De mens bevindt zich altijd in een reeks van schaduwen en deze reeks
strekt zich aan beide zijden uit tot in het oneindige. Vanuit onze christoskern
volgen de zich omhoog uitstrekkende schaduwen elkaar op totdat de keten
verdwijnt in het kosmische universum, dat op zijn beurt opgaat in de
eindeloze diepte. Het neerwaartse deel van de keten strekt zich ook
uit tot in het oneindige. Wat het eerst na ons komt, is onze eigen schaduw.
We kunnen enkele van de schakels in de keten zien, te beginnen met die
van onszelf, maar miljarden schaduwen verdwijnen in het kosmische heelal,
dat zelf opgaat in dezelfde schoot van de natuur.
We beseffen nauwelijks dat we hem volgen, wiens schaduw we zijn, zoals
onze eigen schaduw ons volgt. Zoals onze innerlijke vonk, de stille
stem in ons, ons altijd wenkt om ons tot hem als gids te wenden, zo
zullen wij de naastvolgende in de reeks wenken om zich tot ons als beschermer
te wenden. Het is jammer dat bij velen nooit de gedachte opkomt dat
wij individueel de spirituele moeders zijn van een menigte zwakke lichtcentra
onder ons in onze individuele keten van kosmisch leven. Het brandpunt
waarin onze neerwaarts gerichte karmische straal daarmee samenvalt,
schept een centrum van leven. Het is de schaduw van het levensatoom,
dat we altijd dichtbij ons fysieke lichaam zien, de tempel van ons innerlijke
zelf. Het feit dat onze daden op dit gebied andere levensatomen beïnvloeden,
vooral die welke uit ons karma zijn voortgekomen, is des te meer reden
om heel voorzichtig te zijn in ons leven.
Zolang de mens ongevoelig blijft en verstikt door hartstocht, terwijl
hij zijn weg gaat in dat deel van dit heelal dat uit dromen, waanvoorstellingen
en egoïsme bestaat, kan hij zich niet losmaken van de schaduw-illusie
van waaruit de keten van individuele schaduwen tot aanzijn komt. Ik
vraag me nog steeds af hoe de beschermer van ons ras het ondergaat als
hij ziet hoe de mens op jacht is naar goddelijke gaven, daar waar engelen
schromen te gaan. Haast kan er alleen toe leiden dat de last die lichter
is geworden door de leringen van de wijzen, voor ons te zwaar wordt
om te tillen, laat staan mee te dragen. Niemand kan zelfs maar één
sport van de ladder van ervaring overslaan, in feite moet iedereen zich
met geduld reinigen in het water van het leven vóór hij
het verdient om goddelijke gunsten te vragen.
We moeten niet vergeten dat iedere daad een gevolg teweegbrengt. De
wandaden, die zo ver weg liggen dat we ze ons niet herinneren, zijn
in werkelijkheid niet zo verdwenen dat ze ons nooit achterhalen. De
Heren van Karma, met nauwgezetheid en ijver en gevoel voor richting,
laten nooit een goede daad onbeloond of een kwade onvereffend. Deze
wet maakt het met wiskundige precisie voor ieder mens mogelijk de gevolgen
van zijn vroegere daden zo uit zijn karmische magazijn te lichten, dat
niemand wordt overladen met de oogst van zijn vroegere levens. Karma
bedriegt niemand, en laat ons alleen oogsten wat we zaaien.
Er is een Nigeriaans spreekwoord dat zegt, ‘Schulden vergaan
niet’ – ze drogen op en wachten op de schuldenaar. Zo vergaat
of verdwijnt ook ons karma uit het verleden niet, maar het rijpt en
wacht op de zaaier. Het oogsten kan vrijwillig gebeuren of onder druk
van de wet van karma als men probeert het te ontlopen.
Terwijl mijn schaduw mij volgt, alsof ze me een boodschap overbrengt
van die zeer zwakke lichtatomen die ik heb geschapen, kijk ik naar hen
met mededogen. Hoe meer ik dat doe, hoe meer ik voel voor die levenscentra;
als wij vergiffenis en liefde verschuldigd zijn aan iemand die ons kwaad
heeft gedaan, wat zijn we dan niet schuldig aan een levensatoom, een
centrum van zwak licht dat we tot leven riepen?
Er is mij geen ander middel bekend waarmee ik deze schepping van mijzelf
kan helpen dan door me aan de gulden leefregels te houden. Die regels
leiden tot esoterische discipline van onze samengestelde aard, door
esoterische discipline zal het geheim van zelfkennis worden onthuld,
zelfkennis verschaft ons de sleutel tot vergeving van onszelf, waarmee
we iets toevoegen aan de schaal van positief karma. Door zo te handelen
zal de last van onze negatieve schepping, waarvan de schaduw ons volgt
zoals de wagen de os, zeker heel wat lichter worden. Het schijnt natuurlijk
te zijn dat de mens die de tweeslachtige aard van het geopenbaarde goddelijke
weerspiegelt, omlaag neigende lichtcentra schept. Maar omdat ons de
weg, de waarheid en het leven zijn getoond, ligt tegelijk de hoop voor
die zwakke lichtcentra in onze handen: hen te helpen helderder en helderder
te branden, totdat zij opnieuw één worden met de moedervlam.