Deel 1: De zon en de binnenplaneten
Al ontelbare millennia heeft de mens opgezien naar de pracht van de
nachtelijke hemel en de steeds terugkerende vragen gesteld omtrent zijn
plaats in het universele plan. Bij een knappend kampvuur of aan de radiotelescoop,
die vragen zijn dezelfde. Wie ben ik? Hoe past onze eigen planeet in
het flonkerend patroon van de sterren? Is er leven in de schijnbaar
peilloze diepte van de ruimte? Overal op aarde hebben wijze mensen uit
de oudheid de innerlijke ruimte verkend en sleutels verschaft tot deze
verborgen mysteriën. In de laatste twintig jaar van onderzoek van
de uiterlijke ruimte, is de astrofysica dichter genaderd tot veel leringen
van de oude wijsheid, de theosofie, met betrekking tot de aard van ons
heelal – al blijven er nog vele intrigerende vragen over die voor
toekomstige generaties van zoekende zielen een uitdaging vormen.
Volgens de theosofie trilt ieder wiskundig punt in het heelal van leven.
De sterren en hun families van planeten zijn goddelijke wezens die zich
openbaren in titanische krachten en ontelbare vormen, die nu door de
wetenschap worden gecatalogiseerd. Astronomen en fysici nemen waar dat
er in het heelal een volmaakt evenwicht heerst. Volgens sommigen getuigt
dit van de aanwezigheid van bewustzijn en intelligentie in krachten
en vormen, die de stoutste dromen van science fiction overtreffen. Het
heelal is blijkbaar een ontzaglijk groot organisme dat uit vele hierarchieën
en rijken bestaat, die in een grote opmars samenwerken.
Ingewijden in de mysteriën hebben verklaard dat zelfs de verst
ontwikkelde intelligenties op aarde alleen binnen de grenzen van ons
zonnestelsel tot de innerlijke en uiterlijke ruimte kunnen doordringen.
Laten we ons daarom beperken tot de wonderen van ons zonneheelal. We
moeten bedenken, als we onze fantastische reis ondernemen, dat het kleine
in de hele natuur het grote weerspiegelt, dat de structuur en de werkingen
van een atoom of een cel ons de sleutel kunnen verschaffen tot de werking
van een zonnestelsel en tot wat daarachter ligt, de onpeilbare diepte
van de interstellaire ruimte.
Nieuwe technologieën, die in de tweede wereldoorlog werden ontwikkeld,
kondigden het huidige tijdperk van ruimteonderzoek aan. Sinds oktober
1957, toen de Russen de Spoetnik lanceerden als de eerste kunstmatige
satelliet van de mens, zijn er grote vorderingen gemaakt. Amerikaanse
en Russische wetenschappers hebben een grote verscheidenheid van ruimtevaartuigen
gelanceerd om de stralingsgordels rond de aarde te meten, de weersgesteldheid
over de hele wereld te volgen, de röntgen- en gammastralen van
de zon en de andere sterren in de melkweg te meten. Ze hebben ruimtevaartuigen
op Mars en Venus doen landen, die het verborgen gelaat van planeten
ontsluierden, die eeuwenlang een mysterie waren voor de aan de aarde
gebonden astronomen. Neil Armstrongs ‘éne stapje. . .’
op de maan in juli 1969 luidde de eeuw van interplanetair onderzoek
in. In de jaren ’70 en ’80 hebben de Pioneer, Viking en
Voyager ons naar de buitenste grenzen van ons thuisheelal gebracht,
terwijl de Voyager II in augustus 1989, na een bezoek aan Neptunus,
verder de interstellaire ruimte zal binnenvaren.
De wetenschap kent het zonnestelsel als een ordelijke gemeenschap van
negen planeten, 54 manen (daarbij inbegrepen de 10 manen die om Uranus
cirkelen en die in 1986 werden ontdekt), en myriaden asteroïden,
kometen en andere kleine lichamen, waarvan vele zich in een regelmatige
baan om de zon bewegen. Onder de sterren is onze zon niet bijzonder
groot, maar vergeleken met de planeten is hij enorm groot; hij heeft
een middellijn van ongeveer 1.390.000 km., dat is 9,75 maal die van
de grootste planeet, Jupiter. Op hun beurt zijn Jupiter en Saturnus
weer reusachtig vergeleken met de andere planeten; zij hebben een middellijn
van respectievelijk 11 en 9 maal die van de aarde. De afstanden tussen
de zon en de buitenplaneten zijn bijna onvoorstelbaar; Pluto staat in
het aphelium bijna 6 miljard km. van de zon. Nog verder, op een afstand
van één lichtjaar (bijna 9,5 biljoen km.) van de zon,
bevindt zich een zwerm kometen waarvan men aanneemt dat hij het zonneheelal
omgeeft als de doordringbare huid van een cel (de Oort wolk).1
De prachtige en soms ontzagwekkende foto’s die door moderne ruimtevaartuigen
werden genomen, gaan voor ons leven als de woorden van oude wijzen over
de zeven (of twaalf) heilige planeten in de diepten van ons bewustzijn
weerklinken. Theosofische schrijvers zeggen dat het zonnestelsel veel
meer planeten en zonnen bevat dan zichtbaar of aan de wetenschap bekend
zijn. Deze planeten en zonnen zijn voor ons onzichtbaar omdat ze zich
op gebieden van kosmische stof bevinden boven of beneden het terrein
van onze waarnemingen. De zeven planeten waarmee het lot van onze aarde
het nauwst is verbonden, worden de zeven heilige planeten genoemd. Het
zijn Saturnus, Jupiter, Mars, de zon (als plaatsvervanger voor een onzichtbare
planeet heel dicht bij de zon, waarnaar soms wordt verwezen als Vulcanus),
Venus, Mercurius en de maan (ook een plaatsvervanger voor een onzichtbare
planeet). Deze planeten zijn voor ons heilig omdat ze, als bewuste entiteiten,
meehelpen aan de bouw en het daaropvolgende evolutieproces van de aarde.
Er vindt een voortdurende en regelmatige circulatie plaats van elektromagnetisme
tussen de verschillende planeten ‘door en via individuele bewustzijnen
– of dit nu goden, monaden, zielen of atomen zijn – die
in en door de diverse elementen werken en ze in feite samenstellen.’2
Via deze circulaties worden de levensrijken onderhouden door de zevenvoudige
spirituele en andere krachten van de zon. Voorts circuleren de monadische
energieën, die zich in de verschillende rijken belichamen, in ontzaglijk
lange tijdsperioden tussen de zeven heilige planeten, terwijl ze hun
bestemde pad volgen.
Laten we nu een reis beginnen van de portalen van de zon naar de vage
zone van de Oort wolk en kennis nemen van recente ontdekkingen over
ons zonnestelsel in het licht van de theosofische leringen.
De zon: De oude volkeren over de hele wereld vereerden
de zon als het levende hart en de weldoende heerser over zijn familie
van planeten en hun myriaden levens. Ontdekkingen en uitspraken van
de moderne wetenschap getuigen van krachten en wonderen die passen bij
het stralende gewaad van een zonnegodheid. De meeste geleerden zijn
nu van mening dat de zon een zichzelf onderhoudende nucleaire oven is,
gevoed door de fusie van waterstofatomen in helium, welk proces nauwkeurig
in evenwicht wordt gehouden doordat de massa van de zon, als gevolg
van de zwaartekracht, wordt samengeperst. Men neemt aan dat veranderingen
in het magnetisch veld van de zon in cyclussen van 11 en 22 jaar de
zonnevlekken veroorzaken: gigantische scheuren of openingen waardoor
zonnevlammen duizenden mijlen ver de ruimte inschieten. Veel sterren,
waaronder onze zon, vibreren als reusachtige klokken, die alle hun eigen
toon doen klinken in de ‘muziek der sferen’.
De oude wijsheid verklaart dat de zon een zichzelf onderhoudende energiebron
is voor de zichtbare en onzichtbare rijken waarvan zijn domein vol is.
Hij is tegelijkertijd het levende hart en brein van zijn rijk, dat klopt
in een 11-jarige cyclus, waarbij hij stromen van levenskracht door de
zonnevlekken uitstort via zijn circulatiesysteem. De theosofie, die
de oude mythen bevestigt, zegt dat de zichtbare zon slechts de weerspiegeling
is van een stralende hemelse entiteit of god. Deze zonnegodheid stort
vanuit de innerlijke gebieden van zijn wezen zijn levenskrachten uit,
en schept en onderhoudt daardoor een gebied van ervaring voor ontelbare
evoluerende entiteiten gedurende onmetelijke tijdsperioden.
Deze heilige waarheid werd op prachtige wijze samengevat door de barden
van het oude India in hun Invocatie aan de zon, de Gayatri:
Ontsluier, O Gij die levenskracht schenkt
aan het heelal, van wie alles uitgaat,
tot wie alles terugkeert,
Het aangezicht van de ware zon, dat nu verborgen
is in een vaas van gouden licht,
Opdat wij de waarheid mogen kennen en onze
plicht
geheel vervullen op onze reis naar uw gewijd verblijf.
(parafrase)
Vulcanus: De theosofie leert dat een van de heilige
planeten haar baan heeft tussen Mercurius, die de astronomen als de
dichtst bij de zon staande planeet beschouwen, en de zon. Al vele eeuwen
lang is deze planeet voor ons onzichtbaar, maar kan in de toekomst,
naarmate onze geestelijke waarnemingsvermogens groeien, zichtbaar worden.
Er wordt gezegd dat ze een keer is waargenomen door de Franse plattelandsdokter
en amateur-astronoom Lescarbault op 28 maart 1859. De Franse astronoom
Le Verrier onderzocht 50 waarnemingen, waarvan hij er 6 betrouwbaar
achtte. In 1878 zagen Amerikaanse astronomen ook een donker lichaam
dat voorbij het oppervlak van de zon trok. Veel astronomen betwisten
nu deze waarnemingen, die zij toeschrijven aan asteroïden die nu
en dan langs de zon trekken. Maar een ander bewijs, zoals storingen
in de baan van Mercurius, doet vermoeden dat er inderdaad een planeet
kan zijn tussen laatstgenoemde en de zon, een van de vele onzichtbare
werelden van het zonneheelal die volgens de theosofie bestaan.
Mercurius: Volgens G. de Purucker is de afstand van
een planeet tot de zon een aanduiding van haar evolutiestadium. ‘De
basisregel is als volgt: hoe dichter bij de zon, des te verder de planeet
is gevorderd in haar evolutie en daarom des te hoger de daarop levende
wezens zijn ontwikkeld.’3 De ruimtewetenschap
constateert dat hoe dichter de planeten bij de zon staan, des te dichter
en vaster zijn ze vergeleken met de enorme en grotendeels gasachtige
buitenplaneten. Mercurius, die van de zichtbare planeten het dichtst
bij de zon staat, was het onderwerp van een intens kritisch onderzoek
door het ruimtevaartuig Mariner 10, in maart 1974. De camera’s
van de Mariner onthulden een kale, rotsachtige, dicht met kraters bezaaide
planeet met een dichtheid die overeenkomt met die van de aarde. Andere
instrumenten wezen aan dat Mercurius midden op de dag verzengende temperaturen
moet doorstaan, tot zelfs 800°F (heet genoeg om zink te doen smelten!),
terwijl de lage aan de donkere zijde kunnen dalen tot -300°F.
Bij veel volkeren uit de oudheid was Mercurius nauw verbonden met de
leringen van de mysteriën omtrent de toestand na de dood. De Grieken
noemden haar Hermes, de gids van de mystici en de begeleider van de
zielen naar de onderwereld. Volgens de theosofie is Mercurius, die zo
dicht bij de zon staat, bezig om na een lange periode van rust over
te gaan in de laatste of zevende ronde van haar levenservaring.
Venus: Mystici en astronomen spreken over Venus als
de ‘tweelingzuster’ van de aarde, en de theosofie ziet een
nauwe verwantschap tussen hen. Mythografen en dichters hebben zich door
de eeuwen heen in lyrische termen uitgelaten over onze schitterende
morgen- en avond‘ster’. Het Sovjet ruimtevaartuig Venera
7 in 1970, de U.S. Mariner 10 in 1974 en vier Sovjetlandingen in 1975
en 1982 geven ons een beeld van een ongastvrije wereld: dagtemperaturen
van 900°F; dikke wolken van kooldioxyde en regens van zwavelzuur
slaan tegen de kale rotsachtige oppervlakte met een atmosferische druk
die 90 keer zo groot is als die van de aarde! Het U.S. ruimtevaartuig
Pioneer Venus, dat in 1978 in een baan rond de planeet ging, bracht
haar oppervlak in kaart door de verduisterende wolken heen en onthulde
dat Venus een landschap heeft dat niet veel verschilt van dat van de
aarde, maar dat haar oceanen sinds lange tijd zijn verdwenen. Geweldige
vulkanen domineren een enorme vallei bij de equator, en op het noordelijk
halfrond torent een gigantische vulkaan 11.000 meter boven een uitgedroogde
vlakte.
Hoewel Venus misschien de antithese schijnt van een levendragende planeet,
moeten we niettemin openstaan voor het denkbeeld dat elke planeet haar
eigen evolutiegeschiedenis heeft en levensvormen kan hebben ontwikkeld
in wat voor ons een dodelijke omgeving is. Zo wordt er in de theosofische
literatuur gezegd dat Venus wordt bewoond door hoogst intelligente entiteiten,
die zich evenzeer thuisvoelen in hun atmosfeer als wij in de onze; en
dat zij zich momenteel in haar zevende ronde van planetaire ervaring
bevindt, terwijl de aarde in haar vierde ronde is.
Aarde en maan: Na de zwavelzuurregens en de schroeiende
hitte van Venus is het een verademing de blauwe oceanen en de warme
groene wouden van onze moeder aarde te begroeten. De oude wijsheid leert
dat de aarde wordt achtervolgd door een spookachtig overblijfsel van
haar vroegere belichaming, de maan. De maan is intensief door ruimtevaartuigen
bestudeerd, en een reeks van bemande landingen in de jaren zestig en
het begin van de jaren zeventig bevestigen wat de theosofie ons vertelt,
dat het een dode wereld is die in een proces van langzame ontbinding
verkeert. Emanaties van de maan bewegen zich naar de aarde en hebben
grote invloed op de groei en het verval van het leven op aarde, zoals
de mythen van de oude wereld getuigen. In een baan dicht bij de maan
bevindt zich nog een onzichtbare planeet, die soms de achtste sfeer
of de planeet van de dood wordt genoemd. Deze planeet heeft zo’n
dichtheid dat wij haar niet kunnen zien en dient als een vergaarbak
van negatieve invloeden van de aarde, ongeveer zoals de riolering en
het afwateringssysteem van een grote stad.4
Onze reis heeft ons tot de grenzen van het binnengebied van het zonnestelsel
gebracht. Buiten de aarde bevinden zich Mars en de gigantische gasachtige
planeten en komeetachtige overblijfselen van de vorming van ons zonnestelsel.
Als we met ontzag opzien naar de wonderen van onze naburige werelden,
vastgelegd op dramatische foto’s door onze ruimtevaartuigen, krijgen
we nieuwe perspectieven op onze problemen hier op aarde. Onze persoonlijke
zorgen wijken verhoudingsgewijs voor de machtige en tijdloze werken
van de universele natuur. We kunnen nederig zijn en ons toch verheven
voelen, wetende dat wij onze rechtmatige plaats innemen te midden van
de verwonderlijke broederschap die aan de nachtelijke hemel fonkelt.
Noten
- Zie K. Frazier, Solar System, Planetary
Earth Series, blz. 36, 40.
- G. de Purucker, Bron van het Occultisme,
blz. 355.
- Op.cit., blz. 363.
- Op.cit., ‘De planeet van de dood’,
blz. 385-8.