De bijdrage van Pythagoras
I.M. Oderberg

 

Boekbespreking: The Pythagorean Sourcebook and Library: An Anthology of Ancient Writings Which Relate to Pythagoras and Pythagorean Philosophy, red. Kenneth Sylvan Guthrie, Phanes Press, Grand Rapids, Michigan, 1987; 361 blz., paperback.


 

Vanuit een ver verleden vloeit de stroom van oude wijsheid. Soms zijn de sporen van het bestaan ervan duidelijk waarneembaar, in andere tijden, als het dogmatisme de boventoon voert, loopt de stroom ondergronds en blijven haar schatten in teksten of fragmenten voor de mensheid van de toekomst bewaard in oude culturen. In geestelijk arme tijdperken zijn het eenlingen die als bakens uit de duisternis naar voren treden.

Iemand wiens licht al duizenden jaren schijnt is Pythagoras, de Griekse filosoof uit de zesde eeuw v.Chr., die we uit onze schooltijd het best kennen als wiskundige en door zijn formulering van de stelling van de rechthoekige driehoek. Wat hij leerde had echter nog een andere kant, namelijk de ontwikkeling en training van het karakter. Hoewel we geen geschriften van hemzelf bezitten, getuigen die van zijn naaste leerlingen en latere volgelingen van de kwaliteit van zijn leven en leringen, die zijn persoon hebben overleefd.

Plato schrijft bijvoorbeeld dat er van Homerus niet bekend is dat hij

net als Pythagoras, leiding gaf aan een groep vertrouwde discipelen, die van hem hielden om de inspiratie van zijn gezelschap en . . . zijn levenswijze, die de pythagoreeërs noemden naar hun stichter en die hen tot op deze dag onderscheidt van de rest van de wereld . . .
      – De Staat, Boek 10

Pythagoras werd in Samos geboren en reisde veel rond op zoek naar wijsheid. Hij vestigde zich ca. 530 v.Chr. in Crotona, een Griekse kolonie in Italië, en verzamelde daar spoedig discipelen om zich heen die zich wijdden aan de studie van kosmologie, natuurwetenschap en filosofie. Zij concentreerden zich op ethische, morele en maatschappelijke verhoudingen, waarbij de nadruk werd gelegd op persoonlijke karaktervorming, ascetisme, matigheid in alles, en dienstbaarheid aan het algemeen welzijn. Na verloop van tijd brak er een revolutie uit in Crotona en viel de pythagorische gemeenschap uiteen. De overdracht van de ideeën ging door tot ongeveer het midden van de vierde eeuw v.Chr. Toen waren er andere elementen binnengeslopen, zoals al eerder gebeurde met de orfische traditie. Men kan met enig recht stellen dat Plato de fakkel overnam in de ‘estafette’ en, gebruikmakend van wat in beide nog levensvatbaar was, voegde hij het zijne eraan toe; meer dan 2000 jaar heeft zijn totale arbeid grote invloed op de westerse beschaving uitgeoefend.

Kortgeleden werd een bijzonder waardevol boek gepubliceerd, The Pythagorean Sourcebook and Library, waarin al het materiaal werd samengebracht over het leven en de leringen van Pythagoras en van wat er nog bestaat van het pythagoreïsme. Er zijn sinds de oudheid veel biografische en verklarende geschriften verschenen. Vroeger waren de bronnen moeilijk te vinden omdat ze verspreid waren over veel verschillende werken, maar nu zijn ze verzameld in twee banden! Het voornaamste deel van het boek werd samengesteld en vertaald door Kenneth Sylvan Guthrie, en daarnaast bevat het vertalingen van Thomas Taylor, de Engelse platonist en Arthur Fairbanks, jr. De inleiding van David R. Fideler, de redacteur, is een bewonderenswaardige gids voor de lezer die niet zo goed bekend is met Pythagoras en met wat hij heeft nagelaten.

H.P. Blavatsky, citerend uit Life of Pythagoras van Iamblichus, schrijft over de contacten die Pythagoras had met de mysteriescholen die tot in de 6de eeuw v.Chr. nog bestonden; die van Byblus, Tyrus, Syrië, Egypte, Babylon, e.a., en voegt India toe aan de lijst van de biograaf.

De boodschap van Pythagoras betrof in de eerste plaats de ziel, en in de tweede plaats de processen van het stoffelijk heelal die hij weergaf in een mathematisch stelsel, waarin getallen niet alleen verhoudingen voorstellen, maar ook ideeën en entiteiten. Onze wiskundige begrippen zijn min of meer gebaseerd op de grondslagen van Euclides, maar de Pythagorische opvatting was rijker en ging dieper, want het getal had een levende werkelijkheid die eerder kwalitatief dan kwantitatief was. Dit wees op iets dat men moest ervaren, of zoals de redacteur het uitdrukte:

Voor hen is het Getal niet iets om te gebruiken; veeleer moet de aard ervan worden ontdekt. Met andere woorden, wij gebruiken getallen als tekens om dingen aan te geven, maar voor de pythagoreeërs is het Getal een universeel beginsel, even werkelijk als licht (elektromagnetisme) of geluid.    – blz. 21

Fideler wijst er verder op dat het grote verschil tussen de moderne en de pythagorische en platonische wetenschap hierin ligt, dat de eerste is gebaseerd op de wetenschap van Aristoteles, of het onderzoek van de dingen, terwijl de laatste zich bezighoudt met het onderzoek van beginselen als de collectieve oorzaak van de dingen.

In de Tetraktis of het Tiental van Pythagoras (1 + 2 + 3 + 4 = 10) bijvoorbeeld, heeft het cijfer 1 betrekking op de essentie van het Goddelijke, het Ene, dat zich tot uitdrukking brengt in de 2, dualiteit, de eerste openbaring van geest-stof na een periode van rust; de 1 en 2 brengen de 3 voort, de levengevende ‘ziel’ van een kosmos of wereldorde. Het cijfer 4 heeft betrekking op de ontplooide kosmos in het stoffelijke aspect dat we met onze zintuigen waarnemen, en de 10 op het geheel als functionerend organisme. De samenstellende delen van het heelal werden dus gezien in het perspectief van een omvattende kosmologie.

H.P. Blavatsky werpt licht op het stelsel van Pythagoras door het op één lijn te stellen met het hindoegeschrift Aitareya Brahmana van de Rig Veda:

De harmonie en de mathematische uniformiteit van de dubbele evolutie – spiritueel en stoffelijk – kunnen alleen duidelijk worden gemaakt met de universele getallen van Pythagoras, die zijn systeem geheel opbouwde op de zogenaamde ‘metrische taal’ van de Veda’s van de hindoes.
      – Isis Ontsluierd 1:9 (Eng. uitg.)

De pythagorische filosofie was dus gebaseerd op de getals- of trillingswaarden van de werkelijkheid. In de hele Griekse oudheid werd aan Pythagoras de uitvinding van de toonladder toegeschreven, afgeleid van zijn ontdekking van de verhoudingen van de muzikale intervallen, die hij op een monochord demonstreerde. Zijn ‘muziek van de sferen’ – de individuele trillende tonen die de bewegende planetaire en sterrelichamen uitzenden – komt overeen met een harmonia, de kosmische wet zoals die tot uitdrukking komt door de natuur, een kosmische harmonie. Men zegt dat wij mensen ‘kunnen worden veranderd, verbeterd, dichter bij het goddelijke gebracht’ als we ons leven zouden laten beïnvloeden door de ‘zoete harmonie’ van de muziek van de sferen1. In onze tijd is muziek beperkt tot geluid, tot componisten en uitvoerende musici, die melodie, ritme en harmonie gebruiken naar gelang van hun talent en inspiratie. Voor Pythagoras, en na hem voor Plato, had het woord muziek diepe filosofische bijbetekenissen, ontleend aan de Muzen, de negen godinnen die heersen over de kunsten en wetenschappen.

De verwantschap van alle wezens in de kosmos als delen van een groter organisme, zou de basis kunnen zijn geweest van het ethische gedrag en de moraliteit van de pythagorische gemeenschappen. De leden streefden ernaar hun leven aan te passen aan de wetten van het heelal. Iedere Pythagoreeër voelde zijn verwantschap met de alles doordringende goddelijke essentie. Dit kan ertoe hebben bijgedragen dat de tetraktis zijn heilige klank kreeg, want het uitspreken ervan werd beschouwd als hun heiligste eed.

Zoals gezegd symboliseerde de tetraktis het eerste verschijnen van de kosmische monade van bewustzijn en haar emanatie van achtereenvolgende verstoffelijkende aspecten van haarzelf tot het heelal zoals wij dat nu kennen. De tetraktis wordt soms voorgesteld met en soms zonder een omlijstende driehoek. Binnen een driehoek kan het een heelal symboliseren; zonder driehoek duidt het op een oneindig aantal van zulke heelallen, waarvan elk een openbaring is van het alles doordringende kosmische bewustzijn.

In zijn werk Life, dat de echo is van veel oudere schrijvers, zegt Iamblichus dat Pythagoras ongeveer 22 jaar in Egypte doorbracht en met de priesters studeerde. In de grafkelder van Ramses IX bevindt zich een afbeelding van de farao, die de koninklijke mummie recht achterover leunend vertoont, waardoor hij de hypotenusa vormt van een rechthoekige driehoek, met de klassieke afmetingen 3:4:5. De graftombe van Ramses dateert uit een tijd vele eeuwen voor het bezoek van Pythagoras aan Egypte, en de ontdekking van de relatie van de Gulden Snede van Pythagoras, en de waarde van pi (3,14159. . .), met Egypte danken we aan R.A. Schwaller de Lubicz.2

Zowel het portret van Ramses IX als het getal pi zijn symbolen, maar de Lubicz wijst erop dat het woord symbool in het algemeen in onze tijd niet meer betekent dan analogie, waaraan de gedachte van overdracht van geestelijke leringen ontbreekt.

Deze riten, deze dogma’s verbergen dikwijls ideeën die eens waren voorbehouden aan een klein aantal ingewijden; het geheim ervan hebben ze met zich meegenomen in hun graf, maar toch kan het weer naar boven worden gebracht door hen die een grondige studie maken van allerlei nog bestaande gegevens over oude geloven en de ceremoniën die ze voorschreven.3

De Egyptische afbeelding van Ramses IX als de hypotenusa drong door tot de westerse beschaving via de geometrie van Pythagoras. Het was de wiskunde van Pythagoras en de filosofie die eraan ten grondslag ligt, die de Lubicz ertoe brachten de innerlijke betekenis van de oude Egyptische hiërogliefen en opvattingen te ontcijferen. Het lijkt op het sluiten van een cirkel: de studies van Pythagoras in Egypte voeren ons terug naar de Egyptische erfenis!

Wie was Pythagoras? E.J. Urwick die de platonische geschriften met het metafysische denken van de hindoes vergelijkt, zegt dat dit laatste in de pythagorische leringen is te herkennen. Hij vermeldt een Vedantijnse uitspraak dat Pythagoras ‘een van hen’ was, en dat zijn naam de ‘Griekse vorm is van de Indiase titel, Pitta Guru, of Vader-leraar.’4 Urwick toonde veel parallellen aan in het erfgoed van beide, de Griekse en de hindoeïstische: een ‘opperste’ of ‘hogere’ wetenschap en een ‘lagere’. De eerste, waaronder de astronomie (‘sphaerics’), rekenkunde, muziek en dialectiek, worden door Plato in zijn De Staat pythagorisch genoemd.5 Deze onderwerpen zijn niet wat wij er nu onder verstaan, en zij vallen onder de ‘lagere’ wetenschappen.

Het lijkt erop dat, terwijl Pythagoras zich bezighield met het oorzakelijke aspect van het heelal en de werking daarvan, wat ook Plato deed, wij ons in deze tijd bezighouden met objectieve openbaringen. We zien alles door onze eigen gekleurde bril als afzonderlijke entiteiten en processen.

Het is erg verleidelijk een samenvatting te geven van een groot deel van de stof in het boek van dr. Guthrie en Fidelers inleiding, maar een goede afsluiting vormt het uittreksel uit Theon van Smyrna, een Pythagoreeër uit de tweede eeuw:

Eenheid is het beginsel van alle dingen en het meest overheersende van alles: alle dingen ontstaan uit haar en zij ontstaat uit niets. Ze is ondeelbaar en de kracht in alles. Ze is onveranderlijk en maakt zich nooit los van haar eigen natuur door vermenigvuldiging (1 x 1 = 1). Al wat men zich kan voorstellen en niet kan worden voortgebracht bestaat in haar: de aard van gedachten, God zelf, de ziel, het schone en het goede, en iedere voorstelbare essentie, zoals schoonheid zelf, rechtvaardigheid zelf, gelijkheid zelf, want wij zien al deze dingen als één en in zichzelf bestaand.6

We kunnen de rijke bijdrage van Pythagoras en zijn school aan de lange reeks inspirerend onderricht als volgt samenvatten: zij leerden dat de hele wereld bestaat door de harmonia tussen al haar kinderen. De pythagorische opvatting hield veel meer in dan alleen het verband tussen stoffelijke vormen; ze omvatte eigenlijk alle eigenschappen en mogelijkheden die latent, als zaden, in het hart van het goddelijke besloten liggen.

 

Noten

  1. Zie Touches of Sweet Harmony, Pythagorean Cosmology and Renaissance Poetics, van S.K. Heninger jr., 1974.
  2. The Egyptian Miracle: An Introduction to the Wisdom of the Temple, [in het Engels] vertaald door André en Goldian VandenBroeck, blz. 101-3.
  3. Ampère, Essai sur la phlisophie des sciences, geciteerd door de Lubicz. op.cit., blz. 36.
  4. The Message of Plato: A Re-Interpretation of the ‘Republic’, blz. 14.
  5. Boek 7, 521c-531c.
  6. Zie blz. xi, Theon of Smyrna: Mathematics Useful for Understanding Plato, van Theon van
    Smyrna, [in het Engels] vertaald door Robert en Deborah Lawlor uit de Grieks/Franse editie van 1892 van J. Dupuis. Secret Doctrine Reference Series, Wizards, Bookshelf, San Diego, 1979; 275 blz.; zie boekbespreking in Sunrise april 1980, blz. 165.
 
Griekse filosofie
 

Uit het tijdschrift Sunrise sep/okt 1988

© 1989 Theosophical University Press Agency