Ik breng mijzelf telkens weer voort temidden van
de schepselen, O zoon van Bharata, wanneer op deze aarde de deugd
verslapt en onrechtvaardigheid en ondeugd hoogtij vieren; en zo incarneer
ik van eeuw tot eeuw tot behoud van de rechtvaardigen, tot vernietiging
van de verdorvenen en tot herstel van de gerechtigheid. –
Bhagavad Gita, hfst. 4
Ervaring betekent het vergaren van levenswijsheid zonder herinnering
aan de pijn. Het vermogen te kunnen vergeten is een grote zegen en stelt
ons in staat te leven en te leren terwijl we het waardeloze achter ons
laten. Jammer genoeg vergeten we ook enkele waardevolle lessen. We hebben
de neiging ons steeds weer op pijnlijke wijze aan het leven te stoten.
We vergeten het goddelijke in ons en geven toe aan de verleidingen van
de stoffelijke wereld, wat ons in slaap wiegt waardoor we uren doorbrengen
in spirituele inactiviteit.
In haar oneindig mededogen heeft de natuur altijd begrepen wat wij
nodig hebben. Zoals een kind met zachte hand wordt geleid en verzorgd
door de moeder, zo is ook de mensheid van eeuw tot eeuw verzorgd en
geleid – ieder ras en volk overeenkomstig zijn karakter en mate
van begrip. In de Griekse mythe van Proteus, de zoon van Neptunus, wordt
op deze waarheid gezinspeeld. Hij werd beschouwd als een ‘oudere
van de zee’, vanwege zijn immense wijsheid en kennis van alle
dingen uit het verleden, het heden en de toekomst. Zijn grootste gave
was dat hij naar willekeur van gedaante kon veranderen – en daardoor
die vorm kon aannemen die de tijd noodzakelijk maakte.
Daarom klinkt in alle beschavingen hetzelfde refrein over de goddelijke
afkomst en de goddelijke bestemming van de mensheid, over verlossers,
zondvloeden, en reuzen, de strijd tussen goed en kwaad, over het streven
naar volmaaktheid door goden en mensen. Wat algemeen de boventoon voert,
is dat we onze naasten moeten liefhebben en anderen moeten behandelen
zoals wij behandeld willen worden! Door de eeuwen heen is met regelmatige
tussenpozen dezelfde grondtoon aangeslagen met als doel in ons opnieuw
het verlangen te wekken naar ons spirituele erfdeel – dat wonderlijke
universele deel van onszelf dat in ons eigen hart en wezen al aanwezig
is.
Er is niets nieuws onder de zon, luidt het gezegde, en dat is een paradox.
Waarheid bestaat, maar hoe wij haar tot uitdrukking brengen
is afhankelijk van de tijd. Proteus of Krishna openbaren zich telkens
in het kleed van het tijdperk, zodat ze door ons worden herkend en aanvaard
als een deel van onszelf en niet als ‘vreemden’! Ze herinneren
ons er voortdurend aan dat om werkelijk mens te worden, we
onze gedachten en daden moeten richten op vriendelijkheid en broederschap
– de ware taal van het hart.