Generaties van geleerden hebben geprobeerd deze grote Chinese leraar
en hervormer onder een vergrootglas te plaatsen in een poging de mens
te scheiden van de mythe. Confucius, die van 551-479 v.Chr. leefde,
was zelf een vergrootglas. Omdat hij de ouden liefhad, was het voor
geleerden sinds zijn tijd mogelijk een glimp van het oude China op te
vangen, die teruggaat tot 6000 jaar vóór zijn tijd.1
Hij kon net als een vergrootglas de stralen van de goddelijke zon opvangen,
ze door zijn grote hart laten gaan en een licht achterlaten dat het
pad van de gewone mens 2400 jaar lang heeft verlicht. We kunnen de mens
niet scheiden van de mythe en we willen dat ook niet.
Wie is wijs genoeg om die scheiding te maken? Confucius zei: ‘Er
is niets meer zichtbaar dan wat verborgen is, en niets meer opvallend
dan wat klein is’ (De Leer van de Gulden Middenweg, I,
3). Hij zei ook: ‘Hoe overvloedig tonen geestelijke wezens de
krachten die de hunne zijn! We zoeken ernaar, maar zien ze niet; we
luisteren ernaar, maar horen ze niet; toch zijn ze in alle dingen en
niets is zonder’ (16:1-2). Confucius was veel meer dan een teleurgestelde
zoeker naar een politieke functie, die zijn leven als mislukt beschouwde.
Hij was een superieur mens met een lange evolutie – de massa ver
vooruit – die de ouden en de mensheid liefhad en die een geestelijke
boodschap bracht die zo eenvoudig en direct was dat zijn woorden nog
steeds een magische kracht bezitten.
Confucius werd geboren in de staat Loe, een deel van het moderne Sjantoeng.
Shoe-liang Heih, de vader van Confucius, was commandant van het district
Tsow. De man verlangde vurig naar een zoon nadat zijn eerste vrouw hem
negen dochters had geschonken. Later, op zeventigjarige leeftijd, trouwde
hij met een meisje van het platteland en hoopte nog steeds op een zoon.
Tijdens haar zwangerschap vroeg ze om de zegen van de berg Ni en beloofde
dat als haar kind een zoon zou zijn, ze hem Tsjoeng-ni zou noemen, wat
kleine heuvel betekent. De baby werd met een knobbel op de schedel geboren
die nooit verdween. Het kind werd K’oeng genoemd en zijn leerlingen
noemden hem K’oeng Foe-tse of meester K’oeng, welke naam
door Jezuïeten-missionarissen werd verlatijnst tot Confucius. Men
zegt dat toen Meester K’oeng werd geboren er vreemde muziek weerklonk
uit een mysterieuze bron en dat een stem uit de hemel de gebeurtenis
aankondigde. Ook werd gezegd dat twee draken de wacht hielden aan de
hemel om kwade invloeden te weren, terwijl vijf oude mannen, die de
geesten van de vijf planeten vertegenwoordigden, uit de Hemel neerdaalden.2
De jonge K’oeng wijdde zich op vijftienjarige leeftijd aan de
studie en werd wat we een ‘universeel mens’ zouden kunnen
noemen. Hij verzamelde en redigeerde de werken van de Chinese ouden
– geen geringe prestatie. Op eenentwintigjarige leeftijd begon
hij leerlingen aan te trekken en onderrichtte hij hen in de zedenleer,
filosofie en staatkunde.
Het was het dagelijkse leven van de wijze dat zijn woorden hun betekenis
verleende. Hij probeerde China de waardige staat terug te geven die
het had onder zijn eerste koningen, die deugdzaam waren en wijs regeerden
en waaronder het volk in vrede en harmonie leefde. Hij voelde het als
zijn plicht de kennis en de methoden van de ouden door te geven, niet
om iets te scheppen of te vernieuwen. Ongetwijfeld dronk hij uit de
bron van de eeuwige wijsheidsgodsdienst, de oorsprong en het doel van
de beste en hoogste ervaringen van de mens op aarde en elders. In dit
licht gezien is de menselijke familie van Meester K’oeng de broederschap
van de mensheid tegen een universele achtergrond.
Vier hoofdwerken – de Gesprekken, De Grote Leer,
De Leer van de Gulden Middenweg en de Werken van Mencius
– vormen de grondslag van de Ju filosofie, de naam die aan de
leringen van Confucius werd gegeven. In totaal worden ongeveer negentien
werken aan hem als auteur of redacteur toegeschreven. Na twee millennia
hebben de leringen ons langs vele wegen bereikt, afhankelijk van de
interpretaties van de discipelen van de leraar en hun volgelingen.
In historische tijden had China tenminste vijf leraren, waarvan er
drie hebben bijgedragen aan de vorming van het Chinese karakter: Lao-tse,
Confucius, en Gautama de Boeddha. Confucius legde de nadruk op deugdzaamheid
en eerbied voor wet en orde; Lao-tse onderwees Tao – de Weg –
een mystiek die de hoogste beginselen belichaamde en die slechts tot
veredeling van de ziel kon leiden. De essentie van de leer van Boeddha
was universele liefde en mededogen en vergeestelijkt intellectualisme,
waardoor de mens bruggen van begrip kon bouwen in plaats van scheidsmuren.
Deze drie hebben nooit aanspraak gemaakt op oorspronkelijkheid en hebben
alleen geprobeerd de mens de kennis terug te geven dat hij een onsterfelijke
ziel is, geworteld in de geest of het goede en voorbestemd tot het goddelijke.
Confucius verscheen in een kritieke tijd voor China. De vijftien miljoen
mensen die langs de oevers van de Hwang Ho of Gele Rivier leefden, noemden
zich ‘wij die onder de hemel leven’ of het Middenrijk. Later
namen ze de naam aan van de eerste krachtige dynastie (207 v.Chr. -
220 n.Chr.) en noemden ze zich de ‘zonen van Han’, een naam
die ze nog steeds handhaven. De langste dynastie, die bijna duizend
jaar duurde (1122 - 256 v.Chr.), was de Tsjow-dynastie, die in West-China
ontstond. Als overwinnaars hadden ze veel van de cultuur van de voorgaande
Sjang-dynastie overgenomen (ongeveer 1400 - 1300 v.Chr.) en in de loop
van de tijd werden andere volkeren ingelijfd die het Chinese karakter
overnamen.
Om de Gouden Eeuw in China te herstellen, gaf Confucius voorschriften
die de harmonie in de menselijke familie moesten terugbrengen. Eens
zei de leraar tegen zijn studenten: ‘Mijn leer is die van een
allesdoordringende eenheid.’3 K’oeng
Foe-tse zei dat wat de Grote Leer onderwijst is
het toelichten van de glorieuze deugdzaamheid, het
herstel van het volk en het rusten in het allerhoogste. . .
Dingen hebben hun wortel en hun voleindiging. Zaken
hebben hun einde en hun begin. Weten wat eerst en wat laatst is, leidt
dicht tot wat in de Grote Leer wordt onderwezen.
Vanaf de keizer tot de massa van het volk, moeten
allen de ontwikkeling van de mens zien als de wortel van al het overige.
– De Grote Leer, II:130-2
(naar vertaling van Loomis)
Het Boek van Tsjoeng Jung wordt gewoonlijk vertaald met ‘De
Leer van het Midden’ of ‘De Leer van de Gulden Middenweg’.
Het boek vormt een vrij volledige grondslag voor de filosofie van het
Confucianisme of Ju. De openingszin verklaart de uitspraak ‘dingen
hebben hun wortel en hun voleindiging.’ Daaruit leren we dat ‘Wat
de Hemel heeft geschonken de natuur wordt
genoemd; overeenstemming met deze natuur wordt het pad
van plicht genoemd; het bepalen van dit pad wordt onderricht
genoemd’ (naar vert. van Loomis, blz. 142). Dat wil zeggen dat
elk levend wezen in zijn hart een goddelijk zaadje is – een goddelijke
monade. Vanuit reinheid en onschuld moet het de werelden van de stof
ingaan en alle lessen leren die het leven te bieden heeft. Door het
licht van de intelligentie en van zelfbewustzijn moet het weer opstijgen
naar de goddelijke staat.
Confucius merkt op dat de mensen in hun streven gewoonlijk het doel
missen:
Ik weet nu waarom de zedenwet niet wordt gevolgd.
De wijzen houden de zedenwet ten onrechte voor iets hogrs, dan ze
werkelijk is; en de dwazen weten niet genoeg wat de zedenwet werkelijk
is. Ik weet nu waarom de zedenwet niet wordt begrepen. Nobele naturen
willen te hoog leven, ver boven het morele gewone zelf; en niet nobele
naturen leven niet hoog genoeg.
– De Leer van De Gulden Middenweg,
IV
K’oeng Foe-tse vertelt ons wat we al weten. De integriteit van
het gezin berust op:
De superieure man [of vrouw – de ziel is geslachtloos]
begint met respect als de grondslag van liefde. Door respect achterwege
te laten is er geen grondslag voor genegenheid. Zonder liefde kan
er geen eenheid zijn; zonder respect zal de liefde oneerbaar zijn.
– Li Ki, xxiv: 94
En verder,
Het vrouwelijke alleen kan niet voortbrengen; het
mannelijke alleen kan zich niet voortplanten; en de Hemel alleen kan
geen mens tevoorschijn roepen. Als de drie samenwerken, wordt een
mens geboren. Vandaar dat iemand de zoon van zijn moeder of de zoon
van de Hemel kan worden genoemd.
– Ku-liang’s Commentary5
In deze tijd wordt er veel gepraat over het zoeken van een goeroe of
het chelapad. Confucius zei: ‘Het pad is niet ver van de mens.
Als men een weg probeert te volgen die ver afstaat van de algemene aanwijzingen
van het bewustzijn, kan die weg niet worden gezien als het pad’
(De Leer van de Gulden Middenweg, xiii, v.i).
We moeten telkens weer worden herinnerd aan deze eenvoudige waarheden,
die zo voor de hand schijnen te liggen en die zich in de loop van vele
levens in ons hart hebben gegrift.
Noten
- The Wisdom of Confucius, geredigeerd door
Miles Menander Dawson, International Pocket Library Corporation, 1932.
- Vgl. The Story of Confucius , Carl Cross,
blz. 47.
- Gesprekken, Boek IV, xv-xvi. (Naar vertaling
van Legge).
- Wisdom of Confucius, E.R. Brown, blz. 35
- Ibid., blz. 37.