Als stenen konden spreken
Wim Tholen

 

De lage landen bij de zee, de Nederlanden, zijn van oudsher een knooppunt van handel en verkeer en hebben daardoor in ruime mate deel gehad aan de onstuimige veranderingen die elders in de wereld plaatsvonden. De huidige tijd vormt geen uitzondering. Zij die omstreeks de eeuwwisseling geboren zijn, kijken nu vol trots en bewondering naar de technische vernieuwingen, de sociale en economische verbeteringen en de ruimer geworden spirituele levensopvatting. Maar ze denken tevens met een zeker heimwee terug aan de vrede, de stilte en de rust die over het land lag, over de groene bossen, de goudgele stranden en de paarse heide.

Een van de elf provincies die het Koninkrijk der Nederlanden vormen – feitelijk zijn het er nu twaalf, als we de grote nieuwe polder rond het IJsselmeer, de vroegere Zuiderzee meerekenen – liep niet helemaal mee in deze ontwikkeling: het ‘Olde Landskip Drenthe’. Wat de redenen ook geweest mogen zijn voor deze isolatie, een van de voordelen was dat het tot in de jaren twintig nog steeds zijn oorspronkelijke bossen en zijn uitgestrekte heidevlakten bezat, die zich kilometers ver uitstrekten; ’s winters somber en bruin, maar ’s zomers in de volle pracht van hun paarse bloesemtooi, waarboven duizenden bijen zweefden, die de trillende warme lucht vulden met hun gezoem.

Verspreid over het landschap lagen kleine ongeschonden gehuchten, meestal op hoge grond (plaatselijk de es geheten) aan een van de vele beken die daar stromen. Rondom de brink of dorpsweide, vaak in het midden met lindebomen beplant, stonden de huizen en boerderijen met lage rieten daken, alle uitziend op de brink. De meeste boerderijen hadden hun eigen bijenschuren, waar de kegelvormige bijenkorven stonden. Daar brachten de bijen de hooggewaardeerde, heerlijke heidehoning. Een ander belangrijk onderdeel van deze dorpen was de schaapskooi, een schuur met rieten dak, waarin de kudde schapen de nacht doorbracht. Veel schilders uit die tijd hebben de Drentse hei met de schilderachtige schaapskooien of de herder met zijn wollige kudde tot onderwerp genomen.

En te midden van deze rust en stilte, lagen die monumenten uit een ver verleden, de hunebedden, reusachtige keien, meer dan een meter hoog, dicht naast elkaar geplaatst in een ovaal, smal genoeg om overspannen te kunnen worden door dekstenen. Als men rondzwierf over de eenzame heide, in de tijd toen er nog geen toeristen en auto’s kwamen, was het altijd een unieke belevenis ineens voor zo’n prehistorisch bouwwerk te staan. Stevig verankerd in de grond, de grijze stenen aan de ene zijde bemost en aan de andere zijde naar de zon gekeerd, ademden ze in stilte de geur van lang vervlogen eeuwen en riepen de tijd terug van de oude goden van het Noorse pantheon: Wodan, Donar en de zonnegod Balder. Sommige van deze namen vindt men in de streek terug, zoals de Balloërkuil, gewijd aan Balder, waar men samenkwam voor beraadslagingen en rechtspraak.

Het Nederlandse woord hunebed is afgeleid van het Duitse Hünenbett, reuzengraf, en is in de volksmond verbasterd tot de betekenis Hunnenbed of Hunnengraf. Er bestaat echter geen verband tussen deze grote grafheuvels en de Hunnen, de barbaarse en primitieve volksstammen die Europa in de vijfde eeuw binnenvielen.

De provincie Drenthe, met een oppervlakte van ongeveer 2500 km2, telt binnen haar grenzen meer dan vijftig van deze bouwwerken, waarvan sommige nog geheel, andere slechts gedeeltelijk intact zijn. Er zijn er vroeger veel meer geweest, maar in de loop van de tijd zijn ze vervallen of werden verwoest. In andere landen werd de bevolking er vaak door een bijgelovige angst van weerhouden overblijfselen uit de oudheid te vernietigen, maar de stenen in ons land werden niet door zulke gevoelens beschermd: ze werden in stukken geslagen om de oude zandwegen te verharden of de dijken te versterken in deze lage landen waar niet veel stenen te vinden zijn, en waar ze tot de dag van vandaag nog moeten worden ingevoerd. Toch bestond er meer dan twee eeuwen geleden al van officiële zijde zorg voor hun behoud, zoals blijkt uit een oude waarschuwing, in 1734 uitgevaardigd door schout en schepenen van Drenthe.

Deze monumenten zijn natuurlijk niet beperkt gebleven tot dit ene gebied; er zijn ook overblijfselen gevonden in de aangrenzende provincies Friesland, Groningen en Overijssel. Ze worden tevens in overvloed gevonden in Duitsland en Denemarken; vooral in dit laatste land zijn er duizenden onaangetast overgebleven. In de meeste plaatsen worden ze eveneens ‘reuzengraven’ genoemd. De basisconstructie van deze hunebedden is overal dezelfde, maar hun afmetingen tonen grote verschillen: het aantal dragende of randstenen varieert van 8 tot 16 of meer, die van de dekstenen van 3 tot 7 of meer. Enkele kleine bestaan uit slechts 12 stenen en zijn hoogstens 12 meter lang, andere hebben meer dan veertig van deze stenen en hebben een lengte van over de 25 meter.

Zover bekend, hebben deze graven allemaal ongeveer dezelfde lengterichting. Sommige vertonen sporen die wijzen op een vaste ingang, gericht op de zon, samenvallend met de korte as. De meeste experts geloven dat gewoonlijk een wal van aarde en stenen de hunebedden tenminste een gedeeltelijke bescherming gaven en dat deze ingang de toegang verschafte tot de binnenste ruimte. Soms werd er een kring van kleinere stenen rondom het bouwwerk gevonden. Maar zoals het geval is met al deze megalitische monumenten, is het de grootte van de stenen die de leek in het bijzonder intrigeert. Een van de grootste dekstenen van een hunebed bij Borger in Z.O.-Drenthe weegt bijvoorbeeld naar schatting meer dan 20 ton.

Geconfronteerd met zulke reusachtige prehistorische bouwwerken, kunnen we niet nalaten ons af te vragen – wie waren de bouwers, wanneer leefden ze en waarom richtten ze deze gedenkstenen op?

Opgravingen onder de reuzengraven hebben voorwerpen tevoorschijn gebracht als urnen en aardewerkscherven. Van deze kunstvoorwerpen kan de ouderdom heel nauwkeurig worden bepaald en ze blijken af te stammen van de zogenaamde trechterbekercultuur van 2700 v.Chr. Het landbouw bedrijvende trechterbekervolk (zo genoemd naar de karakteristieke vorm van hun aardewerk) bevolkte een uitgestrekt gebied, en sporen van hun aanwezigheid zijn gevonden van Zuid-Zweden tot Oostenrijk, van Polen tot Groot-Brittannië. De meeste archeologen nemen op het ogenblik aan dat zij de bouwers waren van deze cyclopische bouwwerken – de enorme cirkels, cairns, cromlechs, menhirs en dolmens – die in bijna alle hoeken van de Oude en Nieuwe Wereld worden gevonden, zowel als in Centraal-Azië, India, Arabië en Australië. De meest bekende hiervan in Europa zijn waarschijnlijk Stonehenge in Engeland en de indrukwekkende rijen menhirs van Carnac in Frankrijk.

De theorie die hun oorsprong verbindt met de trechterbekercultuur laat echter te veel vragen onbeantwoord. Niets in onze schaarse kennis over deze mensen (behalve het feit dat zij er eens waren) geeft ons enige reden om te geloven dat ze ook de middelen en de mogelijkheid bezaten om deze enorme gewichten op te tillen. Daarom verdient de veronderstelling dat de monumenten van een veel oudere datum zouden zijn en de latere bewoners van deze gebieden ze gebruikten om hun doden te begraven of er de as van hun overledenen in weg te zetten, zeker ernstige overweging.

Bijna alle Drentse hunebedden liggen langs een smalle heuvelrug, die van de Z.O.-punt van de provincie naar het noordwesten loopt. Deze rij lage heuvels, de Hondsrug genaamd, was volgens de geologen al droog land aan het eind van de tertiaire periode in het Plioceen, meer dan een miljoen jaar geleden, toen de rest van het omringende land nog onder de golven lag; en het bestond dus reeds voordat in het quartaire tijdvak de continentale ijsvlakte vanuit Scandinavië kwam afzakken en de morene van aarde, stenen, porfier en kwarts achterliet, tezamen met het leem en zand waaruit de bodem in deze streek bestaat.

De archeologen zijn, hoewel met tegenzin, gaan denken aan de mogelijkheid van een bestaan van hogere beschavingspeilen in het verre verleden, en het tijdstip waarop de mens op aarde verscheen steeds verder terug gaan schuiven. Het was een moeizame strijd en dit zal het nog wel een tijdje voortduren. Jarenlang werden bijvoorbeeld de wereldberoemde grottekeningen in Frankrijk en Spanje afgedaan als een grap; nu neemt men aan dat ze in ongeveer 30.000 v.Chr. werden geschilderd. Van de bouwers van Stonehenge, die lang als een primitief en barbaars volk werden beschouwd, werd onlangs aangetoond dat ze een zeer grondige kennis van de astronomie hadden. Wereldkaarten, in het begin van de zestiende eeuw samengesteld door Piri Re’is, de Turkse admiraal, waren gebaseerd op oude en gedetailleerde kennis omtrent de vorm die de landmassa’s en de oceanen tussen 15.000 en 20.000 jaar geleden hadden. En laten we de vondst van dr. Leaky in Afrika niet vergeten! Er bestaat werkelijk geen twijfel meer aan het feit dat de mens al zeer lang bestaat en dat er in verschillende delen van de wereld prehistorische grote beschavingen hebben bestaan. We worden wel gedwongen de dogmatische opvatting van de rechtstreekse ontwikkeling van de mens van een toestand van aapachtige primitiviteit naar een hogere beschaving te laten varen; er zijn in zijn evolutionaire reis talloze ups en downs en vele evenwijdig lopende wegen. Plotselinge klimatologische veranderingen, ontzaglijke bewegingen in de aardkorst, zondvloeden – de mens maakte ze allemaal mee.

Tot zelfs enkele tientallen jaren geleden was de weg die de mens afgelegd heeft tot in het nabije verleden, gehuld in de mist van onze bijna volledige onwetendheid en werd daarom niet van belang geacht. Nu eindelijk beseft men het bestaan van een lange en slingerende weg, die de mensheid waarschijnlijk enkele malen grootse uitzichten heeft geboden vanaf verheven hoogten.

Het is daarom bijzonder interessant de ideeën te lezen en te overdenken die zijn uiteengezet in De Geheime Leer, een omvangrijk werk van H.P. Blavatsky en uitgegeven in 1888. Een verbluffend aantal van de stellingen die zij vermeldt als zijnde deel van de oude traditie van de mensheid, zijn sindsdien bevestigd door wetenschappelijke ontdekkingen op velerlei gebied.

Met betrekking tot ‘deze vreemde en vaak kolossale monumenten van ruwe stenen’, schrijft zij in deel 2:

En toch zijn er verslagen die aantonen dat Egyptische priesters – ingewijden – over land in noordwestelijke richting reisden, via wat later de Straat van Gibraltar werd; toen naar het noorden gingen en door de toekomstige Fenicische nederzettingen in Zuid-Gallië trokken; vervolgens nog verder naar het noorden gingen tot ze Carnac (Morbihan) bereikten. Daarna wendden ze zich weer naar het westen en bereikten, terwijl ze nog steeds over land reisden, het noordwestelijke voorgebergte van het Nieuwe Continent [de Britse Eilanden].

Wat was het doel van hun lange reis? En hoever terug moeten we de datum van dergelijke bezoeken plaatsen? De archaïsche verslagen delen mee dat de ingewijden . . . zich van het ene land naar het andere begaven met het doel toezicht te houden op de bouw van menhirs en dolmens, van kolossale Dierenriemen in steen, en begraafplaatsen die moesten dienen om de as van toekomstige geslachten te ontvangen. . . . Het feit dat zij over land van Frankrijk naar Groot-Brittannië overstaken, kan ons enig idee geven van de tijd waarin een dergelijke reis op het vaste land kon worden volbracht. . . .    – blz. 853-4

Al die bouwwerken waren echter niet als graven bedoeld.    – blz. 857

We mogen hieraan toevoegen dat de verbinding over land tussen Groot-Brittannië en het vasteland verbroken werd door de smeltende gletsjers van de ijstijd en de daardoor ontstane stijging van het water.

Hoe oud zijn de hunebedden? Natuurlijk beweren we niet het antwoord op deze vraag te weten, maar we zouden willen stellen dat hun leeftijd aanzienlijk hoger is dan algemeen wordt aangenomen. Meer dan ooit tevoren moeten we onze geest openstellen voor de schitterende kansen die ons geboden worden door de groeiende kennis, en niet toegeven aan de verleiding alleen dat te accepteren wat past in onze bestaande gedachtepatronen. De mogelijkheid dat er andere menselijke rassen bestaan hebben, veel langer geleden dan we wel zouden willen toegeven, met hun eigen cultuur en hun eigen tradities – ja, met zelfs grotere lichamelijke afmetingen – kan niet lichtvaardig worden voorbijgelopen. De stille ontzagwekkende stenen bouwwerken proberen ons iets te vertellen en we zouden beter doen er eens naar te luisteren.

 
Oude culturen/beschavingen
 

Uit het tijdschrift Sunrise jan/feb 1988

© 1989 Theosophical University Press Agency