Lezing gehouden op de Mythologie Conferentie
van 14-15 februari 1987, bijeengeroepen door Jerry J. Hejka-Ekins, voorzitter,
Southern California Federation of Lodges, T.S. (Adyar).
Sinds de opkomst van het Griekse rationalisme en waarschijnlijk al
lang daarvoor, werden mythen ongunstig beoordeeld. In het begin van
de 5de eeuw v.Chr. daagde Xenophanes openlijk de Olympische orthodoxie
uit met zijn kritiek op Homerus en Hesiodus, omdat zij ‘de goden
alle eigenschappen toeschreven die voor stervelingen als schandelijk
en beschamend werden beschouwd, diefstal en overspel en het bedriegen
van elkaar’.1 Herodotus beschuldigde
‘Homerus of een andere oude dichter’ van verzinsels (Historiën
II, 23); terwijl Socrates, ofschoon hij van mening was dat mythen niet
geheel zonder waarheid zijn, de ‘mythemakers’, Homerus en
Hesiodus inbegrepen, bekritiseerde in zijn Ideaalstaat. Hun verhalen
over de goden en hun ‘onheilige twisten’, moorden en verminkingen
geven geen getrouw beeld van de werkelijkheid en zouden, indien mogelijk,
‘in stilte moeten worden begraven’ (de Staat 377-8).
Toch werd het woord mythe niet altijd in verband gebracht met fictie.
In het oorspronkelijke Griekse gebruik betekende mythos iets
dat mondeling werd overgebracht, d.w.z. een woord, een toespraak, of
een verhaal. Kort na Pindar kreeg het de betekenis van een dichterlijk
verslag van gebeurtenissen die vóór de dageraad van de
geschiedenis plaatsvonden, terwijl een soortgelijk woord, logos,
dat ook ‘woord’ betekende, sloeg op het historische verhaal.
In de loop van de tijd kreeg mythe zijn negatieve bijbetekenis
van fantasie en kinderlijke onzin, terwijl logos rede en authentiek
historisch verhaal ging betekenen. De woorden werden tenslotte samengevoegd
tot de naam voor het wetenschappelijk onderwerp mythologie:
‘authentieke verhandeling over oude verhalen’.
Deze studie brengt ons tot het besef dat het fantasierijke kleed waarin
mythen zijn gehuld vaak de innerlijke waarheid ervan verdoezelt. Maar
het zoeken naar de logos in de mythos, de waarheid in de mythe, is niets
nieuws. De neoplatonisten beschouwden mythen als mystiek-historische
allegorieën, waarvan de innerlijke betekenis door filosofische
training werd onthuld. In zijn biografie van Proclus, schreef Marinus
dat zijn leraar ‘die waarlijk gezegende visies op de Werkelijkheid’
had bereikt, waardoor hij
met gemak alles van de Griekse en niet-Griekse theologie
leerde en ook die waarheid die verborgen lag in de vorm van mythen;
hij verklaarde deze op heel enthousiaste wijze aan allen die dat wilden
en konden begrijpen, en bracht ze tot harmonie.2
Het idee dat Proclus had van een esoterische theosofie die de verschillende
mythen en godsdienstige stelsels verbindt, sluit aan bij een passage
uit de Staatsman van Plato. Hierin bevestigt de hoofdpersoon
in de Dialoog, een ‘goddelijke filosoof’, de Vreemdeling
van Elea genaamd, dat ‘al deze verhalen en nog tienduizend andere
die nog wonderbaarlijker zijn, een gemeenschappelijke oorsprong hebben.’
Volgens hem ligt deze oorsprong bij de leermeesters van de mensheid,
die in de Gouden Eeuw de eerste onthullingen deden over het kosmische
en menselijke begin, en de ‘leringen van de Schepper en Vader’
overbrachten over het juiste levensgedrag (269-74). Toch zijn er, ondanks
deze duidelijke aanwijzing dat de oude legenden een schatkamer zijn
van geestelijke waarheden, weinig verklaringen over te vinden in de
Dialogen. Plato’s Socrates is bovendien vaak heel kritisch over
de verhalen, zowel als over zijn tijdgenoten die zich bezighielden met
de interpretatie ervan.3
Plato geeft hier een aantal redenen voor, met name in de Staatsman
(268-74) en Critias (109-10). Hij wijst erop dat de traditionele
mythen in de loop van de eeuwen aanzienlijk zijn afgesleten; onvolkomen
herinneringen, vreemde invloeden, veranderingen in de betekenis van
woord en taal, letterknechterij, onjuiste interpretaties, en de gewoonlijk
schadelijke invloed van de menselijke fantasie hadden de oude verhalen
zo misvormd, dat ze niet langer aan hun oorspronkelijke doel beantwoordden.
Ze hadden veel van hun vermogen verloren om de herinnering aan onze
goddelijke oorsprong en onze heilige opdracht terug te roepen. Voor
Plato zijn de echte mythen inderdaad verhalen uit onze geestelijke geschiedenis.
Zoals alle verhalen, geestelijke of wereldse, hebben mythen de bedoeling
ons eraan te herinneren waar we vandaan komen, wie we zijn en –
wat alleen voor mythen geldt – waarheen we op weg zijn. Mythen
bewaren herinneringen en, zoals Plotinus later leerde, zijn herinneringen
bedoeld voor hen die hebben vergeten, die hun innerlijke visie hebben
verloren en niet langer zien (Enneaden IV.3.25 ff, IV.4.7).
Behalve dat Plato op hun gehavende toestand wees, wilde hij ons doen
begrijpen dat om mythen juist te interpreteren inzicht nodig is. Dit
houdt weer in dat er prioriteiten moeten worden gesteld. In de Phaedrus
bijvoorbeeld, bespreekt Socrates bepaalde problemen die ontstaan door
het ‘rationeel’ verklaren van mythen, d.w.z. door interpretaties
die mythen terugbrengen tot louter geschiedkundige gebeurtenissen en
fysieke realiteiten. Hoe moet men centauren, chimaeren, gorgonen en
andere ‘onbegrijpelijke en monsterachtige wezens’ verklaren?
Het is een soort ‘grove filosofie’ die probeert aannemelijke
en niet-metafysische verklaringen uit te werken, want die vereisen inspanning,
vindingrijkheid en heel veel tijd.
Nu heb ik geen tijd voor zulk onderzoek; zal ik u
vertellen waarom niet? Ik moet eerst mijzelf leren kennen, zoals de
inscriptie in Delphi zegt; . . . ben ik een monster, gecompliceerder
en meer vervuld van hartstochten dan de slang Typho[n], of een vriendelijker
en eenvoudiger soort wezen, waaraan de Natuur een goddelijker en nederiger
bestemming heeft gegeven? – 230a
Plato’s kritiek is zeker niet op alle mythen gericht. Zijn voornaamste
bezwaren gelden de misleidende karikaturen en de steriele interpretaties
die de mythen omlaaghalen en van hun verheven inhoud ontdoen. Socrates
laat in feite in zijn Ideaalstaat weer poëzie toe, die van Homerus
en Hesiodus inbegrepen, maar beperkt dit tot ‘hymnen aan de goden
en lofspraken van beroemde mannen’ (de Staat 607a). Wat
de verborgen betekenis van mythen betreft (hyponoia), die zou
in besloten kring moeten worden onthuld en vermoedelijk alleen na een
passende filosofische training wanneer het inzicht is ontwaakt (de Staat
378).
Plato was duidelijk van plan de waarheden die oorspronkelijk in de
oude verhalen werden neergelegd, nieuw leven in te blazen en uit te
breiden; maar de redenen waarom hij nieuwe mythen schiep, die evenveel
verhullen als onthullen, worden in de moderne literatuur zelden bevredigend
uiteengezet. Mogelijk kwamen zijn meest dringende motieven voort uit
zijn verbondenheid met de mysterietraditie, het esoterische hart van
de Griekse religie.*
*We hebben veel te danken aan H.P. Blavatsky die ons
laat zien hoe sterk de mysteriën Plato en de vorm van zijn composities
beïnvloedden.
Slechts weinigen in deze tijd beseffen het plechtige karakter dat de
innerlijke riten en leringen van de mysteriën voor de oude Atheners
hadden. En evenmin heeft onze eigen cultuur, die hongert naar informatie,
volledig begrip voor de redenen tot hun geheimhouding, Ofschoon niemand
betwist dat bepaalde kennis in verkeerde handen levensgevaarlijk kan
zijn, betwijfelen de meesten momenteel of zuiver religieuze of filosofische
kennis enig ernstig gevaar zou kunnen opleveren. De ingewijden van de
mysteriën dachten er anders over, in het bijzonder wat betreft
de leringen over het bewustzijn en de innerlijke aard van de mens. Geheimhouding
werd niet betracht met het zelfzuchtige doel om macht te vergaren, maar
hoofdzakelijk om hen die niet waren voorbereid, te beschermen tegen
mogelijke psychologische en fysieke schade – en tegen het kwetsen
van anderen.
In Plato’s tijd waren echter veel van de bekende mysteriescholen
aanzienlijk gedegenereerd. Plato zelf was niet helemaal gelukkig met
die Eleusinische inwijdingen die niet de langdurige filosofische training
oplegden die vereist was voor het verkrijgen van inzicht in de elementaire
realiteiten (de Staat 378a); en in het bijzonder had hij weinig
waardering voor de populaire Bacchus of Dionysus orgieën die, in
zijn woorden, leidden tot een ‘onsterfelijkheid van dronkenschap
[als] de hoogste prijs van de deugd’ (de Staat 363d).
Desondanks was er in Eleusis voldoende innerlijk licht overgebleven
om enkele van de meest hoogstaande geesten van die tijd aan te trekken,
Pas driehonderd jaar na Plato schreef de Romeinse stoïcijn Cicero:
Veel groots en goddelijks werd volgens mij door Athene
voortgebracht en aan ons leven toegevoegd, maar niets dat beter was
dan de mysteriën, waardoor we zijn gevormd en gekneed vanuit
een ruw en wild stadium van de mensheid; en in de mysteriën vinden
we inderdaad de ware beginselen van het leven en leren we niet alleen
om gelukkig te leven, maar ook om met meer hoop te sterven.
– De Legibus II.14
Plato was ontegenzeglijk een ingewijde. Zijn geschriften geven in hoge
mate de doelstellingen van de mysteriën weer en kunnen heel goed
een poging zijn geweest om hun oorspronkelijke filosofische zuiverheid
te herstellen. In de Phaedo zegt Socrates dat de ware ingewijden
de ware filosofen zijn en ‘mijn leven lang heb ik ernaar gestreefd
daartoe te worden gerekend’ (69d, Hackforth).
We kunnen alleen maar gissen wat Plato te danken heeft aan orfische,
Eleusinische, pythagorische en andere bronnen, waarbij we zijn eigen
innerlijke visie niet mogen vergeten. Zoals bij alle geestelijk verlichte
leraren, was een van de moeilijkste problemen waar Plato voor stond
hoe hij die visie – het grote licht van het Goede – die
de mysteriën schenken, aan anderen moest overbrengen: hoe hij een
sceptische en spottende wereld wakker moest schudden; en, wat even belangrijk
was, diegenen die er maar al te zeer in geloofden, ervan te weerhouden
zich er op onverstandige wijze zonder voorbereiding in te storten. Want
er waren niet alleen onbeschrijfelijke mysteriën die door de menselijke
spraak niet onder woorden kunnen worden gebracht (de arrheta),
maar ook verboden leringen, en het was niet geoorloofd daarover openlijk
te spreken (aporrheta).4 Op ontheiliging
van de mysteriën, d.w.z. het openbaar maken of misbruiken van geheime
leringen, stond de doodstraf. Oorspronkelijk betekende dit een soort
zieledood: afgesneden worden van de natuurlijke stroom van de ‘heilige
leven-schenkende leer’, die niet langer aan de kandidaat kon worden
toevertrouwd.5 In Plato’s tijd werd
de straf echter letterlijk uitgelegd – ook een teken van degeneratie
– en werd ontheiliging een halsmisdaad.6
Het was echter toegestaan op bepaalde leringen te zinspelen onder de
sluier van symboliek, en het is welbekend dat de mythen de openbare
taal waren van de mysteriën waarvan de innerlijke betekenis tijdens
de inwijding werd onthuld. Daarom schreef Plato, die zich wel bewust
was van zijn filosofische en openbare plichten, zeer zorgvuldig om de
oude regels niet te schenden. Als er heilige leringen ter sprake komen,
doet hij dat alleen door aanwijzingen of zinspelingen – of door
mythen.
Plato gebruikte mythen niet alleen om te proberen een aanduiding te
geven van het onuitsprekelijke, en te voorkomen dat de mysteriën
werden ontheiligd. Zoals eerder vermeld, was hun voornaamste functie
de herinnering wakker te roepen, wat voor Plato betekende het wakker
roepen van zielekennis, een anamnesis of het terugroepen van
waarheden die buiten het bereik van het intellect liggen (Vgl. Meno
81). Mythen spreken tot ons op een wijze die voor wetenschappelijke
taal niet mogelijk is, en in de Dialogen zijn ze onverbrekelijk verbonden
met het doel van de filosofie, de opvoeding van de ziel.7
De Dialogen geven aan wat het leerplan is maar maken er tevens deel
van uit.
Plato’s Dialogen kunnen als één doorlopende mythe
op verschillende niveau’s worden gelezen en bevatten belangrijke
subthema’s, die besloten liggen in de hele opzet, de karakters
en de gebeurtenissen. Zijn leringen worden zelden didactisch gegeven
– alles van A tot Z uitgelegd – en in ieder geval nooit
dogmatisch als een soort catechismus. Ze worden eerder weergegeven als
mogelijkheden of ‘waarschijnlijke verhalen’ (Timaeus
29c), die op elegante wijze in de natuurlijke loop van het gesprek opkomen,
zonder pretentie of dwang, en op bijna toevallig zich voordoende momenten.
Dit helpt ons soepel te blijven in ons denken, geeft ons de tijd en
ruimte om te overwegen, de ideeën van alle kanten te bekijken,
en vanuit verschillende gezichtshoeken en veranderende perspectieven
de waarde ervan te bepalen. Deze methode maakt deel uit van Plato’s
dialectiek, die ons in staat stelt de dingen ‘in hun samenhang
te zien’ (synoptikos) als één geheel –
of om het metafysisch te zeggen, om het Ene te zien in het vele en het
vele in het Ene.8
Plato geeft ook aan dat definitieve uitspraken onmogelijk zijn. Opvattingen
moeten voorlopig worden geaccepteerd, met het doel ze te onderzoeken,
nooit als het laatste woord over de waarheid. Het is onze taak ons eigen
begrip op te roepen, niet om onszelf vol te pompen met de ideeën
van een ander. Socrates en Plato zijn geen handelaren in kennis, zoals
de sofisten, maar filosofische vroedvrouwen, die ons helpen onze eigen
spiritueel-intellectuele kinderen ter wereld te brengen.
In de eerste Dialogen houdt Socrates ons bezig met zijn vragen over
geluk: Wat is dat eigenlijk? En wie is de werkelijk gelukkige mens?
Hier zijn de mythen duidelijk afwezig; de literaire vorm is hoofdzakelijk
een ondervraging. De vraagstelling van Socrates is erop gericht ons
in een toestand van twijfel te brengen, een gezond scepticisme over
de diepte van ons begrip in zaken van belang. Evenals het eerste stadium
in de inwijdingsdiscipline, katharsis of ‘reiniging’
genoemd, zijn deze voorbereidende Dialogen er om ons te helpen ons gedachteleven
te zuiveren van valse ideeën en zelfzuchtige houdingen, onze waarheidsliefde
te stimuleren en om het pad van de deugd te tonen dat tot wijsheid voert.
In de Protagoras (320-2) vinden we een van Plato’s eerste
mythen en een les over het gebruik van mythen. Het is een prachtig verhaal
over Prometheus en zijn broer Epimetheus, die samen de mens vormen als
een fysiek en denkend wezen. Maar het verhaal wordt opnieuw verteld
door de sofist Protagoras, niet door Socrates, aan het begin van het
gesprek, een plaats die door de mythen van Socrates nooit werd ingenomen.
Zijn mythen komen in het midden of aan het einde van een dialoog, en
pas nadat we hierop voldoende zijn voorbereid door dialectiek en zelfonderzoek
– net zoals de kosmologische mythen van Plato in de latere meer
technische Dialogen voorkomen.
Maar de mythe slaagt er niet in de bedoeling van Protagoras over te
brengen, namelijk te bewijzen dat deugd kan worden aangeleerd. Hij appelleert
aan het gezag van de traditie: de mythe moet letterlijk, en de ‘waarheid’
ervan als een axioma worden aanvaard. Socrates laat zich uiteraard niet
overtuigen, want het axioma is niet onderzocht, laat staan bewezen.
Bij het zoeken naar waarheid moeten vermoedens altijd onderzocht worden
en nooit als vanzelfsprekend worden aanvaard (vgl. 348). De mythe is
echter niet zonder waarde – Plato zou niet gauw de zonde van de
oude dichters herhalen – want ze zaait belangrijke ideeën,
die verder worden ontwikkeld in de latere Dialogen, met name in de mythe
van de Staatsman, over cyclische aanvangen en vernieuwingen
(269-74).
In tegenstelling tot verhalen over aanvangen, gaan de mythen van Socrates
in hoofdzaak over einden en laatste dingen – beide in de zin van
het lot van de mens na de dood en van het tot bloei komen van filosofische
kennis. Eén commentator, Paul Friedländer, deed de aannemelijke
suggestie dat Plato’s eerste en middelste Dialogen een mythe van
Socrates vormden – een Griekse versie van de Mythe van de Gemartelde
Verlosser.9 De mythen van Socrates binnen
deze grotere mythe kunnen worden beschouwd als zijn aankondigingen en/of
voorbereidingen voor zijn laatste inwijdingsbeproevingen, d.w,z. zijn
proces in Athene, zijn executie en zijn uiteindelijke ‘verrijzenis’
als een rechtvaardig mens in het onsterfelijke leven met de goden. Op
een ander plan, maar toch geheel binnen de context van inwijding, beschrijven
de mythen van Socrates het opstijgen van de ziel naar ware kennis, haar
omgang met goddelijke werkelijkheden, en haar terugkeer om de mensheid
te verlichten. De volgorde van de Dialogen is belangrijk, omdat de daarin
opgenomen mythen, die elk een soort inwijding vertegenwoordigen, geleidelijk
aan nieuwe leringen openbaren en oude verhelderen.
In de Gorgias hervat Socrates zijn thema van geluk en beweert
hij dat het de rechtvaardige mens is en niet de onrechtvaardige, die
gelukkiger is. Na veel voor en tegen argumenten leidt de discussie onvermijdelijk
tot beschouwingen over de mogelijkheid van de onsterfelijkheid van de
ziel, in welk geval, zoals Socrates zegt, de dood de mens niet belet
de gevolgen van zijn daden onder ogen te zien – beloningen inbegrepen.10
Omdat Socrates beseft dat geen wetenschappelijk bewijs of wetenschappelijke
weerlegging te leveren is, doet hij een beroep op onze intuïtie
met een mythe: een verhaal waarvan hij weet dat velen het zullen afdoen
als een fabel, maar dat hij zelf als een waar verhaal beschouwt, want
hij wil ‘de waarheid spreken’ (523a).
En zo dalen we in de mythische taal af naar de Rechtzaal in de onderwereld
om het lot van de zielen te leren kennen. Daar zien we twee wegen, één
die naar boven leidt naar de Eilanden van de Gezegenden, ‘waar
hij die een leven in rechtvaardigheid en heiligheid heeft geleid in
volmaakt geluk zal wonen, buiten bereik van het kwade’; de andere
die naar Tartarus voert, het ‘huis van wraak en straf’ en
zuivering. Er wordt echter weinig gezegd over andere regionen van de
kosmos, want de Gorgias mythe is voornamelijk een ervaring
in de onderwereld.
De Phaedo mythe (107-14) begint eveneens met een oordeelscène,
maar gaat verder over het lot van de rechtvaardigen die opstijgen uit
de ondergrondse ‘holen’ van de bolvormige aarde –
onze wereld is zo’n spelonk – naar de oppervlakte van de
‘ware aarde’.
Als iemand . . . de vleugels van een vogel zou kunnen
aannemen en naar de top kon vliegen, dan zou hij, als een vis die
zijn kop boven water steekt en deze wereld ziet, een wereld buiten
de onze zien; en als de menselijke natuur dit gezicht zou kunnen verdragen,
zou hij erkennen dat deze wereld de plaats was van de ware hemel en
het ware licht en de ware aarde. – 109c-e
Dit is een voorspel tot de beroemde parabel van de grot in Boek 7 van
de Staat, waarin Socrates de ‘steile en ruwe’ weg
van de ziel beschrijft die omhoogvoert van onwetendheid naar ware kennis.
Steeds weer benadrukt hij dat oefening in deugd vooraf moet gaan aan
deze grotere mysteriën. De filosoof moet zich zuiveren van eigenbelang
en verkeerd denken als hij zich met goed gevolg wil losmaken van schimmige
illusies en over de barrière wil klimmen die hem scheidt van
het zonlicht van de goddelijke werkelijkheid. Zelfs dan is zijn taak
niet ten einde, want in de latere boeken van de Staat maken
we kennis met een hogere training, met als gevolg een hogere waarheid.
In Boek 10 bijvoorbeeld verruimt de Mythe van Er onze horizon door de
sfeer van de kosmos te onthullen, waarin planeten en sterren zich in
statige processie wentelen rond de Spil van Noodzakelijkheid. Er wordt
ook gesproken over de rondreizen van menselijke zielen, die na hun postmortale
zuivering en beloning naar de aarde terugkeren, als deel van hun totale
levensreis. Het is echter buiten het heelal van verandering en wording
dat de filosoof de Vlakte van Waarheid moet zoeken.
Zulke kennis is moeilijk te verwerven en even moeilijk te beschrijven,
en in de Phaedrus bereikt Socrates het toppunt van zijn inspiratie.
Hierin verslaat zijn ideale filosoof tenslotte het beest in zichzelf,
het ‘monster dat meer gecompliceerd en vervuld van hartstocht
is dan de [honderdkoppige] slang Typhon’. Het teugelloze ros van
zijn lagere natuur is getemd en overmeesterd door nous, zijn
goddelijke zelf. Nu hij een van de onsterfelijken is, bereikt hij het
‘einde van zijn tocht’. In een wagen, getrokken door de
gevleugelde paarden van zijn gezuiverde ziel en versterkt door liefde,
‘staat hij aan de buitenkant van de hemel . . . en aanschouw[t]
de dingen daarachter’. Over deze superkosmische wereld achter
de hemelen vraagt Socrates: ‘welke aardse dichter bezong dit ooit
of zal dit ooit waardig bezingen?’ (247d).
Hoewel de bovenzinnelijke visie van de waarheid, die hier en elders
in de Dialogen wordt beschreven, een centrale plaats inneemt in Plato’s
filosofie, is die niet het uiteindelijke doel van de filosoof. Socrates
herinnert ons eraan in de Staat (519e) dat we niet aan onze
wereld voorbij moeten gaan. Het was de bedoeling van de Wetgever dat
alle burgers in de Staat gelukkig zouden zijn en dat goddelijke wijsheid
licht, rede en rechtvaardigheid door de hele kosmos moet brengen, niet
alleen bij enkele uitverkoren asceten.11
Het is waar dat de filosoof moet ‘sterven’ om geestelijk
herboren te worden – om zich zo los te maken van wereldse gehechtheid
dat hij kan opstijgen tot de Vlakte van de Waarheid. Maar net als de
postmortale reis van de ziel tussen zijn aardse levens, is de inwijdingsreis
van de filosoof in de grotere mysteriën slechts een tijdelijk loslaten
van zijn plichten hier op aarde. Noodzaak (ananke) dwingt hem
terug te keren. En dat doet ook iets anders.
Liefde voor de wijsheid is essentieel bij het zoeken van de filosoof.
Dat is een kardinale waarheid in de boodschap van Plato – en een
thema dat op mooie wijze allegorisch wordt behandeld in de rede van
Diotima in het Gastmaal (210c-13a). Toch is er een meer fundamentale
kracht die het leven van de filosoof regelt en energie geeft. Dat is
de kracht van goddelijke liefde, dat verheven mededogen dat de groten
van de mensheid ertoe beweegt niet alleen hun unieke visie op de zon
van het Goede met anderen te delen, maar ook om zichzelf geheel en vaak
onopgemerkt te geven aan het universele welzijn – wat waarlijk
een ‘goddelijker en nederiger bestemming’ is. Maar we moeten
niet denken dat altruïsme pas begint na het verkrijgen van wijsheid.
In Plato’s opvatting is niets minder waar – een waarheid
waarvan de persoon van Socrates een voorbeeld is. Hij is een warm menselijke
weldoener, die geen aanspraak maakt op wijsheid van zichzelf, maar slechts
op ‘een klein beetje kennis [over] de aard van de liefde’.12
Filosofie is voor Socrates de ‘neiging van de ziel’; het
is een pad van liefhebbende zorg voor anderen – een pad dat nu
begint, aan het begin van de tocht, niet aan het einde.
Het is zeker met vooropgezet doel dat Plato zijn Staat begint
met een kort gesprek tussen Socrates en zijn oudere vriend Cephalus
over het onderwerp van de dood. De reden van Cephalus om rechtvaardig
te leven is zuiver zelfzuchtig: hij wil zich ervan verzekeren dat hij,
als er een leven na de dood is, gespaard zal blijven voor het lijden
in de onderwereld. Hij citeert zelfs uit een van Pindars oden om zijn
argument kracht bij te zetten. Als tegenwicht voor het verhaal van Cephalus,
eindigt Plato de Staat met het
Visioen van Er. Als aanvulling van zijn onderzoek van rechtvaardigheid,
beschrijft Socrates de geestelijke strijder die de slag heeft verloren
en terugkeert tot het leven, lichamelijk opgestaan om de boodschap van
alle verlossers over te brengen: dat we onsterfelijke wezens zijn en
dat we als denkende, zelf kiezende mensen onze bestemming in eigen hand
hebben. Maar de mythen – en in feite de Dialogen in hun geheel
– bevatten een veel grootsere boodschap. Door opnieuw het verhaal
van de ware filosoof te vertellen, heeft Plato ons op krachtige wijze
herinnerd aan het edelste ideaal dat men zich ooit kan voorstellen:
de ware filantroop die het leven van de goden opgeeft om de mensheid
te helpen zich te verheffen.
Verwijzingen
Voor de citaten uit de Dialogen is gebruikgemaakt van
de vertaling van Benjamin Jowett, tenzij anders vermeld. De verwijzingen
betreffen nummers in de marge (paginering van Stephanus).
- John Burnet, Early Greek Philosophy, 4de
editie, Adam & Charles Black, Londen, 1948, blz. 119.
- Hfst. 22, in The Philosophy of Proclus,
Laurence J. Rosan, vert., Cosmos, New York, 1949, blz. 25.
- Vgl. Ion, Hippias Minor, en Phaedrus
229.
- Vgl. Phaedrus 246a, Timaeus 28e,
Sophist 242d-3b, Statesman 277c, 7de Brief
341-5; zie ook ‘De gnosis volgens Plato’, Sunrise,
jan/feb 1987, blz. 24.
- H.P. Blavatsky, De Geheime Leer, 1:xxxv;
G. de Purucker, Beginselen van de Esoterische Filosofie,
TUPA, 1998, blz. 247-8, 549.
- Vgl. George Mylonas, Eleusis and the Eleusinian
Mysteries, Princeton University Press, Princeton, 1961, blz.
224-9.
- Vgl. J.A. Stewart, The Myths of Plato, Centaur
Press, Londen, 1960, blz. 222.
- Vgl. Republic 537c, 511b, 532-3, Phaedrus
266c, Philebus 16c, en Parmenides (passim).
- Paul Friedländer, Plato, An Introduction,
Harper & Row, 1958, blz. 87, 172-5; zie ook Plato’s 2nd
Letter 314c die over Socrates spreekt als ‘jeugdig en geïdealiseerd.’
- Vgl. Phaedo 107c, Republic 613a,
en Laws 728b.
- Vgl. Timaeus 29c-31a en Laws 903c.
- Theages 128b (in Friedländer, Plato
2: The Dialogues, blz. 151); ook Lysis 204b, Symposium
177d.