Als we ergens de vrije natuur ingaan, krijgen we een gevoel van rust
en vrede; we ervaren dat we een deel zijn van iets groots en verhevens
dat er altijd is geweest en er altijd zal zijn – een band van
onszelf met de levende aarde. In 1979 publiceerde J.E. Lovelock Gaia,
A New Look at Life on Earth* (Gaia: een nieuwe visie op de
aarde): een korte schets van de wetenschappelijke filosofie en
theorie, verweven met zijn eigen levensopvattingen. Dit boek is een
verdere ontwikkeling van The Gaia Hypothesis dat hij samen
schreef met Lynn Margulis (1973). Gaia, het Griekse woord voor
moeder aarde, maakt deel uit van een ingewikkelde mythologie over de
krachten die vorm geven aan de planeten en ons heelal.
*Oxford University Press, A Galaxy Book, 157 blz.
Lovelock begon zich nieuwe vragen te stellen over het leven van de
aarde toen hij en Dian Hitchcock assisteerden in een onderzoekprogramma
naar leven op Mars in de Jet Propulsion Laboratoria (JPL). Ze gebruikten
onze planeet en haar atmosferische samenstelling als een model om haar
ongewone eigenschappen die wijzen op een ‘manipulatie’ van
het leven. Helaas waren er geen tekenen van leven op Mars – althans
zoals wij dit op aarde kennen. Mars werd afgedaan als een dode planeet.
Gaia was echter een fascinerend onderwerp. Geïnspireerd door het
beeld van de aarde dat astronauten hebben, ‘onze azuur-groene
planeet in al haar schoonheid als aardbol’, en de stimulerende
werking van het Mars onderzoek, besloot Lovelock ‘een nieuwe opvatting
te formuleren, of misschien een heel oude te doen herleven, van de relatie
tussen de aarde en haar biosfeer’ (blz. 8).
Het onderzoek van Gaia begint met de grondtheorie die het best door
de schrijver kan worden samengevat:
Het resultaat van deze meer doelgerichte benadering
was de ontwikkeling van de hypothese dat het hele terrein van levende
stof op aarde, van walvissen tot virussen, en van eiken tot algen,
zou kunnen worden gezien als een enkel levend wezen dat in staat is
de atmosfeer van de aarde zo te manipuleren dat ze aan al zijn behoeften
tegemoet komt, en dat over vermogens en krachten beschikt die ver
uitgaan boven die van zijn samenstellende delen. –
blz. 9
De eerste hoofdstukken behandelen de oorsprong van Gaia en de chemische
samenstelling van de atmosfeer en de oceanen; en in de laatste drie
hoofdstukken overdenkt de schrijver de menselijke activiteiten en die
ontastbare aspecten van het bewustzijn die op de mens en Gaia betrekking
hebben. Als hij zorgvuldig het bewijsmateriaal en tegenstrijdigheden
tegen elkaar afweegt, zijn de vragen talrijker dan de antwoorden. Men
voelt achter Lovelocks wetenschappelijke opzet zijn diepe verbondenheid
met de aarde als een levend wezen.
Wetenschappers aanvaarden de Gaia-hypothese niet zo gemakkelijk, gedeeltelijk
omdat ze zo ontzaglijk ingewikkeld is en gedeeltelijk omdat ze met de
gangbare methoden niet schijnt te kunnen worden geverifieerd. Gelukkig
worden gebrekkige theorieën onvermijdelijk vervangen. De Gaia-opvatting
was haar tijd vooruit, maar nu wordt ze door belangrijke ontdekkingen
gesteund, hoewel men nog steeds geneigd is veel aspecten van de werking
van Gaia in twijfel te trekken. Sommige uitspraken in het boek zijn
tegenstrijdig en onvolledig; andere zijn relevant en helpen ons bij
de poging een beter en meer omvattend begrip te krijgen van de planeet.
Ook over de vraag wat leven is, is een eerlijk onderzoek gaande. Wat
Lovelock ter overweging aanbiedt, is een dringend noodzakelijke alomvattende
theorie van de aarde, die de inbreng van de belangrijkste wetenschappelijke
disciplines noodzakelijk maakt. Gecoördineerde inspanningen in
de wetenschap en ook in de maatschappij zijn een dringende noodzaak
want er dreigen al heel wat gevaren, zoals wereldwijde vervuiling, vernietiging
van het natuurlijke leefmilieu en uitroeiing van de soorten.
We moeten blijven streven naar een beter begrip van onze planetaire
onderlinge afhankelijkheid en deze filosofie in ons dagelijks leven
toepassen. Ook als op een meer mechanische basis, wetenschappers de
cybernetica* en andere middelen toepassen om te ontdekken wat onze onderlinge
betrekkingen zijn, gaat het om een holistische zienswijze. Het wordt
meer en meer duidelijk dat Gaia gebruik maakt van enorme terugkoppelingssystemen
met een ‘besturende hand’.
*Een studerichting die zich ‘bezighoudt met automatische
regelings- en communicatie-mechanismen in levende organismen en machines’.
De schrijver voert ons terug naar de tijd van de geboorte van de planeet.
We zijn nog steeds op reis in het onbekende waar veel te ontdekken valt,
maar de astronomie maakt het mogelijk ons een beeld te vormen van het
begin van de planeet die ontstond uit kolkende stellaire gassen. De
jonge aarde was toen heel anders, en had mogelijk meer weg van enkele
van de buitenplaneten zoals Saturnus en Jupiter. Er was waterstof, een
grondelement dat bij het begin van sterren en planeten altijd aanwezig
is en dat helpt bij de vorming van water (H2O) en organische
samenstellingen.
Er is maar weinig bekend over het leven dat meer dan 3-4 miljard jaar
geleden bestond. De oudste fossielen – primitieve voorlopers van
blauwgroene algen en bacteriën die men in oude gesteenten aantreft
– tonen aan dat het leven al snel verschillende vormen aannam
en zich over de hele wereld verspreidde. Het zich ontwikkelende leven
kan heel goed blootgesteld zijn geweest aan hogere atomaire stralingen,
kosmische, ultraviolette, en aan andere invloeden, en Lovelock oppert
de gedachte dat de ‘ontbindende kracht’ van deze straling
ertoe bijdroeg het experimentele proces van ontwikkeling voor Gaia te
bespoedigen. Dit is duidelijk een zwak punt. Het gaat in de natuur niet
om experimenteren; ze moest doelbewust de weg gaan naar een grotere
vervolmaking. Kan er tegelijk sprake zijn van wet en orde, en van blinde
toevallige activiteiten? Het mysterie ligt in de vraag wat leven is.
Als het leven vanaf het begin intelligentie bezit, dan kan zich een
proces van leren en verbeteren voltrekken door middel van ervaring.
Dat moet met Gaia het geval zijn geweest.
Ongetwijfeld onderging het beginnende leven ingrijpende veranderingen
en doorstond het belangrijke catastrofale gebeurtenissen. Intussen ontwikkelden
zich door evolutie ingewikkelder vormen. Lovelock merkt op dat een toename
van het zuurstofpeil, tengevolge van primitieve planten en aërobische
bacteriën, drastische veranderingen kan hebben veroorzaakt. Er
zijn ook aanwijzingen dat zich al in een vroeg stadium in belangrijke
mate oxidatie heeft voorgedaan van samengestelde stoffen door bacterie-achtige
organismen, die bijdroeg tot de verandering van de scheikundige samenstelling
van de aarde. Ondanks de vele chemische omzettingen en ernstige klimatologische
veranderingen, kon Gaia zich op de een of andere wijze handhaven. En
wat deed haar door alles heen standhouden? Hij stelt dat alle activiteiten
van Gaia, zonder een van het begin af aan ingebouwd plan – een
leidinggevende kracht uit een levende intelligente bron – gevaar
zouden hebben gelopen. Levende systemen worden op intelligente en efficiënte
wijze ontworpen en verzetten zich tegen schijnbare chaos en entropie*.
Een zwak punt in Lovelocks omschrijvingen van leven betreft de toevallige
werkingen van de elementen – zee, wind en aarde bijvoorbeeld –
die los zouden staan van, maar wel beïnvloed worden door Gaia.
Kunnen we in het licht van de vele mysteries die hier liggen, alles
wat tot deze zogenaamde ‘niet-levende’ anorganische wereld
behoort ook niet als levend beschouwen en als rechtstreeks behorend
bij Gaia?
*Tendens van het heelal tot dood en wanorde.
Veranderingen die zich over miljarden jaren tot in deze tijd uitstrekken
– een ontzaglijk werk – moeten deel uitmaken van een groots
plan waarin alles een bedoeling heeft. Het milieu wordt voortdurend
‘bestookt’ en ‘gecontroleerd’ door het leven
om een ‘optimale conditie’ te handhaven. Niets, in het bijzonder
de mensheid, kan eraan ontkomen deel te hebben aan deze homeostase*
die tot stand komt door dynamische werkingen. Er bestaan daarvan vele
in oceanen, rivieren, meren en bossen, die alle verband houden met de
atmosfeer, die chemisch onstabiel en fluctuerend is.
*Constante toestand die levende wezens bewaren terwijl
hun milieu verandert.
Gaia heeft een automatische kant die wordt geregeld door ingewikkelde
terugkoppelingen van positieve en negatieve aard. De positieve verhogen
of versterken activiteiten, zoals een snellere toename van hogere temperaturen.
De negatieve zijn vergelijkbaar met een thermostaat die het systeem
afsluit of onderbreekt door de verhoging van de temperatuur te vertragen,
de temperatuur te verlagen, of beide. Men ziet dit in de vernuftige
warmteregeling in het menselijk lichaam, die heel knap samengaat met
vijf functies zoals transpireren om af te koelen, rillen om de warmte
te doen toenemen, en het regelen van de snelheid van de bloedstroom
om zodoende de optimale temperatuur van 98.6°F (37°C) te handhaven.
Het menselijk lichaam kent grenzen wat warmte en kou betreft, maar we
weten niet welke grootheden in het verleden voor Gaia golden. Er hebben
herhaaldelijk grote klimaatveranderingen plaatsgevonden: ijstijden,
tropische toestanden, en extreme woestijnvorming. Toch zegt de schrijver
ook dat de temperaturen tussen 450 noorderbreedte en 450 zuiderbreedte,
welk gebied 70 procent van de bewoonbare aarde vertegenwoordigt, zich
op een net aanvaardbaar peil hebben gehandhaafd.
Lovelock en Robert Charlson van de universiteit van Washington in Seattle
ontdekten onlangs een tevoren onbekende schakel tussen zeeplankton en
wolkenvorming op zee*. De enorme uitgestrektheid van deze wolken –
meer dan 30 procent van het aardoppervlak – met hun vermogen het
zonlicht te weerkaatsen, kan de temperatuur en het klimaat op aarde
beïnvloeden. Deze ontdekking, die werd bespoedigd door het standvastige
researchwerk van Lovelock en andere onderzoekingen, markeert het begin
van een nieuwe richting.
*The Plankton-Climate Connection’, Science
News, 5 dec. 1987. blz. 363.
Het beeld van Gaia breidt zich uit als we de chemische banden met de
atmosfeer bestuderen. Het is gelukkig dat stikstof, een van de meest
stabiele en niet-reagerende gassen, domineert en in een kritieke toestand
van evenwicht wordt gehouden die goed is geregeld (79% stikstof tegen
21% zuurstof). Zou het zuurstofpeil omhooggaan tot 25% of meer, dan
zou dat een ramp kunnen betekenen voor het aardse leven, want branden
zouden onbeheersbaar kunnen worden, zelfs in het vochtige materiaal
van de regenwouden. Er kan hier geen plaats zijn voor toeval, maar alleen
voor fundamentele natuurwetten en cyclussen die binnen cyclussen werken.
Het is duidelijk dat die alle elementen in de atmosfeer betreffen: stikstof,
zuurstof, waterstof, koolstof, methaan, zwavel en vele andere. De koolstofcyclus
bijvoorbeeld, houdt verband met een proces van ontbinding dat zich hoofdzakelijk
voltrekt door micro-organismen die men aantreft in moerassen, slikken,
rivieren, meren, en getijdegebieden aan de kust. Die brengen op chemische
wijze jaarlijks ongeveer een miljard ton methaangas voort, wat het gebruik
van fossiele brandstoffen door de mens ver overtreft. Men acht methaan
heel belangrijk voor het regelen van zuurstof. Lovelock schrijft:
Het constante karakter van de zuurstofconcentratie
duidt op de aanwezigheid van een actief controlesysteem, dat vermoedelijk
beschikt over een middel om een afwijking in een optimale zuurstofconcentratie
in de lucht waar te nemen en te signaleren: . . . –
blz. 74
Dit is slechts een van de vele voorbeelden die worden gegeven.
De centrale gedachte dat de biosfeer een levende entiteit is, met een
fysiologie die berust op een harmonisch samenleven van levende dingen
op land en in de zee, is filosofisch gezond en wetenschappelijk. Lovelock
wijst erop dat, omdat de mensheid een natuurlijk deel vormt van Gaia,
ze tot op zekere hoogte de vervuiling en andere destructieve activiteiten
moet compenseren. Er zijn enzymen en bacteriën die in de loop van
de tijd de meeste giften kunnen afbreken, zelfs kwik. Toch is er nog
een probleem: hij gelooft dat hoewel Gaia veel misbruik kan compenseren,
de tijd die ze nodig heeft om te reageren zo lang is, dat als onze vervuiling
of vernietiging te ver gaat, haar herstelwerk honderden of zelfs duizenden
jaren in beslag kan nemen.
Er zijn nieuwe aanwijzingen dat fluorkoolwaterstoffen, die over de
hele wereld worden geproduceerd, de ozonlaag die ons tegen een teveel
aan ultraviolette stralen beschermt, dunner maken. Dat zou wel eens
heel schadelijk kunnen worden, tenzij er voldoende andere chemische
producten zijn die helpen bij de vorming van ozon. We veranderen misschien
het klimaat als gevolg van de grote toename aan kooldioxide, methaan
en andere gassen. Lovelock hecht daaraan echter minder belang dan aan
radioactieve besmetting, die veel langer blijft bestaan. Er schijnt
een sterk verband te bestaan tussen invloeden die van de mens uitgaan
en catastrofale gebeurtenissen. Hij oppert ook de mogelijkheid dat Gaia
de overbevolking in de hand houdt door middel van virussen of ziekten
en, gezien zijn verklaringen, kan men daaraan ook ijstijden en geologische
rampen toevoegen. Een van zijn grootste zorgen is de schade die wordt
toegebracht aan gevoelige gebieden in het Gaia-systeem, zoals de regenwouden,
waterrijke gebieden en continentale plateau’s, enz., omdat de
vernietiging daarvan de verscheidenheid van onze dierlijke en plantaardige
‘partners’ in die gebieden vermindert. Die vormen een uitgestrekte
‘zeef’ waardoor grondelementen voor hernieuwd gebruik geschikt
worden gemaakt.
Dit wordt allemaal duidelijker doordat we beschikken over zo’n
veelomvattende grondgedachte – de verbazingwekkende integratie
van geologische krachten, oceaanstromingen, met de onophoudelijke stofwisselings-activiteiten
van het leven, en de atmosferische circulaties en chemische werkingen,
die alle dienen als enorme lopende banden, voor grondstoffen, die bijproducten
verspreiden en voedingsstoffen verschaffen waardoor de biosfeer in stand
wordt gehouden.
Wat is de plaats van de mens, die met zijn activiteiten het evenwicht
van de natuur op vele wijzen beïnvloedt, en een dominerend, onhandelbaar
element van Gaia vormt? Het boek besluit met het beeld dat wij een actieve
en belangrijke rol spelen en onze methoden moeten veranderen om in harmonie
te zijn met moeder aarde. Alleen dat besef kan ertoe bijdragen dat de
barrières tussen alle volkeren en landen worden verwijderd, en
dat maakt ons tot burgers van de wereld – van Gaia. Er is een
innerlijk gevoel van schoonheid en rechtvaardigheid van de dingen dat
gedeeltelijk instinctief is, zoals Lovelock zegt, en dat in ons als
levende wezens is geprogrammeerd. Uiteindelijk zullen we met deze gevoelens
en verlangens rekening moeten houden naast ‘al datgene wat ons
zelfbewustzijn verdiept en tegelijkertijd ons inzicht in de ware aard
van de dingen vergroot’ (blz. 141).
De kern van de filosofie omtrent Gaia die nog onderzocht moet worden,
is dat doelgerichtheid, plan en intelligentie overal aanwezig zijn.
Terwijl er veel tastbare gevolgen zijn die wetenschappers kunnen waarnemen,
moeten er ook ontastbare oorzaken zijn die ze intuïtief kunnen
aanvoelen voor ze deze kunnen begrijpen. Deze schijnbaar ontastbare
dingen ziet Lovelock als de belangrijkste aspecten van onze samenleving.
In het nawoord verwijst hij naar een wijsheid die sinds de oudste tijden
bestaat, de bron van dit diepere gevoel over de zin van de dingen. Het
is voor de mensheid mogelijk in harmonie te zijn met al wat leeft. Maar
door de invloed van ons kunstmatige milieu en materialistische denken
zijn we geneigd ons te vervreemden, en de werkelijkheid van deze hogere
orde, die zich overal toont tot in de nederigste organismen, uit het
oog te verliezen. Gaia bestaat en werkt op intelligente wijze, net als
de mens. Zelfs een boom die zich voorbereidt op de winter heeft een
‘cognitief verwachtingspatroon’. Als we een deel vormen
van Gaia wordt het interessant de vraag te stellen:
In welke mate is onze collectieve intelligentie ook
een deel van Gaia? Vormen wij als soort een zenuwstelsel en een brein
voor Gaia dat bewust veranderingen in het milieu kan anticiperen?
– blz. 147
We zijn nog niet ver genoeg ontwikkeld om volkomen met haar in harmonie
te zijn, maar men neemt aan dat mensen in de toekomst voor die rol veel
beter geschikt zullen zijn en een ‘sterke drang’ zullen
ontwikkelen om ‘te behoren tot de gemeenschap van alle schepselen
waaruit Gaia bestaat.’ Lovelock verwacht dat de beloning ‘in
de vorm van een toenemend gevoel van welzijn en vervulling, dat voortvloeit
uit de wetenschap dat we een dynamisch deel vormen van een groter wezen,
opweegt tegen het verlies van de groepsvrijheid’ (blz. 148).
We moeten het bewustzijn van een walvis, of van onszelf, of van Gaia
niet onderschatten, wat betreft onaangeboorde mentale en andere hogere
geestelijke denkprocessen. Als wij deel uitmaken van het bewustzijn
van Gaia, dan is het mogelijk en is het onze bestemming in harmonie
te leven met de gemeenschap van alle wezens. Om dat te bereiken moeten
we ons geestelijk ontwikkelen. We zijn tenslotte een drijvende kracht
in het systeem, en vergroten of verkleinen de doelmatigheid ervan door
onze gedachten en emoties, die verreikende reacties oproepen. Zou een
scheppende energie zoals liefde, niet een indruk achterlaten op uitgebreide
innerlijke gebieden van bewustzijn en de vooruitgang van ieder levend
ding bevorderen?