. . . want omdat uw karma, goed of slecht, één
is en de hele mensheid gezamenlijk toebehoort, kan u niets goeds of
slechts overkomen dat niet vele anderen met u delen. – H.P.
Blavatsky’s leraar*
Wat is een mens? Een bezield lichaam? Een geest? Waar kunnen we de
grens leggen van wat we zijn? Ons emotionele, mentale en spirituele
zelf kan niet binnen onze stoffelijke vorm besloten liggen. Het strekt
zich veeleer uit in de wereld om ons heen, een reusachtig veld van krachten
dat reikt tot de zon en de sterren. Wij bestaan zowel in de onzichtbare
delen van de sterren en planeten als in die van de verschillende wezens
op aarde. De kosmos is een netwerk van deze levens die elkaar doordringen,
en terecht zegt de dichter ‘U kunt geen bloem aanraken zonder
een ster te beroeren’.
Als de hele natuur zo innig is verbonden, hoe nauw moeten dan onze
relaties met onze medemensen zijn. Verre van een sentimenteel gevoel
voor de rest van de mensheid als verre neven en nichten of zelfs kinderen
van één godheid, betekent broederschap de volslagen onderlinge
afhankelijkheid van ons allen. Er vindt voortdurend een vermenging plaats
van ons individuele bewustzijn met dat van de rest van de mensheid,
want zogoed als wij deel uitmaken van hetzelfde stoffelijke milieu,
maken wij ook deel uit van hetzelfde psychologische en geestelijke milieu.
Onze gedachten en gevoelens zijn geen toestanden van de stof of louter
abstracties, ze zijn een werkelijkheid – levende energieën
die blijvend zijn en circuleren door de overeenkomstige aspecten van
het wezen van de aarde en de mentaliteit van anderen beïnvloeden.
Als brandpunt van deze psychische en geestelijke energieën, is
de mens zoiets als een radiostation dat die gedachten en gevoelens uit
de hele wereld ontvangt en daarheen uitzendt, die overeenstemmen met
de ‘golflengte’ waarop hij zich op een bepaald moment afstemt.
We trekken voortdurend gedachten en gevoelens aan en drukken daarop
het stempel van onze mentale energieën. Wanneer een gedachte ons
bewustzijn binnentreedt, kunnen we die verbeteren, verlagen, of onveranderd
laten. Ook kunnen we haar negeren of, door concentratie, haar meer energie
geven zodat het voor anderen op dezelfde golflengte gemakkelijker is
haar aan te trekken. Zo dragen we onbewust bij aan de vorming van het
gedachtereservoir waaruit we allen putten.
In feite zijn de werkingen van ons bewustzijn even reëel als van
enig ander aspect van ons en hebben gevolgen waaraan onvermijdelijk
een groot aantal mensen deelhebben. Als we iets voelen, denken of doen,
menen we gewoonlijk dat de gevolgen op een of andere exclusieve manier
bij ons horen; dat is ‘mijn zaak’, ‘mijn probleem’,
‘mijn verdienste’, ‘mijn karma’. Maar iedere
daad, gedachte of aspiratie en elk gevoel heeft potentiële gevolgen
voor onze medemensen over de hele aarde, nu en in de komende eeuwen.
Ons bewustzijn is veel uitgebreider dan ons lichaam en toegankelijk
voor de hele mensheid, zodat onze mentale, emotionele en spirituele
activiteiten een veel grotere invloed hebben dan onze zichtbare uiterlijke
activiteiten. Verder is hun invloed sterk gekleurd door motief en houding,
ontastbare factoren die wij geneigd zijn af te wijzen. Dit weerspiegelt
onze gebruikelijke weigering de werkelijkheid te erkennen van wat wij
niet kunnen waarnemen met onze stoffelijke zintuigen, ook al is de psychische
wereld die wij met de rest van de mensheid gemeen hebben de belangrijkste
sfeer van menselijke activiteiten.
Onze verantwoordelijkheid reikt dus verder dan wat wij schijnen
te zijn en strekt zich uit tot wat wij werkelijk zijn. Een
rechtschapen leven leiden is niet een kwestie van ‘de schijn ophouden’
of ons uiterlijk aanpassen aan de normen van de samenleving, maar draait
om de gedachten en gevoelens die we tot ons trekken, onze aspiraties
en verlangens en de motieven achter onze daden. De structuur van ieder
mens en van de wereld die we bewonen, maakt het onmogelijk ons te isoleren
of onze invloedssfeer te beperken. We delen met anderen, of we willen
of niet, de elementen die ons innerlijke leven vormen, zelfs als niemand
die kent. Omdat we geneigd zijn ons persoonlijk bewustzijn te richten
op onze meest beperkte aspecten, slagen we gewoonlijk niet erin onze
eenheid te beseffen, of in overeenstemming daarmee te leven. Maar soms,
wanneer op een heldere sterrennacht de grootsheid van de ruimte ons
opheft uit ons alledaagse bewustzijn, voelen we een moment een echo
in ons van die onvoorstelbare grootsheid, een intuïtief besef dat
we op de meest fundamentele wijze zijn verbonden met de hele natuur.
Als we bewust proberen ons zelf meer in harmonie te brengen met het
geheel dat we helpen vormen, zal dit bewustzijn steeds sterker worden
totdat het de stuwende kracht wordt achter ons dagelijks leven. Dan
zullen we de ware verantwoordelijkheid van ons menszijn vervullen.
*H.P. Blavatsky aan de Amerikaanse Conventies,
1888-1891, blz. 35.