In het verre verleden, in het Oosten, streken eens twee nachtegalen
neer op een tak van een hoge boom. In plaats van de lucht te vervullen
van onvergelijkelijke muziek, brachten ze de tijd door met elkaar te
vertellen over de wonderlijke dingen, die ze met hun gezang hadden kunnen
volbrengen. De een zei: ‘Ik heb een groot dichter geïnspireerd
tot het schrijven van een onsterfelijk epos van het Ware, het Schone
en het Goede.’
De andere zei: ‘Mijn gezang heeft het hart van een wanhopige,
verlaten jongeling, die op het punt stond zich van een hoge rots te
werpen, genezen toen hij de kalmerende warmte van mijn melodie hoorde.’
De eerste nachtegaal antwoordde: ‘Het is veel belangrijker eraan
mee te helpen dat de wereld een onsterfelijk literair werk ontvangt
dan het leven van een verliefde jongeling te redden.’
‘Nee – dat is niet zo’, zei de andere. ‘Zelfs
het genezen van slechts één ziel en het verzachten van
groot verdriet en ontgoocheling, en het geven van moed om verder te
leven, is een veel edeler werk.’
Zo zou het hebben kunnen doorgaan. Maar plotseling bemerkten ze dat
een majestueuze vogel met gouden veren op een tak vlak boven hen was
neergestreken. Hij keek voortdurend op hen neer met vriendelijke, verwijtende
ogen. De twee nachtegalen herkenden de gouden vogel als een boodschapper
van de Heer van Liefde.
Toen sprak de gouden vogel met een klank van oneindige tederheid: ‘Heb
je vergeten dat je niet werd geschapen om in onenigheid te kwetteren,
maar om in harmonie een lied van troost voor de ziel van de mens te
zingen? Kijk eens naar beneden.’
De twee nachtegalen keken omlaag waar ze twee mannen zagen, naakt tot
het middel die in hevige strijd met elkaar waren verwikkeld.
‘Die twee stervelingen’, verklaarde de gouden vogel, ‘zijn
rijke kooplieden, handelaars in edelstenen, die elkaar op reis naar
Damascus onderweg ontmoetten. De ene is een Arabier, de andere een Egyptenaar.
Trots op hun geboorteland en hun schitterende edelstenen, pochten ze
over de superioriteit van hun volk en juwelen – zelfs over de
paarden waarop ze reden. In de hitte van hun woordenstrijd daagden ze
elkaar uit om te zien wie van de twee de beste was. De paarden zijn
aan gindse boom gebonden. Hun kostbare robijnen en parels zijn in leren
zakken aan hun zadels gebonden. Als deze mannen niet tot bezinning komen,
zullen ze niet alleen zichzelf groot letsel bezorgen, maar zullen ze
ook hun paarden en juwelen verliezen, want struikrovers hebben de paarden
gezien en komen snel naderbij.’
Hun geschil vergetende, begonnen de nachtegalen te zingen en ze legden
in hun gezang alle schoonheid van hemelse melodieën.
De mannen staakten hun strijd. Terwijl ze elkaar met verwondering aanzagen,
keken ze omhoog naar de takken van de boom en luisterden. Hun ogen verloren
ieder spoor van boosheid en werden vriendelijk. Ze stonden elkaar aan
te staren alsof ze uit een boze droom waren ontwaakt. Plotseling richtten
beiden zich op bij het zien van een groep van vijf rovers die zich naar
de paarden begaven, die aan de boom waren gebonden. Met een uitdagende
kreet snelden de twee kooplieden eensgezind de rovers tegemoet. Ze vochten
hevig, rug aan rug, met zulk een moed dat ze erin slaagden de troep
uiteen te jagen. De twee kooplieden sloegen de armen om elkaar heen.
‘Je bent een dapper man,’ zei de Arabier tegen de Egyptenaar.
‘Ik breng nederig hulde aan het land van je geboorte, omdat het
de wereld zulke dappere zonen schenkt.’
‘Ik ben niet dapperder dan jij,’ antwoordde de Egyptenaar.
‘En ik eer je vaderland, Arabië, omdat het zulke moedige
en edele zielen voortbrengt.’
Hoog boven in de takken staakten de twee nachtegalen tenslotte hun
melodieuze samenzang. ‘Nog nooit heb ik zulk een bewonderenswaardig
gezang gehoord als jij zojuist voortbracht,’ zei de een tot de
ander. ‘Het was niet half zo bewonderenswaardig als de schoonheid
van je eigen zang,’ antwoordde de andere.