De studie van de geschiedenis is geworteld in ons begrip van de mens
en het heelal. Feiten op zich hebben geen enkele betekenis totdat we
ze rangschikken, met elkaar in verband brengen, en vaststellen wat belangrijk
of onbelangrijk is, wat de oorzaken en de gevolgen zijn, en wat niet
met elkaar samenhangt. De redactiepagina’s van diverse kranten
tonen duidelijk de verschillende conclusies die kunnen worden getrokken
uit dezelfde feiten, afhankelijk van de opvattingen van de waarnemer.
Op alle gebieden van kennis spelen interpretaties een overheersende
rol. In de regel accepteren historici heersende meningen in de natuur-
en biologische wetenschappen als axioma’s, in mindere mate in
sociale wetenschappen zoals economie, psychologie en antropologie. Daartoe
behoren veronderstellingen als de geleidelijke evolutie van de mens
uit het dierenrijk, het materialisme als de enige aanvaardbare grond
voor verklaringen, en de werkelijkheid als een toevallige schikking
van stof en energie – opvattingen die een weerspiegeling zijn
van ideeën van de negentiende eeuw.
De Geheime Leer van H.P. Blavatsky geeft een beeld van de
mens en de kosmos dat radicaal verschilt van wat in haar tijd gangbaar
was. Het beschrijft in grote lijnen fundamentele ideeën uit de
wijsheid-religie van de oudheid, die door vele overleveringen van de
mensheid worden bevestigd en die ze vergelijkt met de negentiende-eeuwse
wetenschap en religie. Tot de meest fundamentele uitgangspunten behoren
de spirituele grondslag van het heelal en van alles wat daarin is, de
cyclische openbaring van alle eindige dingen, en de universaliteit van
bewustzijn, leven en materie. Uit een onkenbare bron kwam de kosmos
tevoorschijn voor zijn periodiek bestaan, de openbaring van een goddelijk
levenscentrum. Hetzelfde kan worden gezegd van een zonnestelsel, een
planeet, een mens, of een atoom. Het zijn alle spirituele individualiteiten
die zich cyclisch bewegen door verschillende gebieden van stoffelijk
bestaan. Elk ontwikkelt uit zichzelf zijn eigen goddelijke mogelijkheden:
een pelgrim op een eonenlange reis door de vele vormen van ervaring
die de kosmos biedt.
In deze visie is de aarde een levend, bewust geheel, en de mensheid
is één deel van dit stelsel van levens, met elkaar verbonden
in een veelomvattend evolutieproces dat zowel psychologisch, spiritueel
als stoffelijk is. In diepste wezen komt ieder mens uiteindelijk voort
uit diezelfde onkenbare bron en is daarom onvernietigbaar; hij heeft
een oneindig verleden en een oneindige toekomst. Wij zijn niet de eerste
mensheid die onze planeet bevolkt, en deze aardbol is ook niet de eerste
belichaming van de aarde. Onze geschiedenis gaat terug tot vroegere
belichamingen van de aarde, en nog verder terug, verder dan we ons kunnen
voorstellen. Toen de aarde zich vormde, waren de spirituele individualiteiten
die de kern zijn van ieder mens al aanwezig. Ze gingen door de vormen
van de minder ontwikkelde rijken en bouwden stoffelijke voertuigen op
die eens tot woning zouden kunnen dienen voor de denkende, strevende
mensheid. Er bestaat inderdaad een stoffelijke evolutie, maar de drang
daartoe komt van binnenuit, niet in de eerste plaats uit het milieu
of uit de stof zelf. De vormen ontwikkelen zich om uitdrukking te geven
aan de spirituele, mentale en emotionele energieën die zich steeds
vollediger trachten te manifesteren. Die evolutie neemt een lange tijd
in beslag. Voor het denken actief is, moet het werken op grond van niet-zelfbewuste
natuurlijke impulsen, geleid door de invloeden van die natuurrijken
die al bewust deel kunnen nemen aan het evolutieproces.
Omdat de mensheid deel uitmaakt van grotere entiteiten met eigen levensprocessen
en een eigen evolutie, voltrekt het menselijk gebeuren zich niet in
een vacuüm. De menselijke evolutie volgt een patroon ontleend aan
de levenscyclus van de planeet en het zonnestelsel. Als gevolg van deze
invloeden zijn er in het menselijk bestaan processen die duizenden of
miljoenen jaren in beslag nemen om te worden voltooid. De oude volkeren
spraken bijvoorbeeld over vier grote tijdperken (de gouden, zilveren,
bronzen en ijzeren eeuw) of vier yuga’s, die zich cyclisch herhalen.
H.P. Blavatsky spreekt over verscheidene grote rassen of evolutionaire
uitdrukkingsvormen van de mensheid, waarvan er vier zijn voorafgegaan
aan de huidige wereld-mensheid en waarvan er twee na ons zullen volgen.
Deze grote ras-cyclussen zijn verbonden met de levenscyclus van de aarde
en met de zeven heilige planeten van de ouden. Daarom hebben de aarde
en het zonnestelsel een enorme invloed op de loop van de menselijke
geschiedenis.
Misschien wordt de grootste invloed op onze geschiedenis uitgeoefend
door het ingeboren goddelijke beginsel in ieder mens. Als uitdrukking
van een goddelijke levenskern of monade vormt ieder mens de culminatie
van de door die monade opgedane ervaringen. We komen in dit leven met
onze individuele karmische geschiedenis, die voor ons de aantrekking
vormt tot een bepaalde plaats of tijd, en die tot uitdrukking komt in
ons leven. Ons lichaam is gevormd uit atomaire levens die al eerder
met ons waren verbonden; onze mentale en emotionele natuur vormt zich
ook doordat we kenmerkende elementen aantrekken die we afwierpen bij
onze laatste dood. Omdat het collectieve en individuele karma van mensen,
waar en wanneer ook, de fundamentele oorzakelijke factor is, kan het
menselijk gedrag niet uitsluitend worden verklaard uit milieu- of erfelijkheidsfactoren,
de economie, de sociologie, politiek, geografie, biologie of de genetica,
zoals geschiedschrijvers in het algemeen proberen te doen. Bovendien
is het menselijk leven geen kwestie van toeval, want de mensen die tot
een bepaald tijdperk of een bepaalde cultuur behoren, brengen hun voornaamste
eigenschappen mee uit vorige levens en reageren ook op aardse en zonnecyclussen.
Een ingewikkelde wisselwerking van cyclussen, van individueel karma
en van vrije wil ligt ten grondslag aan de oorzaken van gebeurtenissen.
Al vergt het jaren of mensenlevens van studie en zelfloutering om een
bepaalde diepere kennis van karma en cyclussen te verwerven, we kunnen
de fundamentele oorzaken niet ontkennen of negeren alleen omdat we ze
niet onmiddellijk kunnen zien. Dat lijkt op een poging de structuur
van een gebouw te verklaren zonder aandacht te schenken aan de fundamenten
of de verborgen delen van de bovenbouw.
In strijd met wat de wetenschappelijke theorie verkondigt, is de mens
niet slechts een hoogontwikkeld dier. Fysiek hebben we een dierlijk
lichaam, en psychologisch zijn we als menselijke wezens verre van volmaakt;
niettemin zijn we menselijk omdat we in evolutie-tijdperken in het verleden
in onszelf het vermogen hebben ontwikkeld de mentale en psychologische
eigenschappen van het menszijn tot uitdrukking te brengen. We zijn verder
ontwikkeld dan het dierenrijk en zullen ons daarvan steeds verder verwijderen
naarmate onze groei zich voortzet. Ook de mens uit het verleden was
geen dier. Wat maakt ons tenslotte tot mens, dier, god of mineraal?
We baseren ons oordeel gewoonlijk op het lichaam, maar het is de innerlijke
ontwikkeling die bepaalt wat we zijn. De mensheid heeft vele soorten
lichamen gekend sinds de aarde werd geboren, en op deze bol heeft de
mensheid vele vormen aangenomen, waarvan sommige door H.P. Blavatsky
zijn beschreven, zoals bijvoorbeeld een enorme op een zak lijkende vorm
van wat eerder astrale dan fysieke stof is. De mens bestond vele miljoenen
jaren in een niet-stoffelijke vorm, verstandelijk nog niet ontwaakt,
maar hij nam toch deel aan het leven van de aarde en haar andere natuurrijken,
terwijl hij geleidelijk verstoffelijkte om de stoffelijke dichtheid
van de omringende bol te evenaren.
H.P. Blavatsky spreekt over de lange fysieke ontwikkeling die noodzakelijk
was om een lichaam voort te brengen dat de mentale en spirituele krachten
van een mens tot uitdrukking kon brengen. Toen eenmaal het stoffelijk
instrument gereed was, voltrok de ontwikkeling van het menselijk denkvermogen
zich niet op dezelfde langzame evolutionaire manier. Integendeel, wezens
die al verder waren ontwikkeld dan het menselijke stadium en die karmisch
met ons waren verbonden, wekten onze latente mentale vermogens in overeenstemming
met onze individuele mogelijkheden. Deze gebeurtenis leeft voort in
de herinnering van de hele wereld – hetzij als de incarnatie van
goddelijke wezens of als het schenken van het vuur van het denken –
want het was de eerste echte uiting van ons menszijn. Deze prometheus-achtige
wezens incarneerden rechtstreeks in de weinige meest gevorderde leden
van de mensheid, stimuleerden het middendeel van de mensheid en beïnvloedden
nauwelijks de minst gevorderden die nog niet zo ver waren om vooruit
te gaan. De rechtstreekse incarnaties waren als goden onder de mensen,
die het hele menselijke ras verlichtten met de spirituele uitstraling
van hun wezen. Zij werden onze goddelijke leraren, deelden met de ontwakende
mensheid hun kennis van landbouw, kunsten en wetenschappen en de spirituele
werkelijkheden van de natuur, die tot ons zijn gekomen in de vorm van
mythen en religies van iedere cultuur en uit iedere windstreek. Deze
vroege tijden in de menselijke ontwikkeling waren een soort kinderlijke
gouden eeuw, voordat het volledig ontwaken van het denkvermogen en de
voortgaande verstoffelijking van de mensheid ons afsneden van de rechtstreekse
kennis van ons geestelijk zelf en van meer verheven levensvormen.
Op deze manier ontstonden beschavingen veel sneller dan mogelijk zou
zijn geweest als de mensheid haar vermogens zonder hulp had moeten ontwikkelen.
H.P. Blavatsky plaatste deze gebeurtenis, in overeenstemming met de
archaïsche gegevens, ongeveer 18 miljoen jaar geleden. Tussen die
tijd en het begin van de opgetekende geschiedenis zouden vele grote
beschavingen en rassen hebben gebloeid en zijn verdwenen, terwijl alle
bewijzen van wat ze tot stand brachten zijn verdwenen door geologische
krachten: vulkanisme, aardbevingen, zondvloeden, woestijnvorming, en
bewegingen en overstromingen van landmassieven. Van het grootste deel
van de geschiedenis van de mens hebben we geen optekeningen en de datering
van oude overblijfselen wordt door H.P. Blavatsky in twijfel getrokken.
Onze datering draagt nog altijd het stempel van het bijbelse schema
van 6.000 jaar, dat is teruggedrongen door een wetenschap die nog steeds
aanneemt dat de mens een recente verschijning is en de beschaafde mens
een kwestie van een paar duizend jaar. Blavatsky’s ruimere kijk
op de geschiedenis verwerpt, in overeenstemming met de oude overleveringen,
de gedachte dat verscheidene duizenden jaren geleden alle mensen nog
eenvoudige lieden waren die leefden van de jacht en van wat de natuur
verschafte. Sinds het ontwaken van het denkvermogen waren er beschavingen
van verschillende hoogten die gelijktijdig over de hele wereld bestonden.
Er zijn miljoenen jaren geleden, in plaats van simpelweg duizenden jaren,
hoge stoffelijke en spirituele beschavingen geweest, terwijl er ook
zelfs nu nog primitieve culturen bestaan. We kunnen niet aannemen dat
onze voorouders allemaal even primitief waren; in feite waren wij
die voorouders. De mensheid ontwikkelt zich gedurende lange tijdsperioden,
sterk beïnvloed door aardse cyclussen. Maar deze ontwikkeling van
het ras wordt bereikt door herhaalde reïncarnatie van individuele
mensen, niet in de eerste plaats door het doorgeven van kennis van generatie
aan generatie. De sleutel ligt in de evolutie van individuele zielen,
niet van beschavingen. We moeten open blijven staan voor de mogelijkheden
van vroegere beschavingen – en deze volkeren niet los zien van
onszelf, of te voorbarig oordelen over wat zij hebben kunnen bereiken.
Dat oude symbolen en overleveringen evengoed menselijke kennis belichamen
als de oorspronkelijke spirituele openbaring aan de jonge mensheid,
maakt ze tot voorwerp van serieuze bestudering. Sinds Heinrich Schliemann
de werken van Homerus als geschiedschrijving aannam en daardoor de overblijfselen
van Troje, Mycene en Kreta ontdekte, worden mythen en heldenverhalen
beschouwd als mogelijke bronnen van historische informatie. Maar behalve
dat deze overleveringen gebeurtenissen vastlegden, belichamen ze ook
wetenschappelijke, astronomische, mystieke en geografische kennis van
de oude wijzen.* H.P. Blavatsky vestigde de aandacht op vele overleveringen
die de wereld kent, en toonde aan wat ze aan wetenschappelijke, historische
en filosofische informatie bevatten en dat ze in essentieel opzicht
overeenstemmen. Als. die zouden worden bestudeerd als beschikbare bronnen
van kennis in plaats van als ongefundeerde speculaties, dan zouden geschiedschrijvers,
archeologen en natuurkundigen zonder twijfel heel wat bruikbare sleutels
vinden die hen bij het zoeken van informatie en het interpreteren van
gegevens zouden kunnen helpen.
*Zie De maskers
van Odin van Elsa-Brita Titchenell en Esotericism of the
Popol Vuh van R. Girard voor interpretaties van de verschillende
betekenissen achter de traditionele heldendichten van twee beschavingen,
de Oud-Noorse en die van de Maya’s.
In het licht van De Geheime Leer zien we dat de geschiedenis
van de mensheid niet kan worden bestudeerd los van de geschiedenis van
de aarde als een levend wezen, of de geschiedenis van de verschillende
andere natuurrijken. Die vormen in feite het kader waarbinnen de geschiedenis
van de mens zich voltrekt en de bepalende factor voor de menselijke
cyclussen. Zoals onze persoonlijke relaties worden ontsierd door de
scheidsmuren die we tussen mensen waarnemen, zo lijdt de hedendaagse
studie van de geschiedenis onder het feit dat we de mensheid scheiden
van de rest van de planeet en het zonnestelsel. Als we ons bovendien
zo uitsluitend concentreren op het stoffelijke dat we weigeren het goddelijke
te zien als de achtergrond van het bestaan, dan verminkt dat onze opvattingen
over de mens en de natuur. We ontzeggen ons onze grootste mogelijkheden
en zien onszelf en onze voorouders als hoogontwikkelde apen in plaats
van als wezens met een enorm geestelijk erfgoed achter ons. Als we inzien
dat het goddelijke de werkelijkheid is en de stof de afspiegeling, dan
geeft dat een ander perspectief aan het menselijk leven en het doel
van de menselijke evolutie. We erkennen dan ook dat de opgetekende geschiedenis
slechts een klein fragment is van de totale geschiedenis van zelfs de
beschaafde mens, en dat er waarheden verborgen liggen in mythen, legenden
en religieuze overleveringen die vanuit de oudheid tot ons zijn gekomen
– overleveringen die spirituele, fysiologische, historische, astronomische,
mystieke en geografische feiten belichamen in plaats van domme speculaties
en fantasieën.
Geschiedenis is een empirische studie en geschiedkundigen kunnen hun
conclusies niet baseren op onbevestigde gegevens. Gezaghebbende uitspraken,
channeling, regressie, psychische ervaringen, helderziendheid, en openbaringen,
hoewel soms juist, zijn geen betrouwbare bronnen van informatie, tenzij
ze onafhankelijk zijn bevestigd. Er is zoveel ruimte voor zelfmisleiding
en dwaling, de gevallen van regelrecht bedrog nog daargelaten. De
Geheime Leer beïnvloedt niet zozeer de feiten van de geschiedenis
als wel de standpunten in het denken van de historicus waarop zijn oordeel
en interpretatie berust. Al onze kennis is voor het grootste deel theoretisch
en hypothetisch, gebouwd op axioma’s omtrent de aard van het heelal
en zijn bewoners. Door het materialisme te doorbreken, dat zijn hoogtepunt
bereikte in de negentiende eeuw – maar dat nog steeds de mensheid
in zijn greep houdt – en door fundamentele begrippen van de archaïsche
geheime leer in moderne termen naar voren te brengen, kan het werk van
H.P. Blavatsky leiden tot een nieuwe waardering en een verruimd begrip
van ons menselijk verleden.