[In 1936 werd onder de auspiciën van de Medical
Review of Reviews de Encyclopaedia Sexualis gepubliceerd
met als ondertitel ‘A Comprehensive Encyclopaedia-Dictionary
of the Sexual Sciences’ (Een uitgebreid encyclopedisch woordenboek
over seksuologie). Hoofdredacteur was Victor Robinson, M.D., professor
in de geschiedenis van de geneeskunde, aan de Temple University School
of Medicine, Philadelphia. Tot de ruim honderd vooraanstaande medewerkers
behoorden de Nobelprijswinnaar Thomas Hunt Morgan, F.R. Lillie, president
van de National Academy of Sciences, en Gottfried de Purucker, leider
van de internationale Theosophical Society (toen in Point Loma en
nu in Pasadena, Californië).
In zijn uitnodigingsbrief aan dr. De Purucker gaf
dr. Robinson de volgende toelichting: ‘Hoewel er vanzelfsprekend
veel aandacht wordt geschonken aan de medische en biologische aspecten,
krijgen ook de psychologische, filosofische, theologische, wettelijke
en literaire aspecten voldoende aandacht.’ Het doet ons genoegen
onze lezers te laten kennisnemen van de bijdrage van dr. De Purucker.
– Red.]
Zaken die verband houden met seksualiteit en het misbruik van de zogenaamde
voortplantingsfunctie hebben in de wereld van vandaag een volkomen onverdiende
aandacht of bekendheid gekregen, eenvoudig omdat alle filosofische kennis
over dit onderwerp in onze tijd hoofdzakelijk berust op medische experimenten
en de wankele basis die bepaalde takken van de huidige psychologie verschaffen.
Het lijkt niet overdreven te zeggen dat er geen echt seksueel probleem
bestaat in zoverre het de natuur zelf betreft en de normale wijze waarop
ze functioneert met betrekking tot de mens, maar dat de problemen –
en die schijnen in onze moderne wereld maar al te talrijk te zijn –
geheel voortvloeien, zoals hierboven gesuggereerd, uit het feit dat
het moderne westen niet meer gelooft in de regulerende voorschriften
van zijn vroegere godsdienst; en omdat het geen algemeen aanvaarde levensfilosofie
bezit, zijn er vanzelfsprekend ook geen factoren van filosofische aard
die beheersend of remmend werken.
De moderne mens beschouwt de seksuele functie, of beter gezegd de voortplantingsdaad,
slechts terloops als een zaak die voor de mensheid van belang is –
dat wil zeggen, voor de voortplanting van de menselijke soort –
en bijna geheel als een middel tot zinnelijk genot zo niet regelrechte
wellust.
In de religie-filosofie van de oude wijsheid, die in deze tijd theosofie
wordt genoemd, wordt de huidige verdeling van de mensheid in twee geslachten
gezien als een stadium in haar evolutionaire groei, om het in enkele
woorden te zeggen. De mensheid werd niet als man en vrouw geschapen,
maar was in het begin van haar geschiedenis aseksueel of, als men die
term verkiest, geslachtloos; pas in de loop van de langzame ontwikkelingsgang
van de menselijke kenmerken die ons allen nu zo vertrouwd zijn, ging
de geslachtloze toestand geleidelijk over in tweeslachtigheid, die na
vele miljoenen jaren op haar beurt plaatsmaakte voor een ontwikkeling
die leidde tot de toestand van twee geslachten, die nu al zo’n
zes of zeven miljoen jaar de overhand heeft.
Volgens de esoterische filosofie vindt er van binnen naar buiten een
langzame en geleidelijke evolutionaire ontvouwing plaats van de mensheid,
vanaf het eerste verschijnen op deze aardbol van de menselijke prototypen
als parthenogenetische wezens die hun soort op maagdelijke wijze voortbrachten
via – in een veel latere geologische periode – de tweeslachtige
of beter gezegd androgyne toestand, die na vele miljoenen jaren weer
langzaam overging in de toestand dat er mannen en vrouwen kwamen van
tegengesteld geslacht, een toestand zoals we die nu kennen en die, zoals
gezegd, al miljoenen jaren bestaat.
Voor een opmerkzame bioloog is slechts een vluchtige blik nodig in
de wereld van de verschillende wezens van de lagere orden, klassen en
soorten die nu op aarde bestaan, om te zien dat zelfs onder deze vroege,
zij het op specifieke wijze geëvolueerde vormen, parthenogenesis
en tweeslachtigheid voorkomen, ook nu nog, evengoed als de geslachtelijke
wijze van voortplanting van soorten. Zowel in het planten- als het dierenrijk
vindt men nog steeds deze oorspronkelijke vormen van voortplanting,
die nu als overblijfselen bestaan, en het is merkwaardig dat in elk
rijk – d.w.z. in beide rijken – voorbeelden te vinden zijn
van de drie voortplantingsmethoden; in elk rijk is de geslachtelijke
de hoogste, daarna volgt op een iets lager niveau en waarschijnlijk
voor een geringer aantal de tweeslachtige en tenslotte de maagdelijke
of parthenogenetische.
Er bestaan in de mens zelf nog steeds zowel zoölogische als fysiologische
overblijfselen of resten, zoals de onvolmaakt ontwikkelde borstklieren
bij de man en ook de eveneens onvolmaakt ontwikkelde baarmoeder; omgekeerd
geldt hetzelfde voor de vrouw. Men heeft te weinig belang gehecht aan
het voortbestaan van deze hardnekkige onvolmaakt ontwikkelde rudimentaire
organen, en als ze ons iets te zeggen hebben, is het dat ze met enige
nadruk wijzen op een vroegere toestand, de androgyne toestand, toen
de mensheid tweeslachtig of biseksueel was.
Men moet bedenken dat de ware mens niet zijn fysieke lichaam is, want
dat is niet meer dan het voertuig of het grove stoffelijke omhulsel
waarin de werkelijke mens werkt en door middel waarvan hij zich manifesteert.
Het moet voor iedereen die nadenkt duidelijk zijn dat de ware mens niet
bestaat uit benen of armen, huid of haar, beenderen of weefsels, maar
uit (a) een denkvermogen, (b) een fijn uitgebalanceerd emotioneel gestel
dat gewoonlijk de psychische natuur wordt genoemd, en (c) de verheven
spirituele en hoog ethische instincten, die alle tezamen de ware mens
vormen. Met andere woorden, de mens is niet slechts een bezielde ‘robot’,
maar een denkend, zelfbewust, moreel gewetensvol en voelend wezen.
Uit het voorafgaande moet men echter niet de verkeerde conclusie trekken
dat de theosofische leer berust op de filosofische gedachte van dichotomie,
die voor het eerst door René Descartes formeel in het Europese
filosofische en wetenschappelijke denken werd geïntroduceerd, namelijk
dat de ‘ziel’ één ding is en dat het lichaam
waarin ze zich manifesteert of leeft, iets anders is, ervan gescheiden,
en van een andere essentiële geaardheid dan het inwonende bewustzijn.
De esoterische filosofie, of de theosofie, is geheel tegengesteld daaraan
en leert dat het fysieke lichaam van de mens slechts de uitdrukking
is in de stoffelijke wereld van de karakteristieke en duidelijk omschreven
innerlijke krachten of energieën waarop hierboven werd gedoeld
en die de werkelijke mens vormen. Het is deze werkelijke mens –
dat innerlijke en onzichtbare wezen dat bestaat uit gedachten, gevoelens
en bewustzijn – die door de eeuwen heen evolueert door uit zijn
innerlijk de latente krachten, eigenschappen, vermogens en kenmerken
te ontwikkelen, die het aan het spirituele deel van de meest essentiële
natuur van de mens ontleent, ongeveer zoals de stralen die uit de zon
stromen hun bestaan en kenmerken ontlenen aan het hart van de zon. Met
andere woorden, de mens is niet afgescheiden van het heelal waarin hij,
zoals Paulus van de christenen het zei, leeft, zich beweegt en zijn
bestaan heeft, maar is een essentieel en onlosmakelijk deel van de kosmische
bron waaraan hij alles ontleent wat hij is.
Uitgaande van dit belangrijke filosofische feit, dat tegenwoordig zo
harmonieert en overeenstemt met de uitspraken van de meest vooraanstaande
mensen van de moderne wetenschap, zoals Eddington, Jeans, Planck, Bohr,
Einstein, en anderen – namelijk dat de essentiële ‘stof’
of het fundamentele iets in het heelal ‘denkvermogen’ of
‘bewustzijn’ is – wordt direct duidelijk wat de reden
is van de in de vorige alinea gedane uitspraak. Men beseft dat, omdat
de essentie van de mens het aan het heelal ontleende ‘denkvermogen’
of ‘bewustzijn’ is, de mens in zijn hele wezen in essentiële
en fundamentele zin bewustzijn of denken is, zowel in de hierboven vermelde
onzichtbare element-beginselen als in hun zeer gedeeltelijke manifestatie
als zijn lichaam in de stoffelijke, fysieke wereld. Zoals een plant
in de lente vanuit zichzelf de kenmerken van haar innerlijke leven naar
buiten brengt, dat zich openbaart in het groen of de bladeren, in bloemen,
knoppen en vruchten, of zoals het ontkiemende ei vanuit zijn eigen substantie
het wezen tevoorschijn brengt, of het nu een kuiken is of een mens,
dat later het evoluerende wezen in deze fysieke wereld moet worden –
steeds van binnen naar buiten – zo is ook de mens het onzichtbare,
ware wezen, en is zijn lichaam slechts de stoffelijke uitdrukking ervan
op het fysieke gebied.
De evolutie werkt dus van binnen naar buiten, en het is de innerlijke
of werkelijke mens die evolueert; zijn lichaam brengt in de loop van
de elkaar cyclisch opvolgende eeuwen, zonder daarvoor verantwoordelijk
te zijn en als het ware automatisch, in de fysieke wereld ten dele de
innerlijk zich ontvouwende of evoluerende eigenschappen en krachten
tot uitdrukking. Zo was de mens eens geslachtloos omdat zijn innerlijke
en gedeeltelijk ontplooide kenmerken bij wijze van spreken geslachtloos
waren; in een daaropvolgend geologisch tijdperk was hij tweeslachtig
of beter gezegd androgyn, omdat de innerlijke of werkelijke mens dat
aspect van zijn latente eigenschappen had ontwikkeld; en in een nog
later tijdperk deed het geslacht in zijn huidige, tegengestelde vormen
zijn intrede in het menselijk lichaam, als de evolutionaire uitdrukking
op het fysieke gebied van het in twee takken verdeelde lagere psychische
gestel van de innerlijke of ware mens.
Zoals hierboven gezegd, is seksualiteit een voorbijgaand evolutionair
stadium, een stadium in de ontplooiing van innerlijke kenmerken, waar
de mensheid in zijn huidige evolutionaire ontwikkeling doorheen gaat,
maar dat op zijn beurt in toekomstige tijdperken zal worden gevolgd
door een toestand die nu nog nauwelijks kan worden omschreven.
De conclusie uit deze filosofische en wetenschappelijke stelling is
dat seksualiteit per se, los van meningen die mensen daarover kunnen
hebben, een volmaakt natuurlijk, normaal en zelfs noodzakelijk stadium
of noodzakelijke stap is in de evolutionaire groei van de mensheid.
Daarom is seksualiteit op zichzelf niet verkeerd, en ook is het niet
een noodzakelijk teken van een ontaarde toestand.
Seksualiteit is een feit in de evolutie. Op zichzelf is ze noch slecht,
noch onnatuurlijk, en ze is ook niet tot stand gekomen doordat de twee
vermeende verre voorouders van de mensheid van een verboden appel aten.
Alle problemen die met seksualiteit verband houden, ontstaan daarom
niet uit de seksualiteit zelf of uit de seksuele functie, maar uitsluitend
uit het misbruik ervan en dat wil zeggen dat men ervan gebruikmaakt
op een manier die in strijd is met een zuivere en onbezoedelde voortgang
van dit natuurproces, waarvan het enige juiste doel de voortplanting
van de mensheid is.
Alle seksuele ‘problemen’ ontstaan dan ook, zoals zojuist
is aangetoond, uit het misbruik van een volmaakt natuurlijke functie,
die op zichzelf onschuldig is en noodzakelijk voor de voortzetting van
de menselijke soort. Een dergelijk misbruik is bijna overal het gevolg
van onwetendheid – onwetendheid wat de natuurwetten betreft, en
die bijzondere en misschien ernstigste soort van onwetendheid die ontstaat
omdat men niet goed nadenkt. Zoals eerder gezegd, hebben in onze moderne
tijd godsdienstige voorschriften hun greep op mannen en vrouwen voor
een groot deel verloren met betrekking tot deze functie, die volkomen
natuurlijk en goed is wanneer ze niet wordt misbruikt en uitsluitend
wordt gebruikt voor het doel waarvoor de natuur haar heeft bestemd;
en ook zijn de zogenaamde problemen – het is niet nodig een blad
voor de mond te nemen – hoofdzakelijk ontstaan als gevolg van
de volslagen onjuiste, want op een vergissing berustende, leer en de
daaruit voortvloeiende onjuiste conclusies van een of twee vroegere
generaties van wetenschappers die, omdat ze volkomen materialistisch
waren ingesteld, geloofden en onderwezen dat de mens zijn lichaam was
en meer niet.
Als een mens wordt geleerd dat hij niet meer is dan een iets verder
geëvolueerd dier, een hogere soort aap, en dat als hij sterft daarmee
het absolute einde is bereikt van hemzelf en alles wat hij vertegenwoordigde,
dan zegt hij natuurlijk tegen zichzelf: ‘Waarom zou ik niet genieten
van het leven zolang ik er ben? Waarom zou ik niet iedere functie die
de natuur mij heeft gegeven gebruiken op een manier die voor de emoties
en hartstochten het aangenaamst is?’ Dan is er geen sprake van
remmingen van morele aard, van een verhelderend spiritueel inzicht;
er is geen sprake van een filosofie die voor een respectabel mens een
steun kan zijn, met als gevolg dat het nu in de wereld gebruikelijk
is de seksuele functie te zien als iets schandelijks, of anderzijds
als iets dat niet uitsluitend overeenkomstig de natuurwet moet worden
gebruikt, maar als een middel tot sensuele bevrediging.
Volgens het standpunt van de theosofie, de esoterische filosofie of
de oude wijsheid uit alle tijden en van alle mensenrassen, is de seksuele
functie de manier waarop de natuur zorgt voor de voortzetting van de
mensheid en daarom is dat en alleen dat het enige toelaatbare gebruik.
Al het andere is evenzeer misbruik en heeft daarom de neiging ziekten
te veroorzaken, psychische en fysieke, evenals in andere gevallen waarbij
misbruik wordt gemaakt van een of andere lichamelijke functie. Als iemand
zoveel drinkt dat hij daardoor sterft, of door te veel eten ziek wordt,
of als een man zich als vrouwenjager tot een dwaas maakt, begrijpt iedereen
dat de ongelukkige die deze regels van de natuur met betrekking tot
gezondheid en voortplanting op immorele wijze misbruikt, het slachtoffer
is van onwetendheid of onnadenkendheid.
De zogenaamde seksuele problemen komen dus niet voort uit een ingeboren
verdorvenheid van de mensheid, maar uitsluitend uit onwetendheid en
omdat men de oude leer, die zo eenvoudig en begrijpelijk is, heeft vergeten.
Elk misbruik van het lichaam veroorzaakt overeenkomstige degeneratieziekten,
of in de minst ernstige gevallen aftakeling en vroegtijdige seniliteit.
Het is goed hier duidelijk te verklaren dat er in het lichaam zo’n
verbazingwekkend en prachtig evenwicht heerst, dat misbruik van een
van zijn functies disharmonie in de structuur van het lichaam teweegbrengt,
of maakt dat alle andere organen van het menselijk lichaam minder volmaakt
reageren.
De seksualiteit dient in het huidige fysieke voertuig van de mens twee
doeleinden: (a) het eerste en belangrijkste is de voortzetting van de
menselijke familie; (b) het tweede is de versterking en opbouw van het
menselijk lichaam als geheel en van alle weefsels en organen in het
bijzonder, doordat de seksuele levensessenties daarin worden vastgehouden.
De zogenaamde seksuele problemen, die mannen en vrouwen in deze tijd
zo kwellen en benauwen, ontstaan in feite in de kinderjaren. De ouders
zelf zijn jammerlijk onwetend omtrent de eenvoudigste feiten van hun
eigen fysieke lichaam. Vertel een kind zodra het in staat is woorden
te begrijpen op een eerlijke en gepaste manier iets over de aard van
de geslachtsorganen en hun juiste functie, leer het dat elk misbruik
van de seksuele functies vroeg of laat degeneratieverschijnselen tot
gevolg heeft, niet alleen wat de algemene gezondheid betreft, maar ook
ten aanzien van alle organen van het lichaam, waaronder die van geslachtelijke
aard, en het kind zal leren niet alleen respect te hebben voor de functie,
maar ook voor zichzelf als een intelligent lid van de mensheid.
Het is in deze tijd van nerveuze spanningen en morele slapheid misschien
te veel om te verwachten dat de seksuele functie uitsluitend zal worden
gebruikt waarvoor de natuur haar heeft ontwikkeld, daarom zal deze functie
mogelijkerwijs nog eeuwenlang, zelfs in het huwelijk, worden misbruikt
voor louter zinnelijke bevrediging, maar als normale mannen en vrouwen
eenmaal goed begrijpen dat elk gebruik van deze functie consequenties
heeft, en dat misbruik rampzalige gevolgen met zich meebrengt die tot
degeneratie leiden, dan zullen het gewone gezonde verstand en de instincten
tot zelfbescherming en zelfbehoud na verloop van tijd in toenemende
mate hun invloed in deze menselijke relaties doen gelden.
Er zou op zijn minst ontzaglijk veel goeds in de wereld kunnen worden
gedaan en er zou heel wat menselijke ellende kunnen worden voorkomen
op vele gebieden van de samenleving, en waarschijnlijk zouden enkele
van de meest afschuwelijke ziekten die de medische wetenschap kent,
kunnen worden uitgeroeid, als de mens eenmaal de eenvoudige feiten in
de natuur, die in het voorgaande zijn geschetst of aangeduid, zou begrijpen
en tot zijn verbeelding zou laten spreken.
Het is overigens dom te menen dat de mensheid, waarvan de leden zo
duidelijk onlosmakelijke en essentiële delen van de natuur zelf
zijn, zich in haar daden of gedachten van de natuur kan afscheiden.
Als deze oude waarheid eenmaal wordt begrepen, zal men inzien dat veel
ziekten en in ieder geval bepaalde vormen van krankzinnigheid, en de
door onnadenkendheid veroorzaakte en daarom alom verspreide seksuele
immoraliteit in de wereld, grotendeels het gevolg zijn van het feit
dat men niet inziet hoe noodzakelijk het is om de ernstige waarschuwingen
van de natuur wat het gebruik van de geslachtelijke functie betreft
in acht te nemen.
Het betekent dit: de voortplantingsdaad wordt niet uitsluitend teweeggebracht
door de vereniging van twee wezens van tegengesteld geslacht; dat is
slechts het fysieke mechanisme. De conceptie en de daaruit voortvloeiende
groei van het embryo zijn in hoge mate afhankelijk van kosmische en
meteorologische factoren, waarover de moderne wetenschap helaas in al
haar vertakkingen in Egyptische duisternis verkeert. Maar met de verbazingwekkende
snelle vorderingen die bij wetenschappelijke experimenten en onderzoekingen
op het ogenblik worden gemaakt, mag men in ernst hopen dat deze volslagen
duisternis al snel zal worden verlicht door enkele stralen van een grotere
kennis van de wetten, energieën en substanties van de natuur die
met elkaar zijn verweven en op elkaar inwerken.
Laat ik meer in detail treden. Als men het beste wenst voor de gezondheid
van het toekomstige kind, zou geslachtsgemeenschap nooit moeten plaatsvinden
tijdens de twee weken tussen volle maan en nieuwe maan. Ook zou de voortplantingsdaad
nooit moeten plaatsvinden als de toekomstige moeder er niet toe genegen
is of zich fysiologisch in een niet-ontvankelijke toestand bevindt;
met andere woorden men dient rekening te houden met de menstruatieperioden.
Bovendien zou het, gezien de cyclische, zich jaarlijks voordoende toename
van de voortbrengende krachten van de natuur, uitermate verstandig zijn
iedere voortplantingsdaad te doen plaatsvinden in de vroege lente, als
de krachten van de natuur zich na de winterslaap ontplooien, de planten
beginnen uit te botten en alle leven de nieuwe opkomende impuls van
de levensstroom voelt. Dat was in de oudheid zo algemeen bekend dat
de maand die samenvalt met het laatste deel van januari en het begin
van februari bij de Attische Grieken Gamelion werd genoemd, van het
Griekse woord gameo, huwen, en Gamelion was toen de gebruikelijke maand
voor het huwelijk. Men kan zich afvragen: Waarom?
Samenvattend kunnen we zeggen dat de remedie voor alle zogenaamde seksuele
problemen onderricht is, te beginnen met kleine kinderen, over de aard
van de seksualiteit en haar functie en het juiste gebruik daarvan, in
tegenstelling tot het misbruik ervan en de daaruit voortvloeiende straf,
die onvermijdelijk volgt op het schenden van de natuurwetten. Het enige
echte ‘seksuele probleem’ dat de schrijver kent, is het
merkwaardige mengsel van menselijke onwetendheid over de natuurwetten
en het daaruit voortvloeiende misbruik ervan.
Hierin ligt het ware en het enige werkelijke probleem dat de schrijver
ziet, omdat het de fundamentele oorzaak is van alle maatschappelijke
ellende, van de immorele toestanden, en van de algemene en harteloze
onverschilligheid voor het meelijwekkende schouwspel dat de overvolle
psychiatrische inrichtingen en overbelaste ziekenhuizen bieden –
het probleem is, zoals gezegd, onwetendheid en domheid. Verbeter dat
door juist onderricht over de eenvoudige feiten van het menselijk lichaam
en de straffen voor het misbruik van de natuurwetten, en negenennegentig
procent van de zogenaamde ‘seksuele problemen’ zal al snel
verdwijnen.
Dan blijft er nog één relatief klein ‘probleem’
over dat de mens zal moeten aanpakken, en dat is het al genoemde probleem
van het toegeven in het huwelijk aan wederzijdse of gezamenlijke begeerten
ten nadele van de gezondheid. Ook dit laatste misbruik van een van de
belangrijke en onschuldige functies van de natuur zal voor een groot
deel verdwijnen wanneer men zich in toenemende mate bewust wordt van
de gevaren die dit misbruik met zich meebrengt.