Het heelal lijkt op een reusachtige en ingewikkelde verzameling van
dingen en processen, een eindeloze verscheidenheid van evoluerende levensvormen,
die we waarnemen als afzonderlijke entiteiten en die energieën
tot uitdrukking brengen die hen voortbrachten en voortstuwden. De kringloop
van de planeten en van de zon, van het zonnestelsel rondom een centrum
in de Melkweg, de ontdekking van melkwegstelsels, het nieuwe denkbeeld
van ‘stringen’ van atomaire deeltjes in het klein en ‘kosmische
stringen’ van clusters van melkwegen in het groot, wijzen er echter
alle op dat er slechts één levenskracht aan het werk is
in de hele kenbare ruimte. Men zou die de ‘polsslag’ van
het heelal kunnen noemen. De oude Chinezen noemden deze levenskracht
qi* en zeiden dat qi, omdat het alles heeft ‘geschapen’,
daarin verblijft en het onderhoudt.
*Vroeger gespeld ch’i, uitgesproken als
‘tsjie’, en geboren uit licht, naar men zei.
In het algemeen richt onze aandacht zich op dingen die we als afzonderlijke
objecten zien, los van elkaar, behalve wanneer het denken verbanden
construeert – alsof de ruimte zonder die dingen leeg zou zijn.
Maar we beginnen de wereld en haar schepselen nu te zien als delen van
een heelheid, niet als een heelal waar we uit zouden kunnen
stappen en dat we van buitenaf kunnen waarnemen. We proberen de samenhang
te vinden tussen alle schakels van de keten van wezens.
Dr. P.C.W. Davies verklaart in de tweede uitgave van zijn studie The
Forces of Nature1 (1986):
In het dagelijks leven zien we overal om ons heen
de werking van krachten. De zwaartekracht leidt planeten in hun beweging
en veroorzaakt de getijden van de zeeën. Elektrische krachten
openbaren zich bij onweer. Mechanische krachten drijven onze machines
en ons eigen lichaam aan. Waar we ook om ons heen zien, overal is
de stof onderhevig aan krachten van een of andere aard, voortkomend
uit een veelheid van bronnen . . .
Het is in deze tijd gebruikelijk met de gedachte
te spelen dat alle krachten een gemeenschappelijke oorsprong hebben
in één enkele ‘superkracht’ die zich alleen
bij ultrahoge energieën openbaart. –
blz. 1
We zien inderdaad nergens dat deze krachten met elkaar wedijveren alsof
ze geen verband met elkaar houden. Als we onze aandacht richten op details,
zien we over het hoofd wat ze tot een geheel maakt, zoals het beeld
van een bos vervaagt als we naar de afzonderlijke bomen kijken. Door
het besef dat de bewoners van onze planeet met elkaar zijn verbonden
in een levend geheel, worden we ons ervan bewust dat we verantwoordelijk
zijn voor elkaar en voor het milieu, dat we verbeteren of vernietigen,
waardoor we uiteindelijk alle wezens die daarvan afhankelijk zijn ten
goede of ten kwade beïnvloeden. Buiten de aarde zijn er elektromagnetische
krachten die de planeten met elkaar verbinden terwijl ze zich bewegen
in het krachtveld van de zon. Daarom zijn alle individuele levens binnen
dat veld opgenomen in het veel grotere krachtveld van het melkwegstelsel
en nog verder, en verbonden in een kosmische gemeenschap.
De drang om te bestaan en te groeien werkt door middel van het evolutieproces,
wat wil zeggen het uit een latente toestand tevoorschijn brengen van
potentiële eigenschappen die wachten op de juiste omstandigheden
om zich te manifesteren en objectief te functioneren. Een bloem ontwikkelt
zich van zaad tot knop en opent zich daarna in volle schoonheid van
vorm en kleur, maar de essentie blijft verborgen en ontastbaar. De vormen
van de dingen zijn belichamingen van bewustzijn – de x-factor
die ervaring opdoet door middel van de vormen. We kunnen nooit de volledige
ontwikkeling van een soort nagaan door alleen overblijfselen van het
skelet te bestuderen. Het inwonende leven schept onafgebroken: sterren
worden geboren en verzamelen de moedersubstantie uit de ruimte, die
wacht op de terugkeer van de geestelijke vonken om een reeks van processen
op gang te brengen. S. Bhattacharjee zegt in zijn boek The Hindu
Theory of Cosmology2: ‘De Natuur
kan alles uit zichzelf, maar in het begin moet een of andere macht het
in werking stellen’ (blz. 70). Wat zette de Big Bang in werking?
Een heelal is opgebouwd uit een veelheid van delen en energieën
en werkt als een eenheid, zoals een gebouw afhankelijk is van zijn fundering.
Maar wat is de zin van dit alles? Is ons eigen vertrouwde heelal inderdaad
ontstaan uit niets, uit een vacuüm? Als het vacuüm uit deeltjes
bestond in een toestand van rust, d.w.z. inactief, dan was het niet
een echt vacuüm en zou het niet als niets kunnen worden
aangeduid. Hoe kunnen we zeggen dat natuurwetten, en een orde die het
leven in stand houdt, plotseling zijn ontstaan op het moment dat ons
heelal werd geboren, terwijl er daarvoor geen orde en wetten bestonden,
maar alleen onafhankelijke, onsamenhangende, rustende deeltjes? Wie
of wat begon plotseling een activiteit overeenkomstig tevoren niet-bestaande
‘wetten’ en ‘organisatie’, tenzij die er vanaf
het begin waren en deel uitmaakten van de latere bestanddelen van het
heelal? Kan er een organisatie ontstaan zonder een of andere organisator?
Al kan ons eindig denkvermogen de oneindigheid van de ruimte niet omvatten,
we kunnen wel de logische noodzaak ervan inzien, want als er werkelijk
een begrenzing is, zoals diegenen verzekeren die ruimtelijke oneindigheid
ontkennen, wat is er dan aan de andere kant van de omheining die zij
als grens stellen?
Van alle mogelijke spectra van golflengten en frequenties kennen we
slechts een heel klein deel van het spectrum van de stof. Als we de
mogelijkheid onder ogen zien van het bestaan van andere spectra van
energieën die de ruimte vullen en een onbeperkte verscheidenheid
van potentiële eigenschappen bezitten, dan is het gemakkelijker
om in te zien hoe een bepaald iets of voorval uit een ander spectrum,
een heelal – een zonnestelsel, planeet, of planeetbewoner –
binnen de grenzen van ons eigen stofspectrum tot aanzijn kan brengen.
Voor ons zou het lijken alsof zich iets uit het niets openbaart.
Dr. Edward Harrison, professor in de natuurkunde en de astronomie aan
de Universiteit van Massachusetts, koos voor zijn Masks of the Universe3
als thema ‘dat het heelal waarin we leven, of menen te leven,
voornamelijk een wereld is van eigen makelij. De achterliggende gedachte
berust op het onderscheid tussen Heelal en heelallen.
Het is een eenvoudige gedachte met vergaande consequenties.’
Het Heelal is alles. Wat het in wezen is, los van
onze wisselende opvattingen, zullen we nooit weten. Het Heelal is
alomvattend en omvat ook ons; wij zijn een deel of een aspect van
het Heelal, dat ervaring opdoet en over zichzelf nadenkt . . .
Wat is het Heelal? . . . Het is de oudste vraag,
waarop Socrates op zijn ironische manier antwoordde, ‘Ik weet
niets behalve het feit van mijn onwetendheid.’ Ik kan me geen
beter antwoord voorstellen. – blz. 1
Dr. Harrison geeft de oude Griekse opvatting weer dat het ‘heelal
bestaat uit aarde, lucht, vuur en water’. Hij doet dat zonder
zich er rekenschap van te geven wat de Grieken met deze termen bedoelden;
sommige geleerden voeren aan dat ze veeleer betrekking hebben op de
essentie van deze elementen dan op de vorm die ze op aarde
aannemen. Hij vergelijkt de Griekse opvatting met die van Augustinus:
het heelal is ‘het Woord van God’, en ook met dat van de
moderne wetenschappers: ‘Het is niets meer dan een dans van atomen
en golfbewegingen.’ Prof. Harrison stelt de nadrukkelijke vraag:
‘Wat is het werkelijke Heelal?’ Na de soorten heelallen
te hebben opgesomd waarvan men in vroegere tijden meende dat ze het
heelal waren – vanaf de animistische zienswijze van primitieve
volkeren tot de op een machine lijkende constructie van Newtons fysica
en Einsteins idee van de ruimte – komt hij tot de uiteindelijke
vraag van de onkenbaarheid van een grenzeloos Heelal van kleinere heelallen:
‘Is dit God?’
We denken dat we weten, als we niet beseffen dat
we niet weten. De mogelijkheid van kennis heeft haar wortels in de
grond van ongeleerde onwetendheid, wat een andere manier is om de
derde wet te formuleren*. Uiteindelijk, buiten alle systemen om, bevindt
zich het Heelal in een wolk van onbekendheid. Door liefde kan het
gevat en vastgehouden worden . . . – blz.
278
*De derde wet van de thermodynamica zegt dat de energieën
van het heelal uitgeput raken zoals een horloge of klok afloopt. Deze
wet heeft betrekking op entropie (de beschikbaarheid van energie om
arbeid te verrichten).
Zo hebben dichters, kunstenaars, componisten, zieners en anderen zich
hun ‘heelal’ voorgesteld en, waarschijnlijk zonder het te
weten, hun masker gezet op het gezicht van het Heelal.
Prof. Harrison wijst op een werkelijkheid achter de maskers
van het Heelal. Als wij niet kunnen doordringen achter die maskers,
als gevolg van de beperkingen van ons waarnemings- en denkvermogen,
kunnen we toch door ervaring toegang verkrijgen tot dat wat
die maskers draagt. Sinds onheuglijke tijden is er gezegd dat er gebieden
zijn in onze menselijke natuur die getraind kunnen en moeten worden
als we het innerlijke aspect van het leven en het Zijn willen leren
kennen.
In wetenschappelijke kringen erkent men in toenemende mate de eenheid
van de ruimte. In de eerste week van mei 1984 werd er in het Fermi National
Accelerator Laboratory een conferentie gehouden die werd bijgewoond
door meer dan 200 wetenschappers uit de hele wereld, die gespecialiseerd
waren in de deeltjesfysica en de astrofysica. De onlangs gepubliceerde
verslagen onder de titel: Inner Space/Outer Space: The Interface
between Cosmology and Particle Physics4
bevatten negentig zeer technische toespraken. De conferentie vond haar
oorsprong in het feit dat astrofysici tot de erkenning zijn gekomen
dat recente ontdekkingen en theorieën van kernfysici nieuw licht
werpen op hun eigen onderzoek. ‘Neutronenfysica en astrofysica
zijn duidelijk met elkaar verweven’ (dr. J.D. Bjorken, blz. 615).
Hun onderzoek gaat over wat zich afspeelde in de eerste paar microseconden
volgend op de Big Bang, de oorspronkelijke explosie van ons heelal voordat
het zich uitzette tot wat we nu waarnemen. De uitgevers die de conferentie
organiseerden vragen aan het einde van hun verslag:
Een van de meest belovende benaderingen tot unificatie
van alle krachten schijnt te gaan via extra ruimtelijke dimensies.
Aan een terrein dat nog in zijn kinderschoenen staat, voegt de kosmologie
met extra dimensie nog een raadselachtig, zij het misschien verwant
feit aan onze lijst toe: waarom zijn alle ruimtelijke dimensies, op
drie na, zo klein? De superstring kosmologie opent een doos van Pandora
van nieuwe problemen – vanwaar kwam de geometrie, was er oorspronkelijk
enkelvoudigheid? – blz. 623
De vele dimensies zijn teruggebracht tot tien of negen, en er zijn
onderzoekers die ze hopen te reduceren tot ons vertrouwde drietal.
Recente wetenschappelijke onderzoekingen en hun spectaculaire resultaten
hebben de deur geopend tot een hele reeks nieuwe opvattingen over deeltjes
en subdeeltjes en hun talloze samenstellende delen. Eén wetenschapper
heeft dit alles de microkosmos genoemd, het kleine heelal,
een term die al heel lang werd gebruikt voor de mens. Het kleine weerspiegelt
het grote en het grote het kleine, wat wijst op een universeel plan
of patroon dat van toepassing is op het hele scala van openbaring, vanaf
het nietigste dat we kunnen vinden tot het grootste dat we kunnen waarnemen.
Door alles schijnt beslist een draad-zelf te lopen, een sutratman,
om het Sanskrietwoord te gebruiken, want hoe kan er anders zo’n
uniformiteit bestaan – een algemeen patroon – als dat niet
het geval was?
H.P. Blavatsky zegt dat er in het Oneindige een komen en gaan is van
heelallen, grote en kleine, met al hun samenstellende delen. Het leven
heeft zich overal op verschillende manieren geopenbaard, en als we het
zien als energie, dan is die scheppend en onderhoudend want, zoals ze
het op welsprekende wijze uitdrukt in haar Geheime Leer (1:669):
‘Van goden tot mensen, van werelden tot atomen, van een ster tot
een nachtpitje, van de zon tot de levenswarmte van het meest onbetekenende
organische wezen – is de wereld van vorm en bestaan een enorme
keten, waarvan de schakels alle zijn verbonden.’
Verwijzingen
- P.C.W. Davies, The Forces of Nature, 2de
editie, 1986; blz. 1.
- S. Bhattacharjee, The Hindu Theory of Cosmology,
1978; blz. 70.
- Edward Harrison, Masks of the Universe, 1985;
blz. 1, 278.
- Inner Space/Outer Space: The Interface between
Cosmology and Particle Physics, red. Edward W. Kolb, et al.,
1986; blz. 615, 623.