Opdat wij niet vergeten!
Nhilde Davidson

 

Ik breng mijzelf telkens weer voort temidden van de schepselen, O zoon van Bharata, wanneer op deze aarde de deugd verslapt en onrechtvaardigheid en ondeugd hoogtij vieren; en zo incarneer ik van eeuw tot eeuw tot behoud van de rechtvaardigen, tot vernietiging van de verdorvenen en tot herstel van de gerechtigheid.    – Bhagavad Gita, hfst. 4

Ervaring betekent het vergaren van levenswijsheid zonder herinnering aan de pijn. Het vermogen te kunnen vergeten is een grote zegen en stelt ons in staat te leven en te leren terwijl we het waardeloze achter ons laten. Jammer genoeg vergeten we ook enkele waardevolle lessen. We hebben de neiging ons steeds weer op pijnlijke wijze aan het leven te stoten. We vergeten het goddelijke in ons en geven toe aan de verleidingen van de stoffelijke wereld, wat ons in slaap wiegt waardoor we uren doorbrengen in spirituele inactiviteit.

In haar oneindig mededogen heeft de natuur altijd begrepen wat wij nodig hebben. Zoals een kind met zachte hand wordt geleid en verzorgd door de moeder, zo is ook de mensheid van eeuw tot eeuw verzorgd en geleid – ieder ras en volk overeenkomstig zijn karakter en mate van begrip. In de Griekse mythe van Proteus, de zoon van Neptunus, wordt op deze waarheid gezinspeeld. Hij werd beschouwd als een ‘oudere van de zee’, vanwege zijn immense wijsheid en kennis van alle dingen uit het verleden, het heden en de toekomst. Zijn grootste gave was dat hij naar willekeur van gedaante kon veranderen – en daardoor die vorm kon aannemen die de tijd noodzakelijk maakte.

Daarom klinkt in alle beschavingen hetzelfde refrein over de goddelijke afkomst en de goddelijke bestemming van de mensheid, over verlossers, zondvloeden, en reuzen, de strijd tussen goed en kwaad, over het streven naar volmaaktheid door goden en mensen. Wat algemeen de boventoon voert, is dat we onze naasten moeten liefhebben en anderen moeten behandelen zoals wij behandeld willen worden! Door de eeuwen heen is met regelmatige tussenpozen dezelfde grondtoon aangeslagen met als doel in ons opnieuw het verlangen te wekken naar ons spirituele erfdeel – dat wonderlijke universele deel van onszelf dat in ons eigen hart en wezen al aanwezig is.

Er is niets nieuws onder de zon, luidt het gezegde, en dat is een paradox. Waarheid bestaat, maar hoe wij haar tot uitdrukking brengen is afhankelijk van de tijd. Proteus of Krishna openbaren zich telkens in het kleed van het tijdperk, zodat ze door ons worden herkend en aanvaard als een deel van onszelf en niet als ‘vreemden’! Ze herinneren ons er voortdurend aan dat om werkelijk mens te worden, we onze gedachten en daden moeten richten op vriendelijkheid en broederschap – de ware taal van het hart.

 

Uit het tijdschrift Sunrise sep/okt 1988

© 1989 Theosophical University Press Agency