Occultisme en broederschap
J.P. Brakel

 

Samenvatting van een toespraak gehouden op de Landelijke Bijeenkomst van het Theosofisch Genootschap (Pasadena) te Apeldoorn, 26 september 1987.


 

Een rechtstreeks verband tussen occultisme en broederschap is misschien niet direct duidelijk. Bij nadere beschouwing is dit verband echter heel duidelijk. Als de occultist geen altruïst is, bedacht op de belangen van anderen, dan is het gevaar groot. Want wat leeft er in het hart van de occultist? Gaat het om macht over anderen om eigen voordeel te behalen? Of is hij ervan overtuigd dat de grote problemen slechts kunnen worden opgelost doordat mensen op onzelfzuchtige wijze met elkaar samenwerken? In dat geval is de weg open voor de natuurlijke ontplooiing van onze hogere vermogens, zodat de mens een zegen voor zijn medemens zal zijn in plaats van een plaag.

Hoe kunnen we uit de veelheid van aanbiedingen die ons bereiken de juiste keus maken? Het ligt voor de hand dat we die keus zelf zullen moeten maken en dit niet door een ‘geestelijk’ adviseur moeten laten doen. We zullen bij onszelf te raden moeten gaan. Ons verstand kan ons daarbij helpen, maar veel meer nog onze intuïtie. Het gaat erom welk deel van ons actief is bij het maken van onze keuze. Is het een lager deel, dan zal de keus vallen op beperkte ideeën zonder universele gedachten of visie, emotioneel en op de stof gericht. De hogere intuïtie schuwt sektarisme en is niet gebonden aan benauwde denkpatronen van het brein, maar zoekt naar de levengevende adem van de geest. Als deze keuze wordt gemaakt, kan de mens een ware occultist worden, want de zuivere intuïtie is onpersoonlijk en een veilige leidraad voor het ontwaken van het bewustzijn. Uit dat hogere bewustzijn komen de hogere impulsen die ons rekening doen houden met de belangen van anderen en die er ons in het dagelijks leven toe aanzetten ons met een zekere behoedzaamheid te bewegen, waardoor we in staat zijn de soms ongewilde fouten van anderen op te vangen (denk eens aan het verkeer als een zeer praktisch voorbeeld!). Dit is broederschap in de ware zin van het woord. Het klinkt misschien overdreven te zeggen dat broederschap pas een deel van het dagelijks leven kan worden als we proberen occultisten te worden. Aan de andere kant is het niet mogelijk een occultist te zijn zonder broederschap in praktijk te brengen.

Dit is zeker geen sentiment of een theorie; het heeft te maken met het leven van dag tot dag en van moment tot moment. We hoeven slechts kennis te nemen van wat er om ons heen gebeurt om te weten dat een radicale verandering in denken nodig is om tot een verlichting van het lijden in de wereld te komen. De leer die daarbij een leidende rol kan spelen is die van de Boeddha: het geweldloze en het mededogen voor al wat leeft. Ik denk dat het de meest innerlijke boodschap van het occultisme is. Het is de leer van het hart, zonder het intellect te verwaarlozen.

‘Occult’ betekent ‘verborgen’, en eeuwenlang is de oude wijsheid in die zin verborgen geweest – niet om te verbergen waar de mensheid recht op heeft, maar louter en alleen om haar te beschermen tegen misbruik. Het verwerven van kennis betekent altijd uitbreiding van macht, en er is een lange weg van training en beproefd worden nodig om de kandidaat geschikt te maken de verantwoordelijkheid van meer kennis veilig te laten dragen. Het grote gevaar is zelfzucht, zoals tegen A.P. Sinnett werd gezegd door KH, zijn geestelijke mentor:

Misschien kunt u onze bedoeling beter begrijpen als u hoort dat, naar onze mening, de hoogste aspiraties voor het welzijn van de mensheid worden besmet door zelfzucht, indien er in de geest van de filantroop ook maar een greintje verlangen naar eigen voordeel schuilt of de neiging onrecht te doen, zelfs al is dat onbewust. Toch hebt u het steeds over het laten vallen van de gedachte van universele broederschap, u hebt het nut ervan in twijfel getrokken en geadviseerd de TS te reorganiseren tot een college voor de speciale studie van occultisme. Dit, mijn gewaardeerde en geachte vriend en Broeder – zal nooit gaan!
      – De Mahatma Brieven aan A.P. Sinnett, blz. 8-9

Het occultisme heeft een lange geschiedenis en heeft altijd mensen gefascineerd. Het is een drang van binnenuit om te zoeken naar de onbekende diepten die elk mens in zich voelt. Hoe moeilijk wordt het echter onderscheid te maken tussen het ware en het pseudo-occultisme. Weten we ons te wenden tot ons hogere zelf, het onsterfelijke deel in ons, dan zal dat een weldadig effect hebben en inzicht geven en nieuwe inspiratie. Dit geeft tegelijkertijd toegang tot de ware deur van de mysteriën. Slagen we er niet in ons te wenden tot die onuitputtelijke bron die in ons beschikbaar is en komen we onder de invloed van het lager zelf, dan zullen we voortdurend moeten herhalen wat we niet willen leren, zoals dat wel gebeurt in een boze droom. Als we proberen een uitweg te vinden, dan komen we in een doolhof terecht waarvan de uitgang moeilijk te vinden is. H.P. Blavatsky drukt het in het kort zo uit:

Er is maar één praktisch geneesmiddel . . . Het klinkt heel eenvoudig, maar is uitzonderlijk moeilijk; want dat geneesmiddel is ‘Altruïsme’.
     – H.P. Blavatsky aan de Amerikaanse Conventies, 1888-1891, blz. 30

Uit dit alles kunnen we afleiden dat de gedachte van universele broederschap eerst komt en pas daarna de studie van het occultisme. De mens moet gevaarloos zijn voor zijn medemens en voor alles wat leeft.

We leven in een tijd waarin wetenschap en filosofie elkaar steeds meer naderen. Zoals men op het ogenblik in staat is in enkele centimeters ruimte miljoenen gegevens vast te leggen en gereed te houden voor onmiddellijk gebruik, zo zien we dat een andere discipline op weg is steeds verder door te dringen in wat we de menselijke chip zouden kunnen noemen. We ontdekken dat deze tot veel ontzagwekkender prestaties in staat is, omdat de gegevens die opgeslagen liggen in het DNA praktisch onuitputtelijk zijn. Het is de kern van elk levend organisme en voor het blote oog onzichtbaar.

Hiermee is niet bedoeld dat het innerlijke wezen van de mens ontdekt kan worden op het gebied van de fysica, al staat het in elk geval vast dat we een wonderlijke tijd tegemoet gaan, waartoe het technisch kunnen van heden slechts een inleiding is. Maar wat baat het ons als we feilloos naar de maan kunnen reizen of onze vakantie kunnen doorbrengen op een eiland in het heelal, als we niet in staat zijn hier op aarde in onze medemens een broeder te herkennen? Of niet in staat zijn tot een handreiking aan een medereiziger die vermoeid langs de weg is neergevallen, of niet bereid zijn te vergeten dat ons onrecht is aangedaan?

Dat alles is veel belangrijker dan alle technische vooruitgang, want we zullen eeuw na eeuw met elkaar op deze aarde moeten optrekken om er een wereld van te maken waarin de menselijke waardigheid volledig tot ontplooiing kan komen. Dan zal er eerbied zijn niet alleen voor het leven van de mens, maar voor alles wat leeft. Wat Plotinus zei bevat de essentie van waar het om gaat: ‘De roeping van de mens is het goddelijke in hem in harmonie te brengen met het goddelijke in het heelal.’

Zodra broederschap een diepere betekenis krijgt, zullen we ook ophouden de planeet te misbruiken. We zullen stoppen met het omhakken van uitgestrekte wouden en daarmee de longen beschadigen van de aarde met op den duur ernstige gevolgen voor alles wat leeft en ademt. En langzamerhand weten we dat er een allesdoordringende polsslag is die door het hele universum voelbaar is, tot zelfs in de z.g. inerte rijken waar leven nauwelijks waarneembaar is. Alles ademt in en uit, en in dit universele proces van voortdurende uitwisseling liggen eindeloze mogelijkheden tot groei die in de lagere rijken min of meer automatisch plaatsvindt; in de hogere rijken in toenemende mate bewust, zoals bij de mens. En dan kan de vraag gesteld worden, wat stellen wij van dag tot dag of liever van minuut tot minuut voor uitwisseling en tot zuivering van de gedachteatmosfeer beschikbaar? Een vraag die ieder alleen maar voor zichzelf kan beantwoorden.

Een ander onderwerp dat eveneens nauw met broederschap te maken heeft, is het feit dat een betere verdeling van de materiële welvaart op deze aarde heel belangrijk is. Elk mens heeft recht op een redelijk leven. Echter nog veel belangrijker is de geestelijke welvaart, een welvaart die betrekking heeft op de totale mens, zowel innerlijk als uiterlijk.

Het is duidelijk dat we een nieuw tijdperk zijn binnengegaan dat nog dagelijks aan kracht wint. Zoals een kind groeit naar volwassenheid, of van onbewust naar bewust waarnemen, zo is ook de gang van de mensheid als geheel. Ons bewustzijn is als een web. De geringste aanraking veroorzaakt een trilling die door het hele netwerk wordt gevoeld. Op universele schaal wil dit zeggen dat alles met alles is verbonden en er niets kan gebeuren dat niet in alle uithoeken van het heelal wordt waargenomen of gevoeld. In de mensenwereld betekent dit dat alles wat we doen en laten om ons heen wordt gevoeld en wij een grote mate van verantwoordelijkheid dragen voor elkaar.

Zoals we zien hoe er in alle takken van wetenschap een erkenning begint door te breken dat alles met alles is verbonden en niets geheel op zichzelf staat, zo breekt eveneens in ons denken een lichtstraal door die het innerlijk van de mens verlicht en hem doet realiseren een onmisbaar kruispunt te zijn in het kosmische web. Dat wetende kunnen we beter ophouden elkaar te bestrijden, en ter voorkoming van onbeschrijfelijk leed beter vandaag dan morgen erkennen dat universele broederschap een feit is in de natuur.

 
Andere artikelen over broederschap
 
Andere artikelen over occultisme
 

Uit het tijdschrift Sunrise sep/okt 1988

© 1989 Theosophical University Press Agency