlangens en de motieven achter onze daden. De structuur van ieder mens en van de wereld die we bewonen, maakt het onmogelijk ons te isoleren of onze invloedssfeer te beperken. We delen met anderen, of we willen of niet, de elementen die ons innerlijke leven vormen, zelfs als niemand die kent. Omdat we geneigd zijn ons persoonlijk bewustzijn te richten op onze meest beperkte aspecten, slagen we gewoonlijk niet erin onze eenheid te beseffen, of in overeenstemming daarmee te leven. Maar soms, wanneer op een heldere sterrennacht de grootsheid van de ruimte ons opheft uit ons alledaagse bewustzijn, voelen we een moment een echo in ons van die onvoorstelbare grootsheid, een intuïtief besef dat we op de meest fundamentele wijze zijn verbonden met de hele natuur. Als we bewust proberen ons zelf meer in harmonie te brengen met het geheel dat we helpen vormen, zal dit bewustzijn steeds sterker worden totdat het de stuwende kracht wordt achter ons dagelijks leven. Dan zullen we de ware verantwoordelijkheid van ons menszijn vervullen.

 

*H.P. Blavatsky aan de Amerikaanse Conventies, 1888-1891, blz. 35.

 
Andere artikelen over broederschap
 

Uit het tijdschrift Sunrise sep/okt 1987

© 1987 Theosophical University Press Agency