Een nieuwe kijk op bewustzijn
Roger Sperry

 

[Het is voor de redactie Sunrise een genoegen u het volgende artikel te kunnen aanbieden dat is gebaseerd op een interview met dr. Roger Sperry, professor in de psycho-biologie, emeritus, lid van de Raad van Beheer aan het California Institute of Technology, en pionier in het hersenonderzoek. De conclusies waartoe dr. Sperry kwam in zijn onderzoek van de beide hersenhelften brachten hem de Nobelprijs voor geneeskunde/fysiologie in 1981. Daarvoor, in 1960, werd door zijn theorie dat het bewustzijn in de hersenprocessen oorzakelijk is en daarop inwerkt, de lang aanvaarde leer over het verstand en de hersenen weerlegd en gaf ze aanleiding tot de bewustzijnsrevolutie in de wetenschap in de jaren zeventig. Hij houdt zich nu voornamelijk bezig met de verreikende wetenschappelijke, sociale en ethische consequenties van deze ontwikkelingen. Een meer gedetailleerde bespreking vindt men in een recent boek van dr. Sperry: Science and Moral Priority, Merging Mind, Brain, and Human Values, 1983.

Het interview werd in het maandblad van het Instituut On Campus (4:2) van oktober 1987 weergegeven door Heidi Aspaturian, mede-redacteur van dit blad, en wordt hier met toestemming overgenomen. – Red.]


 

Toen ik als hersenonderzoeker begon, aanvaardde ik eenvoudig de strikt objectieve beginselen van de gedragspsychologie. In de jaren vijftig en in het begin van de jaren zestig dachten alle respectabele neurologen op die manier. In die dagen zouden we het niet gewaagd hebben te veronderstellen dat bewustzijn of subjectieve ervaringen stoffelijke hersenprocessen kunnen beïnvloeden.

Mijn eerste breuk met deze denkwijze – al zag ik het toen zeker niet zo – kwam in 1952 in een discussie over de hersen-verstand theorie waarin ik een fundamenteel nieuwe kijk op het bewustzijn naar voren bracht. Daarin gaf ik als mijn zienswijze te kennen dat als wij bewust onze aandacht richten op een voorwerp – en ons daarvan bijvoorbeeld een gedachtebeeld vormen – dit niet wordt veroorzaakt doordat het hersenpatroon een kopie of neurale voorstelling is van het waargenomen voorwerp, maar omdat de hersenen een speciaal soort wisselwerking ervaren met dat voorwerp, wat de hersenen voorbereidt zich ermee bezig te houden.

Ik beweerde dat als het om eenzelfde gevoel of gedachte gaat bij twee verschillende gelegenheden, daarbij niet per se elke keer dezelfde hersencellen betrokken zijn. Het is integendeel zo dat het om de inwerking van het neurale activiteitspatroon als geheel gaat, en die hangt af van de samenhang – zoals het woord ‘bank’ verschillende dingen kan betekenen, afhankelijk van de rest van de zin.

Van grote invloed op mijn denken waren de geschriften over evolutieverschijnselen van de bioloog Lloyd Morgan, geschreven in de jaren twintig. Het kernpunt van deze stelling is dat wanneer delen samenkomen tot een nieuw geheel, dit nieuwe geheel kenmerken vertoont – verschijnende eigenschappen – die in de regel niet uit de delen kunnen worden afgeleid, en niet geheel uit de delen kunnen worden verklaard. Bewustzijn en andere subjectieve eigenschappen, zoals ideeën, gevoelens, waarden, en emoties, die we met het ‘denkvermogen’ associëren, kunnen in dit verband worden gezien als verschijnende eigenschappen van de stoffelijke hersenen. Men zou ook kunnen zeggen – en dat was een nieuwe stap – dat ze een feitelijke functionele rol spelen in de hersenwerkingen.

In de jaren vijftig, toen ik voornamelijk in beslag werd genomen door onderzoek op experimenteel niveau, kwam ik niet tot die laatste conclusie; maar in de jaren zestig veranderde dit. Omdat ik voor twee lezingen waarvoor ik was gevraagd mijn bevindingen moest opschrijven, werd ik gedwongen het hele vraagstuk van ‘verstand-hersenen’ opnieuw te overdenken. Vanuit een experimenteel standpunt spitste het probleem zich toe toen we ontdekten, dat zodra men de verbinding tussen de linker- en de rechter hersenhelft verbrak door chirurgisch de bundel draden die ze verbinden door te snijden, er bepaalde experimentele omstandigheden waren waarin onze proefpersonen twee van elkaar onafhankelijke bewustzijnen onder één enkele schedel bleken te bezitten. Elke kant van de chirurgisch gescheiden hersenen had kennelijk een eigen denkvermogen dat geen deel had aan de ervaringen van de andere hersenhelft.

Welnu, hoe werkte dat – betekende het dat men met een mes een tweede bewustzijn kan scheppen of de aanwezigheid ervan kan blootleggen? Het scheen mij toe dat het verschijnen van nieuwe eigenschappen een betere oplossing bood. Wanneer de hersenen een geheel vormen, betekent het verenigde bewustzijn van de linker- en rechterhersenhelft samen meer dan de individuele eigenschappen van de afzonderlijke hersenhelften. Deze onderzoekingen brachten dus het probleem van het bewustzijn op nieuwe wijze naar voren. Wat we zagen was, kort gezegd, het optredende verschijnsel van controle – controle van boven naar omlaag – ten aanzien van de hersenfunctie. Ik maakte dit duidelijk door te zeggen dat volgens deze opvatting het denkvermogen de bestuurderszetel in de hersenen inneemt en bevel voert over de stof.

De traditionele opvatting van de wetenschap is dat de gezamenlijke eigenschappen van de moleculen, of de fundamentele eenheden van het systeem waarvan sprake is, voldoende zijn om alle werkingen van het systeem te verklaren. Maar deze standaard benadering laat een zeer belangrijke bijkomende factor buiten beschouwing, en dat is de vraag van de werking in ruimte en tijd – het patroon of de vorm ervan. De samenstellende delen van elk systeem zijn op verschillende manieren met elkaar verbonden, en vooral op de hogere niveaus worden deze mogelijke verbanden niet geheel verklaard door de stoffelijke wetten van de elementaire wisselwerkingen tussen atomen en moleculen. Op een bepaald punt beginnen de hogere eigenschappen van het geheel de leiding over te nemen en het lot van zijn samenstellende delen te beheersen.

Een eenvoudige manier om dit idee toe te lichten, is zich een molecule voor te stellen in een vliegtuig dat van Los Angeles naar New York vliegt. De molecule kan wat heen en weer worden geschud of op zijn plaats worden gehouden door haar buren, maar deze werkingen op lager niveau zijn te verwaarlozen vergeleken met haar beweging veroorzaakt door de vlucht van het vliegtuig dwars over het continent. Als men de beweging van de molecule nagaat in tijd en ruimte, dan zijn de kenmerken die worden beheerst door de hogere eigenschappen van het vliegtuig als geheel zo, dat daarbij vergeleken de kenmerken op het niveau van de molecule onbetekenend zijn. De hogere eigenschappen beheersen de lagere, niet door rechtstreeks ingrijpen, maar door iets toe te voegen.

Deze nieuwe opvatting over bewustzijn heb ik voor het eerst uiteengezet in een openbare lezing aan de universiteit van Chicago in 1965, en die sloeg geweldig aan. Datzelfde jaar probeerde ik bijna precies dezelfde lezing uit in een Watson-college in Caltech, en toen maakte het weinig indruk. Zo nu en dan hoorde ik dat men zich erover verbaast dat dit soort van denken – dat vaak wordt geïnterpreteerd als het binnenhalen van de filosofie in de wetenschap – uitgerekend in Caltech de kop opsteekt.

Ik bleef echter in de volgende jaren deze opvattingen verkondigen in voordrachten en lezingen aan de National Academy of Science en in de neurologie en de psychologie. Omstreeks 1975 was de psychologie tot het inzicht gekomen dat mentale toestanden oorzakelijk zijn – dat wil zeggen, dat ze een actieve rol spelen in de hersenfunctie.

Die accentverschuiving betekende ook dat deze argumenten niet langer alleen mijn persoonlijke filosofie weerspiegelden, maar de werkbasis waren geworden van een hele wetenschappelijke discipline – een die zich specialiseert in het onderzoek van het denkvermogen en gedragingen.

Na de ernstige kritiek die ik in het begin had ontvangen in de wetenschappelijke wereld, betekende deze ommezwaai in de psychologie voor mij een zeer welkome geruststelling. Op dit punt gekomen, moest ik beslissen of ik zou doorgaan voorrang te verlenen aan het onderzoek van de gescheiden hersenhelften of de prioriteit zou verleggen naar de nieuwe opvattingen over het bewustzijn. Beide projecten zouden me volledig opeisen, en ik heb een zeer eensporig denkvermogen dat volledige concentratie nodig heeft. Ik vroeg me af welk onderwerp het belangrijkste is: of mentale toestanden meer behoren bij de linker- of bij de rechterhersenhelft, of dat ze oorzakelijk zijn in de hersenfunctie. Na het voor en tegen te hebben afgewogen, stelde ik vast dat het linker/rechter hersenhelft werk goed op gang was en dat het belangrijker zou zijn om het zwaartepunt van mijn aandacht te verleggen naar het bewustzijn.

Het vraagstuk van verstand en hersenen is veel dwingender. Het heeft grote consequenties voor de mens en de wetenschap. Ik voorzag veranderingen in onze kijk op de wereld, in onze geloofsopvatting en in sociale waarden. Met het oog op de zich verslechterende omstandigheden in de wereld en op onze toekomst die gevaar loopt, leek dit werk mij veel belangrijker dan het vinden van een hersen-theorie die mensen in staat stelt sneller te leren, beter te tekenen, betere medische diagnoses te stellen, enzovoort.

We beginnen op een pijnlijke manier te leren dat de huidige noden van de wereld niet verholpen worden door meer en meer wetenschap en technologie. Technische oplossingen, zonder beheersing van de wereldbevolking, doen op den duur het probleem alleen maar groter worden. Wat nodig is om de vicieuze cirkel te doorbreken, is een wereldwijde verandering van instelling, van waarden, en sociale politiek. Einstein zei het zo: ‘We hebben een wezenlijk nieuwe manier van denken nodig wil de mensheid overleven.’

In dit opzicht heeft de nieuwe zienswijze veelbelovende kenmerken. In plaats van te volharden in de traditionele scheiding van wetenschap en waarden, stelt de kennis-theorie dat beide samenkomen in de hersenfunctie. Als het juist is te zeggen dat onze bewuste mentale waarden niet alleen voortkomen uit de hersenprocessen maar deze ook beïnvloeden, dan wordt het mogelijk op een wetenschappelijke in plaats van bovennatuurlijke wijze de stoffelijke wereld te integreren. Het was altijd de traditionele rol van de religie om voorrang te verlenen aan de betekenis van onze hogere waarden in deze wereld door een oppermacht aan te roepen. In de kennisleer is het de wetenschap die de krachtige beheersende rol van hogere waarden erkent, en ze kan dat doen op controleerbare gronden – dat wil zeggen, door te toetsen aan de werkelijkheid zoals die werkelijk is.

Onder deze nieuwe voorwaarden handhaaft de wetenschap niet langer een waardenvrij bestaan waarin alles, het menselijk denkvermogen inbegrepen, geheel wordt aangedreven door strikt fysieke krachten van de meest elementaire aard. Op de oude vraag ‘Wat laat de wetenschap over om in te geloven?’, krijgen we een in hoge mate herzien antwoord, dat ons een ander beeld geeft van de wetenschap en het soort waarheid dat die wetenschap voorstaat. Deze nieuwe visie voert tot realistische, concrete waarden die een sterke morele basis verschaffen voor het milieubewustzijn en de bevolkingscontrole en voor een beleid dat de zich op lange termijn ontwikkelende biosfeer beschermt.

Op een ander terrein overbrugt de kennisleer de afgrond tussen wat de schrijver C.P. Snow de ‘twee culturen’ heeft genoemd – de steeds groter wordende kloof tussen het wereldbeeld van de fysicus en die van de bestudeerder van de menswetenschappen. De filosoof W.T. Jones van Caltech heeft dit de crisis van de hedendaagse cultuur genoemd.

Ik denk eigenlijk dat de tijd zal leren dat de nieuwe benadering, die de nadruk legt op een komend ‘macro’ beheer, voor elke tak van de natuurwetenschappen geldt, en dat de gedrags- en kennis- disciplines de weg zullen wijzen naar een deugdelijker patroon voor de hele wetenschap. Hoewel de theoretische veranderingen van weinig belang zijn voor de fysica, chemie, moleculaire biologie, enzovoort, zijn ze van beslissende betekenis voor de gedrags-, sociale-, en menswetenschappen. Ze veranderen niet de analytische, reductieve methodologie, maar wel de interpretaties en conclusies. Er lijkt weinig te verliezen en veel te winnen.

 
Wetenschap: biologie
 

Uit het tijdschrift Sunrise mei/jun 1988

© 1988 Theosophical University Press Agency