Als we het over de natuur hebben, denken we meestal aan iets dat geheel
losstaat van onszelf, al zijn we er natuurlijk een essentieel deel van.
We leven samen met mineralen, planten en dieren, maar vragen ons zelden
af wat ieder rijk bijdraagt aan het geheel dat het helpt vormen. Onder
invloed van het materialisme en de gedachte dat de natuur bestaat om
door ons geëxploiteerd te worden, hebben we veel van ons gevoel
van verbondenheid met andere levensvormen verloren. De verschillende
rijken worden door wetenschappers wel bestudeerd, maar alleen zoals
men een probleem of een ingewikkelde machine bestudeert. De meesten
hebben er niets op tegen individuele dieren en planten te vernietigen
om er iets over te ontdekken: het zijn ‘studieobjecten’,
geen entiteiten die ons respect en onze aandacht waard zijn. Deze algemeen
voorkomende houding van afgescheidenheid van alles, ook van andere mensen,
heeft ons op het punt gebracht waarop industriële en militaire
technieken de hele structuur van het leven op aarde bedreigen. Ons gehavend
en vervuild milieu – onbewoonbaar voor vele oorspronkelijke soorten
en tenslotte soms ook voor de mens – en menselijke gruweldaden
die met name in deze eeuw maar doorgaan, zijn het gevolg van deze zelfde
neiging alles buiten onszelf en onze groep te zien als objecten die
naar willekeur kunnen worden gebruikt of misbruikt.
De aarde is echter een organisch geheel en de individuen die haar vormen
zijn gelijkwaardige en noodzakelijke medewerkers. De steeds vorderende
wetenschappelijke ontdekkingen op het gebied van de onderlinge, stoffelijke
verbondenheid van alles op aarde, tonen duidelijk hoe alles tot één
organisch geheel is verstrengeld en dat ieder individueel aspect bijdraagt
tot en invloed uitoefent op al het andere: het klimaat, de begroeiing,
de dieren, bacteriën, bomen, rivieren, oceanen, vissen, insecten,
geologische werkingen – alles is op dynamische wijze verbonden.
Elk heeft een doel, of we dat herkennen of niet en draagt bij aan het
geheel.
Terwijl overal de erkenning groeit dat alles in de natuur in stoffelijke
zin afhankelijk is van al het andere, is het besef dat niet-menselijke
levensvormen door hun bewustzijn en leven tot het geheel bijdragen voor
velen nog een ongewone gedachte. Door onze egocentrische instelling
hebben we te lang het bewustzijn en het leven van de bewoners van de
aarde onderschat en het geestelijke geloochend, in die mate dat we zelfs
vaak het bestaan ervan in onszelf ontkennen. Maar de aarde is een levend
wezen en bestaat uit levende wezens. Bij dieren erkennen we het bestaan
van bewustzijn; bij planten vermoeden we het. Waarom dan niet bij mineralen,
atomen, planeten? We begrijpen zo weinig van het bewustzijn en het leven,
van de aarde als een geheel, van de onderlinge betrekkingen tussen de
verschillende bewoners van deze planeet – we begrijpen zelfs niet
goed wat een mens is. Hoe kunnen we dan de wereld om ons heen zulke
beperkingen opleggen? De gedachte dat alles leeft en bewust is en dat
er een geestelijke realiteit aan ten grondslag ligt die ons waarnemingsvermogen
en zelfs ons verstand te boven gaat, wint meer en meer veld. Als de
kern van ieder wezen, zoals de meeste culturen vanaf de oudheid tot
de moderne tijd bevestigen, een geestelijke entiteit is die zich tot
uitdrukking brengt op een wijze die past bij het bewustzijnsniveau dat
het tot dusver heeft ontwikkeld, dan heeft ieder wezen zijn eigen innerlijk
doel – zijn dharma, zijn plicht, of wet van zijn wezen,
zijn reden van bestaan.
Als we de rol van de verschillende rijken die leven op aarde proberen
te begrijpen, is het interessant te bedenken dat de mens in zichzelf
een mineraal, plantaardig, dierlijk, menselijk en goddelijk bewustzijn
bezit. Elk van deze aspecten van ons bewustzijn is belangrijk en speelt
een vitale en unieke rol in ons functioneren. Als we een ervan misten,
zouden we geen compleet mens zijn. Soms zijn we ons bewust van onze
dierlijke en goddelijke aspecten, omdat deze grenzen aan het strikt
menselijke deel dat het centrum van ons bewustzijn vormt. Ons begrip
van plantaardig bewustzijn, in of buiten ons, is bijzonder klein. Zou
de vredige, bijna meditatieve sfeer die we ondergaan als we ons in een
bos of weidelandschap bevinden, niet een weerspiegeling kunnen zijn
van het bewustzijnsaspect van de planten die daar groeien, of wellicht
een reactie daarop? De meer vegetatieve kant van onszelf, zoals het
autonome zenuwstelsel, stemt ons ook tot nadenken. We leren voortdurend
meer over het soort bewustzijn dat planten aan de dag leggen en over
hun vitale rol in de ecosfeer.* Op het ogenblik ziet de westerse beschaving
geen enkel leven of bewustzijn in mineralen, en daarom vormt hun bewustzijn
een nog groter mysterie. Misschien krijgen we meer inzicht in het bewustzijn
van planten en mineralen wanneer we beter in staat zijn de overeenkomstige
bewustzijnsniveaus in onszelf te begrijpen.
*Zie John Van Mater, jr.’s Artikel ‘Onze
intelligente vrienden de planten’ in Sunrise
sep/okt 1987.
De natuurrijken onder de mens werken betrekkelijk harmonieus samen
en hun stoffelijke bijdrage aan de aarde is duidelijk. Hun onzichtbare
bijdrage is niet zo duidelijk, vooral niet voor diegenen onder ons die
de binding met de natuur, fysiek zowel als psychisch, grotendeels hebben
verloren. Toch heeft de aarde als levend wezen vele graden van bewustzijn
– stoffelijke, psychische, intellectuele en geestelijke –
die even werkelijk zijn als de onze. Wij zijn in feite kinderen van
Moeder Aarde en weerspiegelen haar structuur in die van ons. Ons bewustzijn
put uit het grotere wezen van de planeet, net zoals wij lichamelijk
afhankelijk zijn van elementen die hun oorsprong hebben in het lichaam
van de aarde. Alle zich ontwikkelende levens die de planeet vormen,
hebben deel aan haar spectrum van bewustzijn, en zijn innerlijk zelfs
nauwer met haar verbonden dan lichamelijk. Onze gedachten en gevoelens
hebben grote invloed op de corresponderende delen van de aarde. Problemen
zoals de vervuiling en de vernietiging van het milieu, de voortschrijding
van woestijnen, kernafval en oorlogvoering die een toenemende plaag
zijn voor de wereldbevolking, zijn de uiterlijke manifestaties van onze
zelfzucht, hebzucht, psychisch isolement en ongevoeligheid zoals die
zich weerspiegelen in de stoffelijke aardbol. We zien alleen onze uiterlijke
daden en de gevolgen daarvan, maar van welke aard zijn de krachten die
we tegelijk hebben opgebouwd in de psychologische delen van de natuur?
Wat zullen de gevolgen zijn voor de mensheid en de aarde wanneer die
ten volle tot uitwerking komen?
De negatieve bijdrage die de mensheid aan de aarde levert is goed te
zien. Maar hoe staat het met onze positieve bijdrage? Het is duidelijk
dat de mens, alleen al door zijn aanwezigheid hier, een rol moet
spelen op deze planeet als een integrerend deel van het stelsel. Wij
hebben als de nu overheersende levensvorm op aarde de grootste invloed
op de rest van de natuur. Maar houdt dat in dat we het belangrijkst
zijn? De verschillende rijken met al hun verschillende vormen en karakteristieke
bewustzijnstoestanden dragen alle bij tot het wezen van de aarde. In
ons evolutiestadium bevinden we ons tussen de bijna automatische deelname
van de lagere rijken, en de zelfbewuste rol van de rijken die verder
zijn gevorderd dan wij. Dat weerspiegelt zich in ieder van ons, waarin
het menselijke ego het overheersende deel van ons wezen vormt, maar
waarin toch alle aspecten van ons bewustzijn nodig zijn om een compleet
mens te worden. Als een bepaald centrum van bewustzijn niet goed functioneert,
lijdt de hele mens. Onze menselijke ego, die nog niet volledig is ontwikkeld,
springt soms uit de band, brengt het stelsel uit zijn evenwicht en verstoort
de werking van de minder ontwikkelde bewustzijnen die hun evenwicht
in belangrijke mate automatisch handhaven. We zijn ons voor een groot
deel niet bewust van ons geestelijk bewustzijn, omdat het buiten het
bereik van ons gewone begrip ligt en daarom aan onze waarneming ontsnapt
– en dat geldt ook voor de hogere natuurrijken waarvan we ons
slechts intuïtief bewust zijn. Het is ons ook niet mogelijk te
weten wat voor soort bewustzijn de aarde heeft als een wezen, net zomin
als een atoom kan waarnemen of het meehelpt aan de vorming van een dier,
een plant, of een rots. Maar omdat de aarde een bepaald soort organisme
is, moet ze worden beïnvloed door de disharmonie die door het mensenrijk
wordt veroorzaakt, zoals een toestand van onevenwichtigheid in ons –
of die ligt op psychisch, organisch of cellulair terrein – ons
beïnvloedt en zelfs tot ziekte of de dood kan leiden.
Als we willen doen wat we kunnen om de gezondheid van onze planeet
in stand te houden, moeten we samenwerken – alle rijken op aarde,
alle mensen. In plaats van ons af te vragen wat we kunnen nemen en gebruiken
en hoe we kunnen krijgen wat we wensen, zouden we misschien kunnen gaan
vragen wat ons doel als mens is. Wat kunnen we van onszelf geven aan
het geheel dat wij helpen vormen? Hoe kunnen we onze verantwoordelijkheid
nakomen als mensheid op aarde? Er zijn geen pasklare antwoorden op zulke
vragen te vinden, en ook zal niet iedereen het eens zijn over de problemen
en de oplossing ervan. Maar alleen al het besef dat er meer van ons
wordt verwacht dan egoïstische pogingen om te overheersen, of onze
wensen en behoeften te bevredigen ongeacht wat dat de natuur en de rest
van de mensheid ook kost, is een essentiële eerste stap naar een
oplossing van de huidige ecologische en menselijke crises.
Om in harmonie te leven met de andere natuurrijken, moeten we niet
langer ons bewustzijn richten op wat we kunnen nemen in het leven; maar
op wat we aan waardevols kunnen bijdragen aan alle verschillende eenheden
waartoe we behoren: ons gezin, onze gemeenschap, ons volk, onze soort
en onze planeet. Het is altijd mogelijk te veranderen, ons eigen leven
te onderzoeken en te zien welke waarden we in feite belichamen, of ze
de moeite waard zijn en hoe we in ons dagelijks werk meer kunnen laten
doorklinken van dat waarin we werkelijk geloven. Zo’n verandering
van levensopvatting zou waarschijnlijk onze relaties met anderen wijzigen:
onze omgeving zien als een onbewust geheel dat door ons kan worden uitgebuit,
vindt zijn terugslag in de opvatting dat andere mensen kunnen worden
gebruikt voor ons eigen nut of gemak. Al is het onmogelijk de andere
rijken niet te gebruiken voor ons levensonderhoud, kunnen we daar wel
een andere houding tegenover aannemen: een van respect, vriendelijkheid
of dankbaarheid voor de offers die leden van deze rijken voor ons welzijn
brengen, en erkennen dat hun bijdrage aan het geheel even belangrijk
is als die van onszelf.
Natuurlijk kunnen we niet van de ene dag op de andere dramatische resultaten
verwachten. Maar wel kunnen we een positieve richting inslaan en beginnen
de koers van onze beschaving ten goede te keren en de kwaliteit van
het leven op aarde voor alle soorten te verbeteren. Als we eenmaal het
leven als partners en medewerkers gaan benaderen in plaats van als profiterende
mededingers, zal het ons steeds duidelijker worden hoe we onze rechtmatige
plaats kunnen innemen als constructieve en mededogende leden van de
grote familie van natuurrijken op aarde.