Het zonnestelsel: perspectieven van de oude wijsheid en de moderne wetenschap
Andrew Rooke

 

Deel 1: De zon en de binnenplaneten

Al ontelbare millennia heeft de mens opgezien naar de pracht van de nachtelijke hemel en de steeds terugkerende vragen gesteld omtrent zijn plaats in het universele plan. Bij een knappend kampvuur of aan de radiotelescoop, die vragen zijn dezelfde. Wie ben ik? Hoe past onze eigen planeet in het flonkerend patroon van de sterren? Is er leven in de schijnbaar peilloze diepte van de ruimte? Overal op aarde hebben wijze mensen uit de oudheid de innerlijke ruimte verkend en sleutels verschaft tot deze verborgen mysteriën. In de laatste twintig jaar van onderzoek van de uiterlijke ruimte, is de astrofysica dichter genaderd tot veel leringen van de oude wijsheid, de theosofie, met betrekking tot de aard van ons heelal – al blijven er nog vele intrigerende vragen over die voor toekomstige generaties van zoekende zielen een uitdaging vormen.

Volgens de theosofie trilt ieder wiskundig punt in het heelal van leven. De sterren en hun families van planeten zijn goddelijke wezens die zich openbaren in titanische krachten en ontelbare vormen, die nu door de wetenschap worden gecatalogiseerd. Astronomen en fysici nemen waar dat er in het heelal een volmaakt evenwicht heerst. Volgens sommigen getuigt dit van de aanwezigheid van bewustzijn en intelligentie in krachten en vormen, die de stoutste dromen van science fiction overtreffen. Het heelal is blijkbaar een ontzaglijk groot organisme dat uit vele hierarchieën en rijken bestaat, die in een grote opmars samenwerken.

Ingewijden in de mysteriën hebben verklaard dat zelfs de verst ontwikkelde intelligenties op aarde alleen binnen de grenzen van ons zonnestelsel tot de innerlijke en uiterlijke ruimte kunnen doordringen. Laten we ons daarom beperken tot de wonderen van ons zonneheelal. We moeten bedenken, als we onze fantastische reis ondernemen, dat het kleine in de hele natuur het grote weerspiegelt, dat de structuur en de werkingen van een atoom of een cel ons de sleutel kunnen verschaffen tot de werking van een zonnestelsel en tot wat daarachter ligt, de onpeilbare diepte van de interstellaire ruimte.

Nieuwe technologieën, die in de tweede wereldoorlog werden ontwikkeld, kondigden het huidige tijdperk van ruimteonderzoek aan. Sinds oktober 1957, toen de Russen de Spoetnik lanceerden als de eerste kunstmatige satelliet van de mens, zijn er grote vorderingen gemaakt. Amerikaanse en Russische wetenschappers hebben een grote verscheidenheid van ruimtevaartuigen gelanceerd om de stralingsgordels rond de aarde te meten, de weersgesteldheid over de hele wereld te volgen, de röntgen- en gammastralen van de zon en de andere sterren in de melkweg te meten. Ze hebben ruimtevaartuigen op Mars en Venus doen landen, die het verborgen gelaat van planeten ontsluierden, die eeuwenlang een mysterie waren voor de aan de aarde gebonden astronomen. Neil Armstrongs ‘éne stapje. . .’ op de maan in juli 1969 luidde de eeuw van interplanetair onderzoek in. In de jaren ’70 en ’80 hebben de Pioneer, Viking en Voyager ons naar de buitenste grenzen van ons thuisheelal gebracht, terwijl de Voyager II in augustus 1989, na een bezoek aan Neptunus, verder de interstellaire ruimte zal binnenvaren.

De wetenschap kent het zonnestelsel als een ordelijke gemeenschap van negen planeten, 54 manen (daarbij inbegrepen de 10 manen die om Uranus cirkelen en die in 1986 werden ontdekt), en myriaden asteroïden, kometen en andere kleine lichamen, waarvan vele zich in een regelmatige baan om de zon bewegen. Onder de sterren is onze zon niet bijzonder groot, maar vergeleken met de planeten is hij enorm groot; hij heeft een middellijn van ongeveer 1.390.000 km., dat is 9,75 maal die van de grootste planeet, Jupiter. Op hun beurt zijn Jupiter en Saturnus weer reusachtig vergeleken met de andere planeten; zij hebben een middellijn van respectievelijk 11 en 9 maal die van de aarde. De afstanden tussen de zon en de buitenplaneten zijn bijna onvoorstelbaar; Pluto staat in het aphelium bijna 6 miljard km. van de zon. Nog verder, op een afstand van één lichtjaar (bijna 9,5 biljoen km.) van de zon, bevindt zich een zwerm kometen waarvan men aanneemt dat hij het zonneheelal omgeeft als de doordringbare huid van een cel (de Oort wolk).1

De prachtige en soms ontzagwekkende foto’s die door moderne ruimtevaartuigen werden genomen, gaan voor ons leven als de woorden van oude wijzen over de zeven (of twaalf) heilige planeten in de diepten van ons bewustzijn weerklinken. Theosofische schrijvers zeggen dat het zonnestelsel veel meer planeten en zonnen bevat dan zichtbaar of aan de wetenschap bekend zijn. Deze planeten en zonnen zijn voor ons onzichtbaar omdat ze zich op gebieden van kosmische stof bevinden boven of beneden het terrein van onze waarnemingen. De zeven planeten waarmee het lot van onze aarde het nauwst is verbonden, worden de zeven heilige planeten genoemd. Het zijn Saturnus, Jupiter, Mars, de zon (als plaatsvervanger voor een onzichtbare planeet heel dicht bij de zon, waarnaar soms wordt verwezen als Vulcanus), Venus, Mercurius en de maan (ook een plaatsvervanger voor een onzichtbare planeet). Deze planeten zijn voor ons heilig omdat ze, als bewuste entiteiten, meehelpen aan de bouw en het daaropvolgende evolutieproces van de aarde. Er vindt een voortdurende en regelmatige circulatie plaats van elektromagnetisme tussen de verschillende planeten ‘door en via individuele bewustzijnen – of dit nu goden, monaden, zielen of atomen zijn – die in en door de diverse elementen werken en ze in feite samenstellen.’2 Via deze circulaties worden de levensrijken onderhouden door de zevenvoudige spirituele en andere krachten van de zon. Voorts circuleren de monadische energieën, die zich in de verschillende rijken belichamen, in ontzaglijk lange tijdsperioden tussen de zeven heilige planeten, terwijl ze hun bestemde pad volgen.

Laten we nu een reis beginnen van de portalen van de zon naar de vage zone van de Oort wolk en kennis nemen van recente ontdekkingen over ons zonnestelsel in het licht van de theosofische leringen.

De zon: De oude volkeren over de hele wereld vereerden de zon als het levende hart en de weldoende heerser over zijn familie van planeten en hun myriaden levens. Ontdekkingen en uitspraken van de moderne wetenschap getuigen van krachten en wonderen die passen bij het stralende gewaad van een zonnegodheid. De meeste geleerden zijn nu van mening dat de zon een zichzelf onderhoudende nucleaire oven is, gevoed door de fusie van waterstofatomen in helium, welk proces nauwkeurig in evenwicht wordt gehouden doordat de massa van de zon, als gevolg van de zwaartekracht, wordt samengeperst. Men neemt aan dat veranderingen in het magnetisch veld van de zon in cyclussen van 11 en 22 jaar de zonnevlekken veroorzaken: gigantische scheuren of openingen waardoor zonnevlammen duizenden mijlen ver de ruimte inschieten. Veel sterren, waaronder onze zon, vibreren als reusachtige klokken, die alle hun eigen toon doen klinken in de ‘muziek der sferen’.

De oude wijsheid verklaart dat de zon een zichzelf onderhoudende energiebron is voor de zichtbare en onzichtbare rijken waarvan zijn domein vol is. Hij is tegelijkertijd het levende hart en brein van zijn rijk, dat klopt in een 11-jarige cyclus, waarbij hij stromen van levenskracht door de zonnevlekken uitstort via zijn circulatiesysteem. De theosofie, die de oude mythen bevestigt, zegt dat de zichtbare zon slechts de weerspiegeling is van een stralende hemelse entiteit of god. Deze zonnegodheid stort vanuit de innerlijke gebieden van zijn wezen zijn levenskrachten uit, en schept en onderhoudt daardoor een gebied van ervaring voor ontelbare evoluerende entiteiten gedurende onmetelijke tijdsperioden.

Deze heilige waarheid werd op prachtige wijze samengevat door de barden van het oude India in hun Invocatie aan de zon, de Gayatri:

Ontsluier, O Gij die levenskracht schenkt
    aan het heelal, van wie alles uitgaat,
tot wie alles terugkeert,
    Het aangezicht van de ware zon, dat nu verborgen
is in een vaas van gouden licht,
    Opdat wij de waarheid mogen kennen en onze plicht
geheel vervullen op onze reis naar uw gewijd verblijf.
        (parafrase)

Vulcanus: De theosofie leert dat een van de heilige planeten haar baan heeft tussen Mercurius, die de astronomen als de dichtst bij de zon staande planeet beschouwen, en de zon. Al vele eeuwen lang is deze planeet voor ons onzichtbaar, maar kan in de toekomst, naarmate onze geestelijke waarnemingsvermogens groeien, zichtbaar worden. Er wordt gezegd dat ze een keer is waargenomen door de Franse plattelandsdokter en amateur-astronoom Lescarbault op 28 maart 1859. De Franse astronoom Le Verrier onderzocht 50 waarnemingen, waarvan hij er 6 betrouwbaar achtte. In 1878 zagen Amerikaanse astronomen ook een donker lichaam dat voorbij het oppervlak van de zon trok. Veel astronomen betwisten nu deze waarnemingen, die zij toeschrijven aan asteroïden die nu en dan langs de zon trekken. Maar een ander bewijs, zoals storingen in de baan van Mercurius, doet vermoeden dat er inderdaad een planeet kan zijn tussen laatstgenoemde en de zon, een van de vele onzichtbare werelden van het zonneheelal die volgens de theosofie bestaan.

Mercurius: Volgens G. de Purucker is de afstand van een planeet tot de zon een aanduiding van haar evolutiestadium. ‘De basisregel is als volgt: hoe dichter bij de zon, des te verder de planeet is gevorderd in haar evolutie en daarom des te hoger de daarop levende wezens zijn ontwikkeld.’3 De ruimtewetenschap constateert dat hoe dichter de planeten bij de zon staan, des te dichter en vaster zijn ze vergeleken met de enorme en grotendeels gasachtige buitenplaneten. Mercurius, die van de zichtbare planeten het dichtst bij de zon staat, was het onderwerp van een intens kritisch onderzoek door het ruimtevaartuig Mariner 10, in maart 1974. De camera’s van de Mariner onthulden een kale, rotsachtige, dicht met kraters bezaaide planeet met een dichtheid die overeenkomt met die van de aarde. Andere instrumenten wezen aan dat Mercurius midden op de dag verzengende temperaturen moet doorstaan, tot zelfs 800°F (heet genoeg om zink te doen smelten!), terwijl de lage aan de donkere zijde kunnen dalen tot -300°F.

Bij veel volkeren uit de oudheid was Mercurius nauw verbonden met de leringen van de mysteriën omtrent de toestand na de dood. De Grieken noemden haar Hermes, de gids van de mystici en de begeleider van de zielen naar de onderwereld. Volgens de theosofie is Mercurius, die zo dicht bij de zon staat, bezig om na een lange periode van rust over te gaan in de laatste of zevende ronde van haar levenservaring.

Venus: Mystici en astronomen spreken over Venus als de ‘tweelingzuster’ van de aarde, en de theosofie ziet een nauwe verwantschap tussen hen. Mythografen en dichters hebben zich door de eeuwen heen in lyrische termen uitgelaten over onze schitterende morgen- en avond‘ster’. Het Sovjet ruimtevaartuig Venera 7 in 1970, de U.S. Mariner 10 in 1974 en vier Sovjetlandingen in 1975 en 1982 geven ons een beeld van een ongastvrije wereld: dagtemperaturen van 900°F; dikke wolken van kooldioxyde en regens van zwavelzuur slaan tegen de kale rotsachtige oppervlakte met een atmosferische druk die 90 keer zo groot is als die van de aarde! Het U.S. ruimtevaartuig Pioneer Venus, dat in 1978 in een baan rond de planeet ging, bracht haar oppervlak in kaart door de verduisterende wolken heen en onthulde dat Venus een landschap heeft dat niet veel verschilt van dat van de aarde, maar dat haar oceanen sinds lange tijd zijn verdwenen. Geweldige vulkanen domineren een enorme vallei bij de equator, en op het noordelijk halfrond torent een gigantische vulkaan 11.000 meter boven een uitgedroogde vlakte.

Hoewel Venus misschien de antithese schijnt van een levendragende planeet, moeten we niettemin openstaan voor het denkbeeld dat elke planeet haar eigen evolutiegeschiedenis heeft en levensvormen kan hebben ontwikkeld in wat voor ons een dodelijke omgeving is. Zo wordt er in de theosofische literatuur gezegd dat Venus wordt bewoond door hoogst intelligente entiteiten, die zich evenzeer thuisvoelen in hun atmosfeer als wij in de onze; en dat zij zich momenteel in haar zevende ronde van planetaire ervaring bevindt, terwijl de aarde in haar vierde ronde is.

Aarde en maan: Na de zwavelzuurregens en de schroeiende hitte van Venus is het een verademing de blauwe oceanen en de warme groene wouden van onze moeder aarde te begroeten. De oude wijsheid leert dat de aarde wordt achtervolgd door een spookachtig overblijfsel van haar vroegere belichaming, de maan. De maan is intensief door ruimtevaartuigen bestudeerd, en een reeks van bemande landingen in de jaren zestig en het begin van de jaren zeventig bevestigen wat de theosofie ons vertelt, dat het een dode wereld is die in een proces van langzame ontbinding verkeert. Emanaties van de maan bewegen zich naar de aarde en hebben grote invloed op de groei en het verval van het leven op aarde, zoals de mythen van de oude wereld getuigen. In een baan dicht bij de maan bevindt zich nog een onzichtbare planeet, die soms de achtste sfeer of de planeet van de dood wordt genoemd. Deze planeet heeft zo’n dichtheid dat wij haar niet kunnen zien en dient als een vergaarbak van negatieve invloeden van de aarde, ongeveer zoals de riolering en het afwateringssysteem van een grote stad.4

Onze reis heeft ons tot de grenzen van het binnengebied van het zonnestelsel gebracht. Buiten de aarde bevinden zich Mars en de gigantische gasachtige planeten en komeetachtige overblijfselen van de vorming van ons zonnestelsel. Als we met ontzag opzien naar de wonderen van onze naburige werelden, vastgelegd op dramatische foto’s door onze ruimtevaartuigen, krijgen we nieuwe perspectieven op onze problemen hier op aarde. Onze persoonlijke zorgen wijken verhoudingsgewijs voor de machtige en tijdloze werken van de universele natuur. We kunnen nederig zijn en ons toch verheven voelen, wetende dat wij onze rechtmatige plaats innemen te midden van de verwonderlijke broederschap die aan de nachtelijke hemel fonkelt.

 

Noten

  1. Zie K. Frazier, Solar System, Planetary Earth Series, blz. 36, 40.
  2. G. de Purucker, Bron van het Occultisme, blz. 355.
  3. Op.cit., blz. 363.
  4. Op.cit., ‘De planeet van de dood’, blz. 385-8.

Het zonnestelsel: Perspectieven van de oude wijsheid en de moderne wetenschap
Andrew Rooke


Deel 2: De Buitenplaneten

In het mrt/apr nummer van Sunrise hebben we gezien dat zowel de oude wijsheid als de moderne wetenschap, elk op haar eigen manier, zich bewust is van de schoonheid en het wonder van ons zonnestelsel. In de laatste twintig jaar hebben de indrukwekkende reizen van kleine ruimtevaartuigen onze kennis van het zonneheelal aanzienlijk uitgebreid. Zoals een regenboog een poëtische schoonheid bezit die we, in termen van de natuurkundewetten die aan zijn bestaan ten grondslag liggen, niet ten volle kunnen begrijpen, zo liggen er volgens de oude wijsheid talloze mysteriën verborgen achter de beelden die vanuit de buitenste gebieden van de ruimte naar de aarde stromen. We zullen nu onze reis voortzetten buiten de aardbaan naar de grenzen van het zonneheelal en in het kort recente wetenschappelijke ontdekkingen bespreken in het licht van de oude wijsheid.

Mars: een geliefd onderwerp voor schrijvers van sciencefictionverhalen, wordt gezien als de woonplaats van een vergevorderde beschaving van een aards type, die zich bedient van wat via de huistelescoop een goed geordend net van irrigatiekanalen schijnt te zijn. De Mariner 4 (1965) en zijn opvolgers, de Mariner 9 (1971) en de Marslandingsvaartuigen Viking 1 en 2 (1976) toonden een troosteloos landschap, geteisterd door dichte zandstormen over de hele planeet. Het wervelende zand wordt beheerst door enorme vulkanen die tot meer dan 23.000 m boven het ruwe landschap oprijzen. Er zijn tekenen die erop wijzen dat er eens water was op Mars en stroompjes en oude rivieren, die nu allang zijn verstomd en zich, vermoedelijk bevroren tot permafrost, onder de rotsachtige oppervlakte bevinden.1 De Mariner- en Viking-foto’s van Mars laten een landschap zien dat opvallend veel lijkt op onze eigen woestijngebieden op aarde die eens wemelden van leven en waar grote beschavingen waren. Omdat de natuur in cyclussen werkt van activiteit en rust, kunnen gebieden waar eens beschavingen waren, braak liggen als woestijnen of oceaanbodems met het doel zich te vernieuwen, in afwachting van een nieuwe stroom van entiteiten wanneer de tijd rijp is. De theosofie leert dat Mars zich nu tussen twee levensgolven bevindt, want de meerderheid van haar bewoners heeft zich naar een andere voor ons onzichtbare bol begeven die deel uitmaakt van de constitutie van de planeet. De bloedrode woestijnen sluimeren in een toestand van ‘obscuratie’ totdat de binnenkomende levensgolven het dagen van een nieuwe ronde van planetair leven inluiden.

De asteroïdengordel: Voorbij Mars ligt een gordel van planetoïden (asteroïden) en kosmische stofdeeltjes, die in grootte variëren van microscopisch klein tot vele kilometers in doorsnede. De gangbare wetenschappelijke theorie is dat een stroom van krachten van de buitenplaneten, in hoofdzaak Jupiter, de vorming van een planeet belet. G. de Purucker zegt dat in de verre toekomst asteroïden zullen helpen bij de bouw van een nieuwe planeet:

Wanneer de planeet in wording een voldoende graad van verstoffelijking heeft bereikt, zal ze langzaam de meeste van deze om onze zon zwermende asteroïden in zich opnemen, die haar op deze manier helpen haar toekomstige fysieke lichaam op te bouwen.    – Bron van het occultisme, blz. 376.

Jupiter: De asteroïden bewaken de grenzen van de binnenste planetenfamilie van de zon. Daarachter liggen de reusachtige planeten van het buitenste deel van het zonnestelsel waarvan men nog weinig wist totdat Voyagers 1 en 2 in 1977 werden gelanceerd. Ze zijn nog steeds dapper op weg in dat buitenste deel van het zonnestelsel. In maart en juli 1979 maakten de Voyagers 1 en 2 de eerste foto’s van dichtbij van de grootste planeet van de zon en haar gevolg van 16 manen. Zowel de theosofie als de astronomie zijn het erover eens dat Jupiter veel weg heeft van een zon in het klein, waarvan de nucleaire vuren nooit zijn ontstoken. Ze is ook enigszins lichtgevend. Jupiter bestaat uit ongeveer dezelfde elementen als de zon, bijna 90% waterstof en 10% helium, en heeft een atmosfeer die lijdt onder gigantische stormen waarvan de hevigste, de raadselachtige Grote Rode Vlek, driemaal zo groot is als de aarde.

De Voyagers ontdekten dat Jupiter een dunne ring van stof bezit en daarbuiten een familie van manen; aan elk daarvan is een eigen vreemd verhaal verbonden. Io, de binnenste grote maan, is in vulkanisch opzicht het meest actieve lichaam dat in het zonnestelsel bekend is, en braakt enorme 300 km hoge pluimen van vulkanisch materiaal uit dat in geiserachtige regens op haar oppervlak terugvalt. Europa ziet eruit als een gebarsten ei en heeft een harde rotsachtige kern, bedekt met in stukken gebroken ijsvlakten. Verder van Jupiter vandaan laat Callisto een bevroren gezicht zien dat met kraters is bezaaid, terwijl Ganymedes, de grootste maan van het hele zonnestelsel, is doorploegd met kanaalachtige valleien en is opengescheurd en gespleten als gevolg van geweldige bevingen toen het leven van het zonnestelsel een aanvang nam.2

Deze fantastische beelden kunnen worden aangevuld met enkele gegevens ontleend aan de theosofie over het verborgen karakter van Jupiter, die minder ver geëvolueerd zou zijn dan de binnenplaneten. Hoewel ze in stoffelijk opzicht etherischer is dan de aarde, zal Jupiter in de verre toekomst stoffelijk vaster worden dan de aarde nu is. Momenteel bevindt ze zich bijna aan het einde van het vuur-stadium van haar evolutie en nadert ze de ‘kritieke lijn die dat stadium scheidt van het element lucht’3. Kolossale, vurige, ijle entiteiten zweven in haar atmosfeer bij de Grote Rode Vlek en ‘zwermen als bijen’ rond een gebied dat wordt beïnvloed door een krachtige ‘raja-zon’ die nu aan onze waarneming is onttrokken4.

Saturnus: Toen ze omstreeks juli 1979 Jupiter achter zich lieten, spoedden de twee Voyager ruimteschepen zich naar een ontmoeting met Saturnus in november 1980 en augustus 1981. Ze zonden adembenemende beelden terug van de planeet en haar raadselachtige band van ringen van onovertroffen schoonheid. In vele opzichten bleek Saturnus een kleinere versie van Jupiter te zijn met een in heftige beroering zijnde atmosfeer van waterstof en helium en ammoniakwolken, die zich rond de planeet bewegen met snelheden tot 1.700 km per uur!

Boven de verstikkende beroering van de atmosfeer van Saturnus draait het majestueuze stelsel van ringen met zijn steeds wisselende patronen, op een afstand van 275.000 km boven de turbulente wolkentoppen. Dat is de zeer ijle E-ring, ver weg bij de baan van Enceladus. De Voyagers ontdekten dat de ringen uit biljoenen ijsdeeltjes of ‘sneeuw’ bestaan en zijn doorsneden met nog onverklaarde, op stralen lijkende spaken, dwars door de middelste ring van Saturnus. Een tweetal heel kleine ‘herders’ manen houdt de smalle F-ring intact, en op sommige plaatsen worden de deeltjes verstrengeld en gevlochten als heel fijn draad5. Voorbij de ‘herders’ manen ontdekten de Voyagers een tweetal naast elkaar in een baan draaiende manen, die een ingewikkelde ‘dans’ uitvoeren, elkaar om beurten inhalen en van baan verwisselen zonder te botsen. Nog verder bevindt zich de familie van grote manen van Saturnus, alle met hun eigen mysterie: de pokdalige Mimas met haar gigantische inslagkrater met opstaande randen van 10 km hoge rotsen; Enceladus, die naar men gelooft vulkanen heeft gehad die water-ijs droppels de ruimte in spuwden; Tethys, een dicht met kraters bezaaide ijsbal; Dione en Rhea, waarvan op raadselachtige wijze het ene halfrond helder verlicht en het andere donker is; en de vreemdste van alle, Titan, de op één na grootste maan van het zonnestelsel, waarvan men denkt dat haar dikke walmige atmosfeer een over de hele bol verspreide oceaan van vloeibaar methaan verbergt, die is bezaaid met eilanden van water-ijs. De planeet-astronoom Carl Sagan en zijn collega’s aan de Cornell Universiteit populariseerden vroegere experimenten, die aantoonden dat de wolken van Titan veel levens-bouwstenen bevatten en dat de omstandigheden op Titan gelijk zouden kunnen zijn aan die van de oorspronkelijke aarde bij de dageraad van haar ontstaan.

De paradoxen die de foto’s van de Voyager hebben opgeleverd, weerspiegelen de leringen van de theosofie over de planeet met de ringen. Saturnus is de buitenste en daarom de jongste van de zeven heilige planeten. Hoewel ze in stoffelijk opzicht de meest etherische is van de heilige planeten, is haar essentiële aard toch veel materiëler dan die van de aarde. Mythologisch beschouwd is Saturnus nauw met de aarde verbonden en dit verklaart misschien waarom wij haar ringen kunnen zien. Volgens de theosofie hebben alle planeten meteorische sluiers die hen omringen en beschermen tegen de titanische krachten van de zon. Deze immense sluiers of ‘meteorische continenten’ komen vermoedelijk overeen met wat de astrofysici magnetosferen noemen. Daartoe behoren de ringenstelsels die het ruimtevaartuig Voyager om Jupiter, Saturnus en Uranus fotografeerde. In theosofische geschriften wordt gezegd dat de ringen van Saturnus dienen als overgangsgebieden of transformatoren voor de stromen van levens die zich langs de circulaties van de kosmos bewegen om zich op Saturnus te belichamen of te ontlichamen6.

Uranus, Neptunus, Pluto en de Oortwolk: In januari 1986 ging de Voyager 2 dwars door het stelsel van Uranus en kregen we de eerste gedetailleerde foto’s van deze fascinerende planeet en vooral van haar gevolg van manen7. De wetenschappers zien uit naar soortgelijke boeiende beelden van Neptunus, die men in augustus 1989 verwacht, voordat Voyager 2 zich dapper in de richting van de Oortwolk spoedt, de sluier van kometen die het zonnestelsel omringt en die het ruimtevaartuig blindelings over meer dan 10.000 jaar zal bereiken.

Uit de schitterende foto’s die door de Voyager 2 van Uranus, haar ringenstelsel en manen zijn gemaakt, blijkt dat de planeet zich baadt in een dichte atmosfeer van waterstof en helium met een blauwgroene nevel van methaan. Het vreemdste kenmerk van Uranus is ongetwijfeld dat ze op haar kant ligt, met de poolgebieden naar de zon gekeerd, die om beurten een 42-jarige periode van zonlicht en duisternis hebben. Uranus heeft een gecompliceerd ringenstelsel met ‘herders’ manen, zoals die van Saturnus, en vijf grote manen met bizarre kenmerken, die genoemd zijn naar figuren uit De Storm en Een Midzomernachtsdroom van Shakespeare: Miranda, Ariël, Umbriël8, Titania en Oberon. Waarnemingen van Neptunus vanaf de aarde wijzen erop dat ze veel weg heeft van Uranus, omdat ze voornamelijk gasachtig is met een dichte atmosfeer en methaanwolken. Neptunus heeft twee manen, Triton en Nereid, met zeer onregelmatige banen, die vooraanstaande geleerden doen veronderstellen dat Triton door de zwaartekracht van Neptunus misschien binnen een korte periode van de zonnetijd uit elkaar zal worden gerukt.

Weinig is er bekend van Pluto, op bijna 6 miljard km van de zon en 1.450 miljoen km verder dan Neptunus in haar aphelium. Ze schijnt betrekkelijk vast te zijn vergeleken met de andere buitenplaneten en heeft een atmosfeer en een enkele maan die in 1978 werd ontdekt en Charon werd genoemd, naar de veerman die de doden over de rivier de Styx naar de Griekse onderwereld, het rijke van Pluto, vervoerde.

Volgens de theosofie onderscheiden Uranus, Neptunus en Pluto zich van de heilige planeten, welke laatste nauw betrokken zijn bij de lotsbestemming van de aarde. Strikt genomen behoren zij niet tot ons zonnestelsel, maar zijn ze gevangen door de aantrekkingskracht van de zon. Hoewel Uranus tot ons ‘universele zonnestelsel’ behoort en nauw is verbonden met het lot van de zon, hebben Neptunus en misschien ook Pluto zich in de buitenste gebieden van ons stelsel gewaagd, mogelijkerwijs tijdens de chaos van de solaire en planetaire formatie, miljarden jaren geleden9. Theosofen vergelijken dit proces met het micro-heelal van het atoom dat elektronen vangt en afstoot. Op dergelijke wijze zal Neptunus, en misschien ook Pluto, op zekere dag het zonnestelsel verlaten. Maar evenals in de atomaire wereld, beïnvloedt Pluto en vooral Neptunus op vitale wijze het ‘magnetisme’ van het zonnestelsel en daarom ook het miljarden mijlen ver verwijderde leven hier op aarde.

Oude en moderne onderzoekers van de binnen- en buitenruimte schilderen een even gecompliceerd en fascinerend beeld van ons zonnestelsel. De beelden die de moderne ruimtevaartuigen ons geven van de verzengende woestijnen van Mercurius tot aan de ijzige dampen van Uranus zijn een uitdaging voor de verbeeldingskracht van de aardbewoners om de eenheid van het leven waarnaar al zo lang wordt gezocht, te ontdekken. Zoals bij een prachtige symfonie komen we onder de betovering van de ‘muziek der sferen’ die ons zacht aanspoort onze stem te doen klinken in de eeuwige melodie.

 

Noten

  1. Michael H. Carr, ‘Water on Mars’, Nature, deel 326, 5 maart 1987, blz. 30-5.
  2. K. Frazier, red., Solar System, Planet Earth Series, hfst. 4: ‘Gas Giants and Iceballs’, blz. 115-33.
  3. Bron van het Occultisme, blz. 371.
  4. Vgl. Dialogen van G. de Purucker, blz. 471
  5. De F-ring bevindt zich ongeveer 80.000 km boven de wolkentoppen. De ringen worden niet in alfabetische volgorde, overeenkomstig hun afstand tot de planeet, aangeduid.
  6. Vgl. Dialogen van G. De Purucker, blz. 6.
  7. E.C. Stone en E.D. Miner, ‘The Voyager 2 Encounter with the Uranian System’, Science (233:4759), 4 juli 1986, blz. 39-43.
  8. Een geest in Rape of the Lock van Alexander Pope.
  9. Vgl. Bron van het Occultisme, blz. 360.
 
Andere artikelen over sterrenkunde/kosmologie
 

Uit het tijdschrift Sunrise mrt/apr en mei/jun 1988

© 1989 Theosophical University Press Agency