De nachtegalen
Mark Halpern

 

In het verre verleden, in het Oosten, streken eens twee nachtegalen neer op een tak van een hoge boom. In plaats van de lucht te vervullen van onvergelijkelijke muziek, brachten ze de tijd door met elkaar te vertellen over de wonderlijke dingen, die ze met hun gezang hadden kunnen volbrengen. De een zei: ‘Ik heb een groot dichter geïnspireerd tot het schrijven van een onsterfelijk epos van het Ware, het Schone en het Goede.’

De andere zei: ‘Mijn gezang heeft het hart van een wanhopige, verlaten jongeling, die op het punt stond zich van een hoge rots te werpen, genezen toen hij de kalmerende warmte van mijn melodie hoorde.’

De eerste nachtegaal antwoordde: ‘Het is veel belangrijker eraan mee te helpen dat de wereld een onsterfelijk literair werk ontvangt dan het leven van een verliefde jongeling te redden.’

‘Nee – dat is niet zo’, zei de andere. ‘Zelfs het genezen van slechts één ziel en het verzachten van groot verdriet en ontgoocheling, en het geven van moed om verder te leven, is een veel edeler werk.’

Zo zou het hebben kunnen doorgaan. Maar plotseling bemerkten ze dat een majestueuze vogel met gouden veren op een tak vlak boven hen was neergestreken. Hij keek voortdurend op hen neer met vriendelijke, verwijtende ogen. De twee nachtegalen herkenden de gouden vogel als een boodschapper van de Heer van Liefde.

Toen sprak de gouden vogel met een klank van oneindige tederheid: ‘Heb je vergeten dat je niet werd geschapen om in onenigheid te kwetteren, maar om in harmonie een lied van troost voor de ziel van de mens te zingen? Kijk eens naar beneden.’

De twee nachtegalen keken omlaag waar ze twee mannen zagen, naakt tot het middel die in hevige strijd met elkaar waren verwikkeld.

‘Die twee stervelingen’, verklaarde de gouden vogel, ‘zijn rijke kooplieden, handelaars in edelstenen, die elkaar op reis naar Damascus onderweg ontmoetten. De ene is een Arabier, de andere een Egyptenaar. Trots op hun geboorteland en hun schitterende edelstenen, pochten ze over de superioriteit van hun volk en juwelen – zelfs over de paarden waarop ze reden. In de hitte van hun woordenstrijd daagden ze elkaar uit om te zien wie van de twee de beste was. De paarden zijn aan gindse boom gebonden. Hun kostbare robijnen en parels zijn in leren zakken aan hun zadels gebonden. Als deze mannen niet tot bezinning komen, zullen ze niet alleen zichzelf groot letsel bezorgen, maar zullen ze ook hun paarden en juwelen verliezen, want struikrovers hebben de paarden gezien en komen snel naderbij.’

Hun geschil vergetende, begonnen de nachtegalen te zingen en ze legden in hun gezang alle schoonheid van hemelse melodieën.

De mannen staakten hun strijd. Terwijl ze elkaar met verwondering aanzagen, keken ze omhoog naar de takken van de boom en luisterden. Hun ogen verloren ieder spoor van boosheid en werden vriendelijk. Ze stonden elkaar aan te staren alsof ze uit een boze droom waren ontwaakt. Plotseling richtten beiden zich op bij het zien van een groep van vijf rovers die zich naar de paarden begaven, die aan de boom waren gebonden. Met een uitdagende kreet snelden de twee kooplieden eensgezind de rovers tegemoet. Ze vochten hevig, rug aan rug, met zulk een moed dat ze erin slaagden de troep uiteen te jagen. De twee kooplieden sloegen de armen om elkaar heen.

‘Je bent een dapper man,’ zei de Arabier tegen de Egyptenaar. ‘Ik breng nederig hulde aan het land van je geboorte, omdat het de wereld zulke dappere zonen schenkt.’

‘Ik ben niet dapperder dan jij,’ antwoordde de Egyptenaar. ‘En ik eer je vaderland, Arabië, omdat het zulke moedige en edele zielen voortbrengt.’

Hoog boven in de takken staakten de twee nachtegalen tenslotte hun melodieuze samenzang. ‘Nog nooit heb ik zulk een bewonderenswaardig gezang gehoord als jij zojuist voortbracht,’ zei de een tot de ander. ‘Het was niet half zo bewonderenswaardig als de schoonheid van je eigen zang,’ antwoordde de andere.

 

Uit het tijdschrift Sunrise jul/aug 1988

© 1988 Theosophical University Press Agency