Licht aan onze schaduwen
Igwe C. Amakulo

 

De mens bevindt zich altijd in een reeks van schaduwen en deze reeks strekt zich aan beide zijden uit tot in het oneindige. Vanuit onze christoskern volgen de zich omhoog uitstrekkende schaduwen elkaar op totdat de keten verdwijnt in het kosmische universum, dat op zijn beurt opgaat in de eindeloze diepte. Het neerwaartse deel van de keten strekt zich ook uit tot in het oneindige. Wat het eerst na ons komt, is onze eigen schaduw. We kunnen enkele van de schakels in de keten zien, te beginnen met die van onszelf, maar miljarden schaduwen verdwijnen in het kosmische heelal, dat zelf opgaat in dezelfde schoot van de natuur.

We beseffen nauwelijks dat we hem volgen, wiens schaduw we zijn, zoals onze eigen schaduw ons volgt. Zoals onze innerlijke vonk, de stille stem in ons, ons altijd wenkt om ons tot hem als gids te wenden, zo zullen wij de naastvolgende in de reeks wenken om zich tot ons als beschermer te wenden. Het is jammer dat bij velen nooit de gedachte opkomt dat wij individueel de spirituele moeders zijn van een menigte zwakke lichtcentra onder ons in onze individuele keten van kosmisch leven. Het brandpunt waarin onze neerwaarts gerichte karmische straal daarmee samenvalt, schept een centrum van leven. Het is de schaduw van het levensatoom, dat we altijd dichtbij ons fysieke lichaam zien, de tempel van ons innerlijke zelf. Het feit dat onze daden op dit gebied andere levensatomen beïnvloeden, vooral die welke uit ons karma zijn voortgekomen, is des te meer reden om heel voorzichtig te zijn in ons leven.

Zolang de mens ongevoelig blijft en verstikt door hartstocht, terwijl hij zijn weg gaat in dat deel van dit heelal dat uit dromen, waanvoorstellingen en egoïsme bestaat, kan hij zich niet losmaken van de schaduw-illusie van waaruit de keten van individuele schaduwen tot aanzijn komt. Ik vraag me nog steeds af hoe de beschermer van ons ras het ondergaat als hij ziet hoe de mens op jacht is naar goddelijke gaven, daar waar engelen schromen te gaan. Haast kan er alleen toe leiden dat de last die lichter is geworden door de leringen van de wijzen, voor ons te zwaar wordt om te tillen, laat staan mee te dragen. Niemand kan zelfs maar één sport van de ladder van ervaring overslaan, in feite moet iedereen zich met geduld reinigen in het water van het leven vóór hij het verdient om goddelijke gunsten te vragen.

We moeten niet vergeten dat iedere daad een gevolg teweegbrengt. De wandaden, die zo ver weg liggen dat we ze ons niet herinneren, zijn in werkelijkheid niet zo verdwenen dat ze ons nooit achterhalen. De Heren van Karma, met nauwgezetheid en ijver en gevoel voor richting, laten nooit een goede daad onbeloond of een kwade onvereffend. Deze wet maakt het met wiskundige precisie voor ieder mens mogelijk de gevolgen van zijn vroegere daden zo uit zijn karmische magazijn te lichten, dat niemand wordt overladen met de oogst van zijn vroegere levens. Karma bedriegt niemand, en laat ons alleen oogsten wat we zaaien.

Er is een Nigeriaans spreekwoord dat zegt, ‘Schulden vergaan niet’ – ze drogen op en wachten op de schuldenaar. Zo vergaat of verdwijnt ook ons karma uit het verleden niet, maar het rijpt en wacht op de zaaier. Het oogsten kan vrijwillig gebeuren of onder druk van de wet van karma als men probeert het te ontlopen.

Terwijl mijn schaduw mij volgt, alsof ze me een boodschap overbrengt van die zeer zwakke lichtatomen die ik heb geschapen, kijk ik naar hen met mededogen. Hoe meer ik dat doe, hoe meer ik voel voor die levenscentra; als wij vergiffenis en liefde verschuldigd zijn aan iemand die ons kwaad heeft gedaan, wat zijn we dan niet schuldig aan een levensatoom, een centrum van zwak licht dat we tot leven riepen?

Er is mij geen ander middel bekend waarmee ik deze schepping van mijzelf kan helpen dan door me aan de gulden leefregels te houden. Die regels leiden tot esoterische discipline van onze samengestelde aard, door esoterische discipline zal het geheim van zelfkennis worden onthuld, zelfkennis verschaft ons de sleutel tot vergeving van onszelf, waarmee we iets toevoegen aan de schaal van positief karma. Door zo te handelen zal de last van onze negatieve schepping, waarvan de schaduw ons volgt zoals de wagen de os, zeker heel wat lichter worden. Het schijnt natuurlijk te zijn dat de mens die de tweeslachtige aard van het geopenbaarde goddelijke weerspiegelt, omlaag neigende lichtcentra schept. Maar omdat ons de weg, de waarheid en het leven zijn getoond, ligt tegelijk de hoop voor die zwakke lichtcentra in onze handen: hen te helpen helderder en helderder te branden, totdat zij opnieuw één worden met de moedervlam.

 

Uit het tijdschrift Sunrise jan/feb 1988

© 1989 Theosophical University Press Agency