De gedachte van universele broederschap, die zelfs nog maar honderd
jaar geleden niet algemeen werd aanvaard, vindt momenteel veel aanhang.
Een reeks van factoren, van de verschrikkelijke, vernietigende kracht
van de moderne wapens tot de rechtstreekse beelden op de televisie,
heeft een scherp licht geworpen op de onderlinge afhankelijkheid in
de wereld. De gebeurtenissen in deze eeuw hebben keer op keer laten
zien wat de tragische gevolgen zijn als een volk, een ras of een groep
zich boven de rest van de mensheid stelt of zich daarvan afscheidt.
Maar als we het dagelijkse nieuws bekijken, zien we duidelijk hoe verstrekkend
de gevolgen zijn van egoïsme en gevoelens van afgescheidenheid.
Waarop berust broederschap dan eigenlijk?
In een bekend kinderboek, A Wind in the Door van Madeleine
L’Engle wordt dit onderwerp behandeld op een wijze die tot nadenken
stemt. Ze dramatiseert daarin de onderlinge verbondenheid van alle wezens
in het heelal door de avonturen te beschrijven van een groep menselijke
en kosmische wezens, die een reis moeten maken door het lichaam van
een jongen om in contact te komen met de wezens die een van zijn cellen
bewonen en voor wie de jongen een soort melkwegstelsel is. Om in het
verhaal de boze krachten van vernietiging te overwinnen, leren de betrokkenen
dat leven en bewustzijn die alle wezens vervullen, uitingen zijn van
één goddelijke bron en dat ieder wezen elk ander wezen
beïnvloedt en zijn deel moet bijdragen aan het grote kosmische
lied van onzelfzuchtige liefde en vreugde. Het welzijn van het geheel
hangt af van de positieve en onpersoonlijke wijze waarop ieder zijn
eigen rol speelt. Niets is onbetekenend of staat buiten het leven, het
bewustzijn en het goddelijke.
De ware basis van broederschap is: de ene goddelijke bron van alles
wat zich in de kosmos bevindt, de eenheid daarachter, waardoor de absolute
afhankelijkheid van ieder individu ten opzichte van ieder ander onvermijdelijk
is – of het een melkwegstelstel, een ster, een mens, een cel of
een atoomdeeltje is. Alle zijn fundamenteel één, op ieder
niveau van hun wezen nauw met elkaar verbonden in een eindeloos netwerk
van leven en bewustzijn. Als mens is elk van ons een melkwegstelsel
voor de atomen die ons lichaam vormen en tegelijkertijd een oneindig
klein deeltje ten opzichte van de melkweg, en we bevinden ons in een
kosmos waarvan ieder deel leeft en even belangrijk is. Gezien als deel
van de aarde, is ieder mens een cel in het aardse orgaan dat we de mensheid
noemen, en door zijn daden en gedachten draagt ieder op constructieve
of destructieve wijze bij aan het functioneren van dit geheel. Broederschap
is dus in feite een afspiegeling in het menselijk leven van de structuur
van de kosmos zelf, een uiting van de wijze waarop het heelal is georganiseerd
en functioneert.
De reden dat de essentiële eenheid van de mensheid niet duidelijker
blijkt in het menselijk leven is dat we ons als mens nog niet ten volle
hebben ontplooid. We hebben voldoende zelfbewustzijn en intellect om
een sterke persoonlijke ego op te bouwen, maar we hebben nog niet het
geestelijke inzicht ontwikkeld dat ons in staat stelt uit te stijgen
boven dit nog beperkte, op het ik gerichte bewustzijn. We gebruiken
onze vrije wil in belangrijke mate, maar we zijn ons nog niet voldoende
bewust van onze geestelijke aspecten om altijd de juiste keuze te kunnen
maken. Onze onvolwassenheid blijkt uit ons egoïsme, onze eigenwaan,
onze dierlijke kant, onze onwetendheid, vrees en gewelddadigheid –
ieder van ons kan deze eigenschappen in zichzelf herkennen en ook de
invloed daarvan op ons leven en op onze relaties met anderen. Velen
menen werkelijk dat dit nog onvoltooide evolutiestadium de natuurlijke
toestand van de mensheid is. Maar we moeten ook de aanwezigheid erkennen
van onze werkelijk menselijke eigenschappen zoals onzelfzuchtigheid,
mededogen, moed, wijsheid en liefde. Die kenmerken stemmen overeen met
de fundamentele aard van de natuur, en naarmate we leren die werkelijkheid
in onszelf tot uitdrukking te brengen, zal het menselijk leven de harmonie
en eenheid weerspiegelen die aan onze kosmische bron ten grondslag ligt.
De religieuze overleveringen van de mensheid bieden een grote verscheidenheid
aan middelen, die ons helpen in harmonie te leven met de werkelijkheden
van de natuur. Een van de meest praktische en duidelijke is het edele
achtvoudige pad van het boeddhisme. Dit heeft vooral te maken met het
te boven komen van onwetendheid en van de gewoonten die ons beperken
en die we ons eigen hebben gemaakt. De Boeddha spreekt over dit pad
als: juiste inzichten, juiste gedachten, juiste woorden, juiste daden,
juiste bezigheden, juiste inspanning, de juiste opmerkzaamheid, en de
juiste meditatie.
Juiste inzichten of juist begrip komen eerst, omdat als we inzien dat
de essentiële eenheid de uiteindelijke werkelijkheid is, die opvattingen
die leiden tot zelfzucht, vrees en strijd, tot in de wortel worden aangetast.
De hele tendens van ons leven en onze beschaving spruit voort uit opvattingen
die als axioma’s zijn aanvaard en waarvan we ons nauwelijks bewust
zijn dat we ze hebben, opvattingen over wie we zijn, wat onze relatie
is met de rest van de wereld en wat onze individuele en collectieve
bestemming is. We zullen pas breken met onze huidige, vaak negatieve
levenswijze als de onwetendheid die eraan ten grondslag ligt, plaatsmaakt
voor opvattingen die onze ware plaats in de kosmos beter weerspiegelen.
Juiste gedachten en verlangens vloeien voort uit begrip, begrip van
de realiteit van het menselijk bestaan. Daarvoor is nodig dat we serieus
proberen onze gedachten in overeenstemming te brengen met wat we intuïtief
als waar kennen, want ons verstand is geneigd weer automatisch terug
te vallen op bestaande mentale en emotionele gewoonten, die gewoonlijk
voortkomen uit onze eigen beperktere, minder ontvankelijke aspecten.
Ons verstand is de schepper van zelfzucht als het wordt overheerst door
de minder ontwikkelde kant van onze natuur; maar als we het leren beheersen,
kan het verstand ook dienen als een schitterend instrument voor ons
innerlijke wezen. Dan zullen onze opvattingen en gedachten zich uiten
in juiste woorden en juiste daden en in juiste bezigheden – het
werk dat we kiezen zal in harmonie zijn met onze spirituele levensopvatting.
Dit alles wijst erop hoe belangrijk het is onze innerlijke en uiterlijke
activiteiten zoveel mogelijk in overeenstemming te brengen met onze
inzichten en onze idealen, zodat de verschillende aspecten van ons leven
zich verenigen. Een juist streven is ook van vitaal belang, want we
kunnen niet vooruitgaan als we niet de wil ontwikkelen onze pogingen
voort te zetten ondanks de vele tegenslagen die we ongetwijfeld op onze
weg zullen ontmoeten.
Deze eerste zes elementen weerspiegelen tezamen de verschillende praktische
toepassingen van het nauwkeurig waarnemen van de werkelijkheid. Ze hebben
een enorme invloed op de wereld om ons heen – door onze psychologische
en fysieke activiteiten beïnvloeden we talloze mensen die we nooit
zullen kennen. Omdat ieder van ons zo nauw is verbonden met alle anderen,
zijn onze pogingen om ons groeiende innerlijke inzicht in het dagelijks
leven tot uitdrukking te brengen, misschien de grootste bijdrage die
we kunnen leveren aan de verbetering van de toestand van de mensheid.
Juiste opmerkzaamheid en juiste concentratie of meditatie, de laatste
twee elementen, betreffen het beoefenen van zelfdiscipline en een intensievere
beheersing van onze gedachten en gevoelens. Juiste opmerkzaamheid betekent
dat we ons bewust zijn van de dingen zoals ze zijn, altijd, en in zo
hoog mogelijke mate. Concentratie op wat zich aan ons voordoet –
in plaats van weg te glijden in het verleden of de toekomst, of zich
te laten beheersen door vooropgezette meningen en gevoelens –
is geen gemakkelijke opgave. Een van de redenen waarom broederschap
niet duidelijker naar voren treedt, is dat onze vooroordelen, onze gevoelens
van angst en afkeer het stempel vormen dat we gewoonlijk op onze ervaringen
afdrukken. We nemen dan niet de realiteit van een situatie waar, maar
richten ons in plaats daarvan op de vervormingen, veroorzaakt door onze
vooroordelen en ons egoïsme, en zijn geneigd op deze door onszelf
geschapen beelden te reageren vanuit dezelfde beperkte kant van onze
natuur die ze deed ontstaan.
Het laatste element, juiste concentratie, heeft te maken met begrip
en het trainen van ons denken, zodat we ons boven de normale beperkte
mentale activiteiten kunnen verheffen tot een dieper universeel bewustzijn.
Boeddhisten bereiken dit meestal door middel van verschillende meditatie-oefeningen,
net als zoekers in de meeste andere religieuze richtingen. Christenen
geven zich over aan gebed en overpeinzing, waarmee geen smeekbeden worden
bedoeld, maar een tot rust brengen van de gedachten en gevoelens en
het richten van het denken op God. Dit alles kan heilzaam zijn, vooral
onder leiding van een ervaren raadgever. Leiding is belangrijk omdat
die praktijken vaak de oorzaak zijn van psychische ervaringen, die iemand
die onervaren of onvoorbereid is gemakkelijk kunnen afleiden of uit
zijn evenwicht brengen.
Als we proberen de werkelijkheid te benaderen, welke manier we daarvoor
ook kiezen, is het belangrijkste dat we mededogen ontwikkelen en onpersoonlijke
liefde voor allen, zonder enig onderscheid. Dat maakt snel een einde
aan persoonlijke beperkingen en egoïsme, die ten grondslag liggen
aan ons gebrekkig waarnemingsvermogen, terwijl ook ons karakter en onze
relaties met anderen op zeer dramatische wijze worden beïnvloed.
Paulus zei dat we zonder onpersoonlijke liefde (agape) –
zelfs met kennis, talenten, vermogens of het verrichten van heilzaam
werk – als niets zijn. Door mededogen te beoefenen, ontwikkelen
alle aspecten van de persoonlijkheid zich op natuurlijke wijze; zonder
mededogen zijn de resultaten van ons pogen onbetekenend, want ze brengen
niet ons essentiële zelf tot uitdrukking, dat identiek is met de
goddelijke werkelijkheid achter al het bestaande.
Het volgen van het pad van mededogen en zelfdiscipline, dat religieuze
leraren zoals de Boeddha hebben aangegeven, is de zekerste manier om
broederschap op praktische wijze onder de mensheid tot stand te brengen.
Menselijke problemen berusten in de eerste plaats op onwetendheid en
onvolmaaktheid. Als we de werkelijke eenheid van de mensheid en van
het heelal zouden zien, en konden begrijpen dat we fundamenteel één
zijn en alleen oppervlakkig gescheiden, dan zou onze houding tegenover
onszelf en anderen zich mettertijd aanpassen aan dit inzicht. Als we
ons konden verheffen boven onze intellectuele en emotionele waarnemingen
en de eenheid zouden ervaren van al wat is, dan zou het menselijk leven
wezenlijk veranderen. Een blijvende ervaring van mystieke verbondenheid
ligt voor de meesten van ons nog in het verre verschiet. Maar ieder
van ons kan ernaar streven de onwetendheid van hoofd en hart die ons
nu verblindt, te overwinnen, en daardoor het menselijk leven steeds
meer in harmonie te brengen met de werkelijkheid van het universele
bestaan.
In deze zeer kritieke tijden voor de mensheid en alles op aarde, kunnen
we ons niet veroorloven negatief te blijven denken. Het besef dat anderen
overal ter wereld gelijk zijn aan onszelf, neemt toe nu de contacten
en communicatiemiddelen over de hele wereld groeiende zijn. Zulke rechtstreekse
kennis geeft ons de gelegenheid ons te ontdoen van oude karikaturen
die zijn ontstaan door de vervormde lens van vrees, historische vijanden
en eigenbelang. Als we onze eigen innerlijke, negatieve aspecten niet
onder controle krijgen, wordt de mogelijkheid dat er een massale vernietiging
van de mensheid plaatsvindt steeds reëler, hetzij als gevolg van
een atoomoorlog, de voortdurend in de wereld voorkomende plaatselijke
gruwelen, of door een van de andere talloze uitingen van menselijke
zelfzucht en onwetendheid. Het tegengif ligt in ieder van ons –
onze sympathieën uitbreiden tot alle mensen, ja tot al wat leeft,
zodat we ons deel bijdragen aan het kosmische patroon van mededogen
en liefde.