We vinden het vanzelfsprekend dat planten onmisbaar zijn voor de instandhouding
van ons ecosysteem, voor het produceren van zuurstof en het verschaffen
van de voornaamste voedselbron in een omvangrijke keten waartoe de mens
behoort. Maar de intelligentie van planten weerspiegelt ook een zielenleven
en bewustzijn, een factor waarop de eenheid van alles berust.
Hoe het plantenrijk voor het eerst tevoorschijn kwam en zich vestigde
is een mysterie. Planten hebben zich vele honderden miljoenen jaren
ontwikkeld, net als mineralen, virussen en bacteriën. Een van de
oudste fossielen van alle levensvormen blijkt een microscopisch kleine
plant te zijn, een bacterie, gevangen in een stuk zwart hoornsteen in
Swaziland, Afrika, waarvan men de ouderdom op meer dan 3 miljard jaar
schat. Een eenvoudiger in kolonies levend familielid van de blauw-groene
algen is 2,8 miljard jaar oud. Bloeiende planten kwamen ongeveer honderd
miljoen jaar geleden plotseling tevoorschijn, tegen de tweede helft
van de Krijtperiode.
In ieder tijdperk namen de juiste planten de juiste plaats in en pasten
ze zich bij de heersende omstandigheden aan, samen met de dieren die
in dezelfde tijd leefden. In de elkaar opvolgende tijdperken vermenigvuldigden
de planten zich en droegen ze bij aan het geheel. Een belangrijke uitwisseling
tussen de rijken onderling – delfstoffen, planten en dieren –
dient om het klimaat en de omstandigheden te scheppen die het meest
geschikt zijn voor die tijd.
Mogelijk waren het de eerste eencellige planten of algen die het ingewikkelde
proces, fotosynthese genaamd, ontwikkelden; dit houdt in de omzetting
van lichtenergie in chemische energie door chlorofyl. Als in de fossiele
overblijfselen plotseling de algen op het toneel verschijnen, is hun
genetisch materiaal en fotosynthese al ontwikkeld en aanwezig. Hoe kan
dat, tenzij achter de schermen intelligentie – of liever intelligenties
– aan het werk waren?
Hoe verder we naar de oorsprong teruggaan, hoe meer de rijken op elkaar
lijken, en op het niveau van de eencelligen schijnt het verschil tussen
planten en dieren te verdwijnen. We zien dat het zoöplankton prachtige
en geometrische vormen heeft, overeenkomend met diatomeeën of plantaardig
fytoplankton, die zoösporen vormen. De meeste eencellige zoösporen
hebben op haren lijkende zwepen, en sommige die in algen voorkomen,
hebben zelfs een lichtgevoelige oogvlek. De zoösporen functioneren
net als de spermatozoïden die worden voortgebracht door varens,
mossen en leverkruid en tot de meest primitieve meercellige planten
worden gerekend. De mannelijke geslachtscellen (spermatozoïden)
van zulke planten zijn vrijwel gelijk in werking en uiterlijk aan dierlijke
spermacellen. Dit, evenals de genetische overeenkomsten, wijst op één
voorgeslacht, één bron, een oer-protoplasma. Veel vragen
over hun oorsprong blijven onbeantwoord,
Ongetwijfeld waren het intelligente ontwerpers die de oorspronkelijke
prototypen voortbrachten van de schitterende vormen in het plantenrijk
en in andere rijken. In planten zijn wil en begeerte aanwezig als een
deel van de oer-intelligentie die hun evolutie heeft geleid en die hun
vormen en patronen al naar de behoefte veranderden en verfijnden. Het
wonder van hun werkwijzen en vormen is aan geen afmeting gebonden en
is overal aanwezig, vanaf de kleinste sporen, stuifmeelkorrels, of virussen,
die alleen met een elektronenmicroscoop zichtbaar zijn, tot het grootste
levende organisme, de reusachtige mammoetboom, die zijn begin heeft
in een zaadje van ongeveer drie millimeter.
Iedere soort en familie heeft specifieke eigenschappen, van rozen tot
redwood-bomen, net zoals ieder ras zijn unieke kenmerken bezit, zowel
wat stoffelijke vormen als gedragingen betreft. Planten hebben een sierlijke,
meetkundige structuur die wijst op intelligentie en vernuft. De spiraalvorm
die overal voorkomt, duidt op evolutionaire vooruitgang. Het DNA in
planten, evenals in dieren en mensen, bestaat uit een dubbele spiraal.
We zien deze spiraalvorm ook in de plaatsing van bladeren langs een
stengel, in het spiraalvormige hart van een zonnebloem, de horens van
een ram, in schelpen – en zelfs in spiraalvormige melkwegstelsels.
We kunnen leren van de vernuftige vormen van zaden en zaadhuisjes en
de wijze waarop ze functioneren. Vruchten en zaden zijn zo samengesteld
dat ze graag worden gegeten, zodat vogels en andere dieren ze kunnen
verspreiden. De zaden van distels en paardebloemen hebben een parachute,
zodat ze in de lucht kunnen zweven; die van de esdoorn draaien rond
als een helikopter; andere moeten drijven zoals die van de kokosnoot
en weer andere, zoals de blauweregen, schieten hun zaad weg met formidabele
kracht. Het blad, een essentieel orgaan van de plant, heeft talrijke
vormen: vetplanten hebben bladeren om water in op te slaan; de mimosa
heeft kleine, samengestelde blaadjes die in luttele seconden opengaan
en sluiten – dit is een van de weinige planten die op deze wijze
reageren, omdat ze erg gevoelig zijn voor licht, warmte en aanraking;
de Amerikaanse cacteeën ontwikkelden hun bladeren tot stekels en
de stammen slaan water op, maar werken als bladeren waarin fotosynthese
plaatsvindt.
In het plantenrijk komen enkele ongewone aanpassingsvormen voor en
bepaalde dierlijke trekken. Schimmels zijn verwant aan planten en worden
dicht bij planten ingedeeld, maar ze hebben geen chlorofyl om voedsel
te produceren. Slijmzwammen, een soort schimmel, met een amoebe-achtige
vorm, kruipen rond en doen zich te goed aan organisch materiaal. Dan
komen ze samen in één grote voortplantingsgroep met als
hoogtepunt een organisme dat vruchtlichaampjes voortbrengt die sporen
bevatten en de zwam verspreiden. Elk van deze kleine amoebecellen moet
zich specialiseren voor de vorming van deze structuur en het is nog
steeds niet bekend hoe ze de rol leren die ze moeten spelen. Naast de
vleesetende planten is er ook een groep eencellige waterplanten, de
dinoflagellaten [zweepdiertjes], die zowel plantaardige als dierlijke
kenmerken vertonen. Ze bezitten chlorofyl voor de vorming van voedsel,
maar kunnen ook kleine diertjes vangen en eten. Deze onderlinge relaties
zijn ingewikkeld en niet geheel bekend, al weet men wel dat ze nu goed
functioneren en dat altijd schijnen te hebben gedaan.
De hele natuur berust op symbiotische of coöperatieve betrekkingen.
Korstmossen zijn zwammen die met algen samenwerken. Ze omgeven en beschermen
de algen, geven hen voedsel dat is afgehaald van rotsen, en in ruil
daarvoor produceren de algen voedsel voor hen. Beide zijn in staat onder
harde omstandigheden te overleven.
Schimmels zijn, net als de microben en bacteriën, betrokken bij
het afbraakproces of het ontbinden van dingen in hun oorspronkelijke
elementen. Vele zijn bondgenoten van planten, omdat ze deel uitmaken
van het omvangrijke proces dat nodig is voor het herwinnen van vitale
stoffen voor de planten en andere rijken. Ze zijn onmisbaar omdat ze
kooldioxide in de lucht en voedingsstoffen in de grond terugbrengen.
Eén schimmelvorm leeft in de grond, werkt samen met de wortels
van een plant en wisselt ruwe voedingsstoffen uit. Er zijn ook bacteriën
die stikstof vasthouden en in de wortels van groenten leven.
Het gedrag van planten en de manier waarop ze op elkaar inwerken verraadt
bewustzijn. Zo is er bijvoorbeeld een waarschuwingssysteem onder de
pijnbomen in een bos en een wisselwerking tussen afzonderlijke bomen
van één soort. Er zijn ook reacties tussen natuurrijken.
Een van de mooiste voorbeelden van communicatie tussen soorten is te
vinden waar insecten, zoals bijen, een symbiose aangaan met bloeiende
planten, dienst doen als bestuivers in ruil voor nectar en stuifmeel.
Deze wisselwerking bereikt een hoogtepunt bij de orchideeënfamilie,
die verbazingwekkende bloeivormen en ook een zeer vernuftige wijze van
bestuiving laat zien. Het vrouweschoentje vangt een bij in een holte
en laat die pas na bestuiving door een speciale uitgang weer los. Eén
groep van het geslacht Ophrys bootst wespen en een bepaalde
soort vliegen na als een onschuldige misleiding. De bloemen brengen
een gelijkenis met een vrouwelijk insect voort tegelijk met een onweerstaanbare
geur, die het mannetje aantrekt dat wil paren met de bloem en die haar
zo bestuift. De tijden zijn op elkaar afgestemd zodat de bloemen bloeien
als de mannelijke insecten uitkomen. Zo hebben insecten en planten door
een wederkerig bewustzijn een relatie vervolmaakt die al miljoenen jaren
duurt.
De vormen van planten zijn in de loop van ontzaglijke tijdperken verfijnd,
en hun patroon geeft blijk van een ongewone intelligentie. Om een plant
werkelijk te leren kennen zou men in haar zielenleven moeten kijken,
omdat er grote mysteriën ten grondslag liggen aan de meest gewone
werkingen. De ontkieming van een zaadje is een wonder, want het weet
hoe het zijn wortels diep in de aarde moet sturen en zijn loten omhoog
naar het licht. Achter deze activiteit staat de grote levensadem. ‘In
planten is zij die levens- en intelligente kracht die het zaad bezielt
en het doet uitgroeien tot een grasspriet, of de wortel en de jonge
boom.’*
*H.P. Blavatsky, De Geheime Leer, 1:318.
Zelfs Darwin beschouwde de draadachtige wortels als een soort hersenen
die zich een weg banen en zoeken in de bodem. Dit wijst op een bewustzijn
dat de hele plant doordringt, maar dat is geconcentreerd in haar meest
vitale delen zoals de uitlopers of wortelpunten, bladeren, en vooral
de bloemen.
De grote Bengaalse geleerde, Sir Jagadis Chundra Bose, deed bijna honderd
jaar geleden fascinerende experimenten met planten. Dr. Bose combineerde
fysiologie, natuurkunde en biologie in zijn onderzoek en ontdekte universele
verbanden. Hij bedacht een manier waardoor een plant, door te reageren
op elektrische en andere prikkels, haar handtekening kon ‘schrijven’
op een stuk berookt glas. Hij zag dat de gevoelige mimosa een reflexboog
heeft die lijkt op die van een dier, en een eigen zenuwstelsel dat overeenkomt
met bepaalde cellen. Hij ontdekte ook dat in het schorsweefsel van de
groeilaag planten kloppende hartcellen bezitten die meehelpen het sap
op te pompen door de stengel. Bij zijn vele experimenten bemerkte hij
dat de peen de meest opwindende onder de groenten was en selderij een
van de minste. Bose* citeert het volgende van Henri Bergson:**
. . . hieruit volgt beslis, niet dat hersenen onontbeerlijk
zijn voor bewustzijn . . . Als dan aan de top van de schaal van levende
wezens bewustzijn is verbonden aan zeer gecompliceerde zenuwcentra,
moeten we dan niet aannemen dat het het zenuwstelsel vergezelt in
zijn hele afdaling en dat, wanneer tenslotte de zenuwsubstantie is
opgegaan in de nog ongedifferentieerde levende materie, er nog steeds
bewustzijn is, verspreid, onduidelijk, maar niet tot niets teruggebracht?
Theoretisch zou dus al wat leeft bewustzijn kunnen hebben. In
beginsel gaat bewustzijn samen met leven.
*Zie: Plant Autographs, and Their Relationships,
‘Response of Inorganic Matter’, hfst. 8.
**Mind-Energy, Lectures and Essays, blz. 7-8.
Bose ging zelfs verder met zijn experimenten en toonde ons nieuwe onderlinge
relaties tussen het ‘levende’ en het ‘niet-levende’,
die nog niet ten volle worden erkend, en dat bewustzijn in alle materie
aanwezig is. Zijn experimenten laten in de eerste plaats zien dat het
plantenbewustzijn erg gevoelig is voor andere vormen van elektromagnetische
frequenties of golven, naast die van het zichtbare licht.
In de vroege jaren 50 ontdekte dr. T.C. Singh, hoofdbotanicus van de
Annamalai Universiteit van India, dat de hydrilla, een waterplant, reageerde
op Indiase raga’s, gespeeld op viool, fluit en vina. Verdere experimenten
met verschillende toonhoogten zorgden ervoor dat bepaalde planten een
veel grotere opbrengst opleverden. Over de hele wereld werd dit onderzoek
in de jaren 60 en 70 voortgezet met wisselende resultaten. Planten reageerden
op de meeste vormen van muziek of geluid, op magnetische en elektrische
velden of stromen, die alle de groei onder bepaalde voorwaarden bevorderden.
Men ontdekte dat jazz en klassieke muziek in het algemeen betere resultaten
opleverden dan hardrock, dat een tegengesteld effect had.
Cleve Backster gebruikte een polygraaf (leugendetector) om planten
te testen, waarbij elektroden aan de bladeren werden bevestigd. Door
elektrische impulsen op te nemen, zag hij dat planten bijzonder gevoelig
waren voor zijn gedachten, vooral gedachten die een bedreiging vormden
voor hun welzijn. Backster nam ook een reactie in een plant waar wanneer
ook maar het kleinste celletje in de nabijheid werd gedood. Hij bemerkte
dat ze een vorm van geheugen hebben en reageerden op iemand die eerder
aan een plant in de directe omgeving kwaad had gedaan; uit een rij van
anonieme mensen kon de plant diegene halen die de daad had begaan.
Marcel Vogel, een tijdgenoot, voerde de meeste experimenten van Backster
met succes uit. Hij kwam tot een interessante conclusie: dat er een
levenskracht is, een kosmische energie die levende dingen omgeeft en
die alle natuurrijken bezitten, de mens inbegrepen. Hij zei:
het is deze eenheid die een wederzijdse gevoeligheid
mogelijk maak, die niet alleen plant en mens in staat stelt onderling
te communiceren, maar ook die communicatie via de plant te registreren.
– The Secret Life of Plants,
blz. 24
De natuur is een grote broederschap van wezens, een symbiose op veel
gebieden, waarvan de meeste buiten ons gezichtsveld en ons gewone begrip
vallen. Het plantenrijk is een essentieel deel van de vitaliteit of
het prana van de levende planeet, dat in zijn stofwisseling een ademend,
intelligent orgaan verschaft, dat de atmosfeer vormt en regelt en ook
energie doorgeeft aan de biosfeer. Planten zijn ook een schakel in de
keten van wezens, waarvan ieder rijk of gebied de ander nodig heeft
om te kunnen functioneren en zich te kunnen ontwikkelen.
Planten hebben dus een innerlijk bewustzijn, een drijvende kracht die
hen ertoe brengt de prachtige vormen te scheppen die we om ons heen
zien. Er is een wil en een kosmische drang in hen en een ‘ziel’
of instinct, die waarneembaar is in hun activiteiten. Chundra Bose,
Backster, en anderen toonden aan dat bewustzijn overal in de stof aanwezig
is en niet noodzakelijkerwijs hersenen nodig heeft. Goethe, de grote
Duitse filosoof en dichter, dacht aan een oerplant, het ideale prototype,
dat de bron is van alle variaties in het plantenrijk, zowel in het verleden
als in de toekomst. Hij was er zich van bewust dat uiterlijke vormen
voorbijgaand en onstabiel zijn en dat het universum onophoudelijk zijn
uiterlijk verandert als gevolg van de werking van transcendente spirituele
energieën. Goethe zag dit universele proces als een metamorfose:
dit omvat een heel wezen in ritmische groei, een pulserend bewustzijn
dat schept en vernietigt door veranderingen, zoals een rups verandert
in een vlinder; of zoals de bloem zich ontplooit uit een knop, zich
samentrekt in het vruchtbeginsel, zich weer uitzet tot een vrucht, en
samentrekt in het zaad. Dit is fundamenteel en is in de hele kosmos
te zien, als sterren exploderen tot supernova’s en imploderen
tot zwarte gaten. Dit duidt op het in- en uitademen van heelallen.
Wat is de uiteindelijke kern van intelligent leven? Ruimte? Oneindigheid?
Er zijn onvernietigbare kosmische zaden of kiemen – monaden –
achter de groei van de ziel in het plantenrijk en in alle dingen, en
elk leert door ervaring in opeenvolgende vormen op de ladder van de
evolutie. Als mensen met hetzelfde kosmische potentieel, kunnen we onze
ziel in harmonie brengen met de essentie van de natuur en het geheime
leven van alle wezens leren kennen, met inbegrip van onze broeders,
de planten.