De tijd en ons menselijk lot
Ingrid Van Mater

 

Tijd – wat is dat? Onveranderlijk en toch steeds veranderend, altijd met ons en toch steeds ongrijpbaar, is het een van de grote mysteriën van het leven. Door de eeuwen heen hebben filosofen erover nagedacht en naar een verklaring gezocht, maar als totaliteit is het een te ingewikkeld en raadselachtig verschijnsel om in een eenvoudige definitie te worden samengevat. Hoe kan het ook anders? We kunnen het alleen bij benadering begrijpen, want we zien slechts een schaduw van de werkelijkheid, een klein segment van een enorme boog.

Enkele verzen uit Stanza I uit een oude bron van wijsheid, het Boek van Dzyan, schilderen de magie van het leven vóór het begin van de schepping:

De eeuwige Moeder, gewikkeld in haar altijd onzichtbare gewaden, had opnieuw zeven eeuwigheden lang gesluimerd.

De tijd was niet, want hij lag in slaap in de oneindige schoot van de duur. Het universele denkvermogen was niet, . . .

Duisternis alleen vulde het grenzeloze al, . . .

De oorzaken van het bestaan waren weggenomen; het zichtbare dat was en het onzichtbare dat is, rustten in eeuwig niet-zijn – het ene zijn.

Alleen de ene vorm van bestaan strekte zich grenzeloos, eindeloos, oorzaakloos uit in een droomloze slaap; en het leven klopte onbewust in de universele ruimte door heel die alomtegenwoordigheid, die door het geopende oog van de Dangma wordt waargenomen.    – De Geheime Leer, 1:57

Men voelt in deze regels een diepe stilte, en een bevestiging van het alomaanwezige goddelijke, de oorzaak en eenheid van het zijn. Uiteindelijk zijn de Ruimte, het kosmische Denken, en de Duur één, en vormen tijd en ruimte samen de grondslag van het bestaan. ‘Alles is aanwezig in de ruimte en alles gebeurt in de tijd.’1

Er zijn twee aspecten van de tijd waarmee we rekening moeten houden: een innerlijke tijd of de eeuwige duur, en een uiterlijke of eindige tijd, een afspiegeling van de duur of, zoals Plato het uitdrukte, het bewegende beeld van de eeuwigheid. De cyclussen van de natuur, de polsslag van alle wezens, geactiveerd door het goddelijk bewustzijn, zijn de inherente ritmen van het leven. De evolutie voltrekt zich door de werking van cyclussen binnen cyclussen, vanaf de snelle wervelingen van atomaire levens tot de majestueuze ritmen van sterrengroepen, en nog verder. Was er geen ordelijke verdeling van dag en nacht, wisselende seizoenen, geboorte en dood – contrasterende elementen van duisternis en licht overal om ons heen en in ons waardoor we kunnen vergelijken en leren – dan zou er geen groei zijn.

Deze geordende cyclussen begonnen miljoenen jaren geleden tot het menselijk bewustzijn door te dringen en een deel te worden van ons erfgoed, in de tijd dat het denkvermogen ontwaakte. Dat betekende een stap vooruit in onze evolutie, uit het Eden van ons niet-zelfbewuste denken, waarin alles tijdloos was, in een nieuwe wereld zoals die werd gezien met het zelfbewuste denkvermogen. Door ons bewust te zijn van onszelf, van alle levende dingen, en van het verstrijken van de tijd, onderscheiden we ons van de natuurrijken onder ons. Op dat punt begon onze lange reis naar volledig zelfbewustzijn en geestelijk ontwaken, waar we dagelijks en zonder onderbreking keuzen moeten doen op de levensweg, op zoek naar ons ware zelf. De gedachte dat de tijd bestaat in het bewustzijn dat het waarneemt, verklaart althans enkele raadselachtige tegenstellingen. In de woorden van H.P. Blavatsky:

Tijd is alleen maar een illusie, voortgebracht door de opeenvolging van onze bewustzijnstoestanden op onze reis door de eeuwige duur; hij bestaat niet waar er geen bewustzijn is waarin die illusie kan worden teweeggebracht, maar ‘ligt dan te slapen’. Het nu is slechts een wiskundige lijn die dat deel van de eeuwige duur dat wij de toekomst noemen, scheidt van het gedeelte dat wij het verleden noemen.
      – GL, 1:66-7

Er zijn ontelbare manieren waarop we de tijd psychologisch manipuleren. We doden de tijd en besparen tijd; we verliezen tijd en vinden tijd; we maken, besteden en verspillen tijd. De waarheid is dat we niet zonder tijd kunnen leven en evenmin hebben we geleerd ermee te leven, en klagen voortdurend dat we helemaal geen tijd hebben! We spelen er inderdaad mee en proberen het te slim af te zijn.

Plotinus noemde de tijd een ‘een zekere dans van het intellect’, wat in het bijzonder kan slaan op grillen van het verstand die ons gevoel van tijd beïnvloeden. Wanneer we blij zijn of volledig opgaan in wat we doen, verstrijken uren als minuten. En als we veel pijn hebben, bang zijn, ons vervelen, een angstige of moeilijke tijd doormaken, lijken minuten op uren. Als we heel geconcentreerd en diep nadenken, Kunnen we gemakkelijk de tijd uit het oog verliezen, totdat we op de klok kijken!

Er is een enorm verschil tussen onze voorstelling van de tijd als we slapen en als we waken. In de slaap – een noodzakelijke onderbreking van de dagelijkse activiteiten – heeft ons gewone zelf geen besef van tijd of van wat de ziel ervaart, en toch is er een nauw contact met het hogere zelf en wordt het evenwicht in ons hele wezen hersteld. Wonderen en raadsels omgeven deze cyclus, die een miniatuur is van wat er na de dood op grotere schaal gebeurt.

Het eeuwige zelf is altijd bij ons en overschaduwt ons met zijn helpende aanwezigheid. Vaak, als we er ontvankelijk voor zijn, reageren we op zijn invloed en brengt een straaltje inzicht ons in een diepere dimensie van de tijd en het denken – vooral als we geheel opgaan in de schoonheid en rust van de natuur. Een rustige geest weerspiegelt de werkelijkheid helderder, net zoals een rimpelloos meer het landschap getrouw weerspiegelt. De natuurrijken onder ons staan dichter bij het innerlijke centrum van leven omdat ze niet worden gehinderd door mentale, emotionele, psychische en andere conflicten die onze zelfbespiegelende geest ons op de schouders plaatst. Wanneer we dan ook opgaan in de ritmen van de natuur, reageert onze ziel en worden we innerlijk verkwikt.

Hoever we ook teruggaan, er hebben altijd methoden bestaan om de gang van de tijd te markeren, van zonnewijzers tot de meest geavanceerde instrumenten van vandaag. Onze verschillende soorten gestandaardiseerde tijd zijn een middel om de duur van cyclussen te meten. Zo is bijvoorbeeld een seconde van onze tijd een eeuwigheid voor een elektron, en één jaar voor de planeet Jupiter is bijna twaalf van onze jaren. Ons fysiek tijdsgevoel en ook onze biologische en andere ritmen zijn onlosmakelijk verbonden met de planeet en haar bewegingen met betrekking tot de zon. Al deze cyclussen geven stabiliteit aan ons leven, waaronder ook begrepen de bestendige aard van de zon, die het hart is van ons zonnestelsel, onze bron van licht en leven.

Hoe we het tijdpatroon van de mens bezien, is afhankelijk van onze levensfilosofie. Dit hangt samen met ons begrip van verleden, heden en toekomst met betrekking tot wie we zijn en wat ons lot is. Wanneer we bijvoorbeeld worden beheerst door de gedachte dat er maar één leven is, of dat er na de dood niets is, of een eeuwig hiernamaals met geen verdere mogelijkheid onze menselijke natuur te ontplooien, wat is dan de betekenis van al het lijden en de strijd, de vreugde en de onschatbare waarde van leerzame ervaringen? Is dat allemaal zinloos? Als onze filosofie inhoudt dat er vele incarnaties zijn vóór en na deze waarin ons karmisch lot is en wordt geweven, dan kan alles wat gebeurt, zelfs het meest tragische voorval, evenwichtiger en met meer begrip worden ondergaan. De gedachte dat we hier zijn om wijsheid te vergaren, wat dat ook inhoudt, geeft moed, kracht en zekerheid dat alles wel is.

De werkingen van karma worden beter begrepen als we ze in verband brengen met het verleden, het heden en de toekomst – drie wegen van het lot, en toch één. Deze werden in verschillende culturen verpersoonlijkt door de drie schikgodinnen, door de Grieken Moiren en door de Scandinaviërs Nornen genoemd. Laten we eens even stilstaan bij de Moiren: Atropos – de toekomst, wordt afgebeeld als een maagd die naar een zonnewijzer wijst, ‘wat duidt op wat besloten ligt in de schoot van de tijd en wat de voorbijgaande uren dichter bij ons brengen’; Klotho – het heden, wordt voorgesteld als een maagd die een spoel vasthoudt, ‘en de draad van het huidige lot spint dat de toekomst zal worden’; en Lachesis – het verleden, wordt beschreven als een ‘maagd die met een staf op een horoscoop wijst’, wat doelt op het lot dat al is gevormd door de daden uit het verleden.2

Sinds het verre verleden hebben we van onszelf gemaakt wat we nu zijn, iedere gedachte, ieder gevoel, en iedere daad, is afgedrukt op het scherm van de tijd, het astrale licht. Wat elk moment plaatsvindt, wordt ook vastgelegd. Het verleden, het heden en de toekomst vormen een continuum van de ene werkelijkheid die het Eeuwige Nu is. Wat we zullen worden is in potentie al in ons, zoals de toekomstige boom ligt besloten in het zaadje. Hoe zou er iets geboren kunnen worden als dat niet zo was? In dit opzicht is de toekomst een illusie, omdat ze net als het verleden latent in ons aanwezig is, en voortdurend het heden wordt.

Mentale spinsels, die maken dat we ons afwenden van het heden of het ontvluchten, zijn verraderlijke valkuilen. Wanneer we het verleden of de toekomst ‘scheiden van het heden, worden we het slachtoffer van allerlei misleidingen: we kunnen toegeven aan de gewoonte bij alles te zeggen: ‘Als we maar . . .’, ons overgeven aan dagdromen in plaats van onder ogen te zien wat voor ons ligt, treuren over dingen die we hebben gedaan, of blijven steken in de groef van ‘herinneringen’; we kunnen ons zorgen maken over een onvoorspelbare toekomst, of die gebruiken als een middel tot uitstel. Als het gaat om dingen die we graag anders hadden willen doen, is het een geruststellende gedachte te weten dat er andere levens komen, andere kansen, al is het waar dat hoe meer we in dit leven kunnen doen, des te beter. Spijtgevoelens helpen op geen enkele manier, behalve om ons waakzaam te maken voor soortgelijke problemen in de toekomst. Ieder moment geeft een gelegenheid die zich nooit op precies dezelfde manier zal herhalen, want naarmate het wiel van de tijd voortrolt, zijn we innerlijk op een andere plaats wanneer een overeenkomstige cyclus terugkeert. Een van de wonderen van het leven is dat geen twee momenten gelijk zijn; ieder moment is een nieuw begin tot aan de laatste seconde van ons leven.

De studie van ons verleden met betrekking tot het heden en de toekomst heeft positieve gevolgen. De aard van de moeilijkheden die terugkeren, vertellen ons iets over onszelf, onze zwakheden en waar ons karakter moet worden versterkt. In het grotere geheel geeft de studie van de geschiedenis een beeld van het menselijk gedrag: agressieve, hedonistische en zelfzuchtige praktijken die leiden tot de ondergang van een beschaving, en de nobele kwaliteiten die een geestelijk bloeiende beschaving scheppen.

Cyclussen komen en gaan en veel cyclussen vallen in deze eeuw samen, die daardoor van bijzondere betekenis wordt. We beseffen nu ook meer dan ooit dat de tijd onomkeerbaar is, en dat het noodzakelijk is onze energie en aandacht op het welzijn van allen te richten.

Als we denken aan onze mogelijkheden vragen we ons af: ‘Wat doe ik met mijn leven? Hoeveel verder gaan mijn aandacht en zorg dan mijn persoonlijke belangen en wensen?’ We hebben een vrije wil om zelf te kiezen wat we denken en voelen en hoe we onze verantwoordelijkheden tegemoet treden. Als de innerlijke benadering van het leven ruim en onzelfzuchtig is, dan zal het uiterlijke leven een rustig en gestadig tempo aannemen. We zullen meester zijn over onszelf, in dienst van ons hogere zelf dat zich ophoudt in het rijk van goddelijke tijdeloosheid en dat ons altijd voert naar het pad van mededogen, rechtvaardigheid en harmonie.

 

Noten

  1. W. Macneile Dixon, The Human Situation, blz. 328.
  2. Vgl. G. de Purucker, Wind van de geest, blz. 268-9.
 

Uit het tijdschrift Sunrise sep/okt 1988

© 1989 Theosophical University Press Agency