Waarom broederschap?
Sarah Belle Dougherty

 

De gedachte van universele broederschap, die zelfs nog maar honderd jaar geleden niet algemeen werd aanvaard, vindt momenteel veel aanhang. Een reeks van factoren, van de verschrikkelijke, vernietigende kracht van de moderne wapens tot de rechtstreekse beelden op de televisie, heeft een scherp licht geworpen op de onderlinge afhankelijkheid in de wereld. De gebeurtenissen in deze eeuw hebben keer op keer laten zien wat de tragische gevolgen zijn als een volk, een ras of een groep zich boven de rest van de mensheid stelt of zich daarvan afscheidt. Maar als we het dagelijkse nieuws bekijken, zien we duidelijk hoe verstrekkend de gevolgen zijn van egoïsme en gevoelens van afgescheidenheid. Waarop berust broederschap dan eigenlijk?

In een bekend kinderboek, A Wind in the Door van Madeleine L’Engle wordt dit onderwerp behandeld op een wijze die tot nadenken stemt. Ze dramatiseert daarin de onderlinge verbondenheid van alle wezens in het heelal door de avonturen te beschrijven van een groep menselijke en kosmische wezens, die een reis moeten maken door het lichaam van een jongen om in contact te komen met de wezens die een van zijn cellen bewonen en voor wie de jongen een soort melkwegstelsel is. Om in het verhaal de boze krachten van vernietiging te overwinnen, leren de betrokkenen dat leven en bewustzijn die alle wezens vervullen, uitingen zijn van één goddelijke bron en dat ieder wezen elk ander wezen beïnvloedt en zijn deel moet bijdragen aan het grote kosmische lied van onzelfzuchtige liefde en vreugde. Het welzijn van het geheel hangt af van de positieve en onpersoonlijke wijze waarop ieder zijn eigen rol speelt. Niets is onbetekenend of staat buiten het leven, het bewustzijn en het goddelijke.

De ware basis van broederschap is: de ene goddelijke bron van alles wat zich in de kosmos bevindt, de eenheid daarachter, waardoor de absolute afhankelijkheid van ieder individu ten opzichte van ieder ander onvermijdelijk is – of het een melkwegstelstel, een ster, een mens, een cel of een atoomdeeltje is. Alle zijn fundamenteel één, op ieder niveau van hun wezen nauw met elkaar verbonden in een eindeloos netwerk van leven en bewustzijn. Als mens is elk van ons een melkwegstelsel voor de atomen die ons lichaam vormen en tegelijkertijd een oneindig klein deeltje ten opzichte van de melkweg, en we bevinden ons in een kosmos waarvan ieder deel leeft en even belangrijk is. Gezien als deel van de aarde, is ieder mens een cel in het aardse orgaan dat we de mensheid noemen, en door zijn daden en gedachten draagt ieder op constructieve of destructieve wijze bij aan het functioneren van dit geheel. Broederschap is dus in feite een afspiegeling in het menselijk leven van de structuur van de kosmos zelf, een uiting van de wijze waarop het heelal is georganiseerd en functioneert.

De reden dat de essentiële eenheid van de mensheid niet duidelijker blijkt in het menselijk leven is dat we ons als mens nog niet ten volle hebben ontplooid. We hebben voldoende zelfbewustzijn en intellect om een sterke persoonlijke ego op te bouwen, maar we hebben nog niet het geestelijke inzicht ontwikkeld dat ons in staat stelt uit te stijgen boven dit nog beperkte, op het ik gerichte bewustzijn. We gebruiken onze vrije wil in belangrijke mate, maar we zijn ons nog niet voldoende bewust van onze geestelijke aspecten om altijd de juiste keuze te kunnen maken. Onze onvolwassenheid blijkt uit ons egoïsme, onze eigenwaan, onze dierlijke kant, onze onwetendheid, vrees en gewelddadigheid – ieder van ons kan deze eigenschappen in zichzelf herkennen en ook de invloed daarvan op ons leven en op onze relaties met anderen. Velen menen werkelijk dat dit nog onvoltooide evolutiestadium de natuurlijke toestand van de mensheid is. Maar we moeten ook de aanwezigheid erkennen van onze werkelijk menselijke eigenschappen zoals onzelfzuchtigheid, mededogen, moed, wijsheid en liefde. Die kenmerken stemmen overeen met de fundamentele aard van de natuur, en naarmate we leren die werkelijkheid in onszelf tot uitdrukking te brengen, zal het menselijk leven de harmonie en eenheid weerspiegelen die aan onze kosmische bron ten grondslag ligt.

De religieuze overleveringen van de mensheid bieden een grote verscheidenheid aan middelen, die ons helpen in harmonie te leven met de werkelijkheden van de natuur. Een van de meest praktische en duidelijke is het edele achtvoudige pad van het boeddhisme. Dit heeft vooral te maken met het te boven komen van onwetendheid en van de gewoonten die ons beperken en die we ons eigen hebben gemaakt. De Boeddha spreekt over dit pad als: juiste inzichten, juiste gedachten, juiste woorden, juiste daden, juiste bezigheden, juiste inspanning, de juiste opmerkzaamheid, en de juiste meditatie.

Juiste inzichten of juist begrip komen eerst, omdat als we inzien dat de essentiële eenheid de uiteindelijke werkelijkheid is, die opvattingen die leiden tot zelfzucht, vrees en strijd, tot in de wortel worden aangetast. De hele tendens van ons leven en onze beschaving spruit voort uit opvattingen die als axioma’s zijn aanvaard en waarvan we ons nauwelijks bewust zijn dat we ze hebben, opvattingen over wie we zijn, wat onze relatie is met de rest van de wereld en wat onze individuele en collectieve bestemming is. We zullen pas breken met onze huidige, vaak negatieve levenswijze als de onwetendheid die eraan ten grondslag ligt, plaatsmaakt voor opvattingen die onze ware plaats in de kosmos beter weerspiegelen.

Juiste gedachten en verlangens vloeien voort uit begrip, begrip van de realiteit van het menselijk bestaan. Daarvoor is nodig dat we serieus proberen onze gedachten in overeenstemming te brengen met wat we intuïtief als waar kennen, want ons verstand is geneigd weer automatisch terug te vallen op bestaande mentale en emotionele gewoonten, die gewoonlijk voortkomen uit onze eigen beperktere, minder ontvankelijke aspecten. Ons verstand is de schepper van zelfzucht als het wordt overheerst door de minder ontwikkelde kant van onze natuur; maar als we het leren beheersen, kan het verstand ook dienen als een schitterend instrument voor ons innerlijke wezen. Dan zullen onze opvattingen en gedachten zich uiten in juiste woorden en juiste daden en in juiste bezigheden – het werk dat we kiezen zal in harmonie zijn met onze spirituele levensopvatting. Dit alles wijst erop hoe belangrijk het is onze innerlijke en uiterlijke activiteiten zoveel mogelijk in overeenstemming te brengen met onze inzichten en onze idealen, zodat de verschillende aspecten van ons leven zich verenigen. Een juist streven is ook van vitaal belang, want we kunnen niet vooruitgaan als we niet de wil ontwikkelen onze pogingen voort te zetten ondanks de vele tegenslagen die we ongetwijfeld op onze weg zullen ontmoeten.

Deze eerste zes elementen weerspiegelen tezamen de verschillende praktische toepassingen van het nauwkeurig waarnemen van de werkelijkheid. Ze hebben een enorme invloed op de wereld om ons heen – door onze psychologische en fysieke activiteiten beïnvloeden we talloze mensen die we nooit zullen kennen. Omdat ieder van ons zo nauw is verbonden met alle anderen, zijn onze pogingen om ons groeiende innerlijke inzicht in het dagelijks leven tot uitdrukking te brengen, misschien de grootste bijdrage die we kunnen leveren aan de verbetering van de toestand van de mensheid.

Juiste opmerkzaamheid en juiste concentratie of meditatie, de laatste twee elementen, betreffen het beoefenen van zelfdiscipline en een intensievere beheersing van onze gedachten en gevoelens. Juiste opmerkzaamheid betekent dat we ons bewust zijn van de dingen zoals ze zijn, altijd, en in zo hoog mogelijke mate. Concentratie op wat zich aan ons voordoet – in plaats van weg te glijden in het verleden of de toekomst, of zich te laten beheersen door vooropgezette meningen en gevoelens – is geen gemakkelijke opgave. Een van de redenen waarom broederschap niet duidelijker naar voren treedt, is dat onze vooroordelen, onze gevoelens van angst en afkeer het stempel vormen dat we gewoonlijk op onze ervaringen afdrukken. We nemen dan niet de realiteit van een situatie waar, maar richten ons in plaats daarvan op de vervormingen, veroorzaakt door onze vooroordelen en ons egoïsme, en zijn geneigd op deze door onszelf geschapen beelden te reageren vanuit dezelfde beperkte kant van onze natuur die ze deed ontstaan.

Het laatste element, juiste concentratie, heeft te maken met begrip en het trainen van ons denken, zodat we ons boven de normale beperkte mentale activiteiten kunnen verheffen tot een dieper universeel bewustzijn. Boeddhisten bereiken dit meestal door middel van verschillende meditatie-oefeningen, net als zoekers in de meeste andere religieuze richtingen. Christenen geven zich over aan gebed en overpeinzing, waarmee geen smeekbeden worden bedoeld, maar een tot rust brengen van de gedachten en gevoelens en het richten van het denken op God. Dit alles kan heilzaam zijn, vooral onder leiding van een ervaren raadgever. Leiding is belangrijk omdat die praktijken vaak de oorzaak zijn van psychische ervaringen, die iemand die onervaren of onvoorbereid is gemakkelijk kunnen afleiden of uit zijn evenwicht brengen.

Als we proberen de werkelijkheid te benaderen, welke manier we daarvoor ook kiezen, is het belangrijkste dat we mededogen ontwikkelen en onpersoonlijke liefde voor allen, zonder enig onderscheid. Dat maakt snel een einde aan persoonlijke beperkingen en egoïsme, die ten grondslag liggen aan ons gebrekkig waarnemingsvermogen, terwijl ook ons karakter en onze relaties met anderen op zeer dramatische wijze worden beïnvloed. Paulus zei dat we zonder onpersoonlijke liefde (agape) – zelfs met kennis, talenten, vermogens of het verrichten van heilzaam werk – als niets zijn. Door mededogen te beoefenen, ontwikkelen alle aspecten van de persoonlijkheid zich op natuurlijke wijze; zonder mededogen zijn de resultaten van ons pogen onbetekenend, want ze brengen niet ons essentiële zelf tot uitdrukking, dat identiek is met de goddelijke werkelijkheid achter al het bestaande.

Het volgen van het pad van mededogen en zelfdiscipline, dat religieuze leraren zoals de Boeddha hebben aangegeven, is de zekerste manier om broederschap op praktische wijze onder de mensheid tot stand te brengen. Menselijke problemen berusten in de eerste plaats op onwetendheid en onvolmaaktheid. Als we de werkelijke eenheid van de mensheid en van het heelal zouden zien, en konden begrijpen dat we fundamenteel één zijn en alleen oppervlakkig gescheiden, dan zou onze houding tegenover onszelf en anderen zich mettertijd aanpassen aan dit inzicht. Als we ons konden verheffen boven onze intellectuele en emotionele waarnemingen en de eenheid zouden ervaren van al wat is, dan zou het menselijk leven wezenlijk veranderen. Een blijvende ervaring van mystieke verbondenheid ligt voor de meesten van ons nog in het verre verschiet. Maar ieder van ons kan ernaar streven de onwetendheid van hoofd en hart die ons nu verblindt, te overwinnen, en daardoor het menselijk leven steeds meer in harmonie te brengen met de werkelijkheid van het universele bestaan.

In deze zeer kritieke tijden voor de mensheid en alles op aarde, kunnen we ons niet veroorloven negatief te blijven denken. Het besef dat anderen overal ter wereld gelijk zijn aan onszelf, neemt toe nu de contacten en communicatiemiddelen over de hele wereld groeiende zijn. Zulke rechtstreekse kennis geeft ons de gelegenheid ons te ontdoen van oude karikaturen die zijn ontstaan door de vervormde lens van vrees, historische vijanden en eigenbelang. Als we onze eigen innerlijke, negatieve aspecten niet onder controle krijgen, wordt de mogelijkheid dat er een massale vernietiging van de mensheid plaatsvindt steeds reëler, hetzij als gevolg van een atoomoorlog, de voortdurend in de wereld voorkomende plaatselijke gruwelen, of door een van de andere talloze uitingen van menselijke zelfzucht en onwetendheid. Het tegengif ligt in ieder van ons – onze sympathieën uitbreiden tot alle mensen, ja tot al wat leeft, zodat we ons deel bijdragen aan het kosmische patroon van mededogen en liefde.

 
Andere artikelen over broederschap
 

Uit het tijdschrift Sunrise janfeb 1989

© 1989 Theosophical University Press Agency