De
mysteries van Carnac en Atlantis
Paul Johnson
Boekbespreking: Histoire de la France Secrète, deel 4, Carnac
et l’énigme de l’Atlantide, Jean Markale, Éditions
Pygmalion/Gérard Watelet, Parijs, 1987, geïllustreerd.
De megalitische bouwwerken van West-Europa spreken al lange tijd tot
onze verbeelding, maar nog steeds weten we niet wat hun oorsprong en
betekenis is. Dat ze ons voortdurend blijven boeien, blijkt duidelijk
uit het succes bij de pers en het publiek van het vierde deel van Jean
Markale’s Histoire de la France Secrète (De Geheime
Geschiedenis van Frankrijk), getiteld Carnac et l’énigme
de l’Atlantide1 (Carnac en het
Raadsel van Atlantis). Carnac is de meest opzienbarende van alle Bretonse
vindplaatsen, waarop zich meer dan 3000 prehistorische stenen monumenten
bevinden. Hiertoe behoren lange rijen van menhirs (rechtopstaande stenen)
en dolmens (uit meerdere stenen bestaande bouwsels die horizontale platte
stenen ondersteunen). Uitgehouwen uit het plaatselijk aanwezige graniet,
werden ze in verschillende tijden van het vroege tot het late neoliticum
(ca. 4000-1500 v.Chr.) opgericht. Nu, verweerd door de natuur en de
tijd, zijn ze bedekt met wit mos. De theosofische literatuur bevat vele
verwijzigingen naar Carnac:
Een zeer oude plek in Bretagne (Frankrijk) van een
tempel van cyclopisch karakter, gewijd aan de zon en de draak; en
van hetzelfde type als Karnak in het oude Egypte, en Stonehenge in
Engeland. . . Het werd gebouwd door de prehistorische hiërofant-priesters
van de zonnedraak, of gesymboliseerde wijsheid (de zonne-kumara’s
die incarneerden, waren de hoogste). Elk van de stenen werd daar door
de opeenvolgende heersende priester-adepten persoonlijk geplaatst,
als een herinnering in symbolische taal aan de grootte van de macht,
positie en kennis van elk van hen.
– The Theosophical Glossary,
blz. 74
In De Geheime Leer vinden we herhaaldelijk bevestigingen van
het bestaan van reuzen in het verre verleden, en de megalieten worden
genoemd als bewijsmateriaal: ‘Als er geen reuzen waren geweest
om dergelijke kolossale stenen te verplaatsen, [konden] er nooit een
Stonehenge, een Carnac (Bretagne) en meer van zulke cyclopische bouwwerken
zijn geweest’ (2:385). H.P. Blavatsky schreef verder ‘dat
de meeste van deze stenen overblijfselen zijn achtergelaten door de
laatste Atlantiërs’ (2:387). De conclusies van Markale met
betrekking tot Carnac stemmen vrij nauw overeen met die van Blavatsky
in de jaren tachtig van de vorige eeuw.
In een uitgebreide bespreking van de verwantschap tussen de Atlantiërs,
de bouwers van de megalieten, en Egypte, zegt De Geheime Leer:
En toch zijn er verslagen die aantonen dat Egyptische
priesters – ingewijden – over land in noordwestelijke
richting reisden, via wat later de Straat van Gibraltar werd; toen
naar het noorden gingen en door de toekomstige Fenicische nederzettingen
in Zuid-Gallië trokken; vervolgens nog verder naar het noorden
gingen tot ze Carnac (Morbihan) bereikten. Daarna wendden ze zich
weer naar het westen en bereikten, terwijl ze nog steeds over
land reisden, het noordwestelijke voorgebergte van het Nieuwe
Continent. –2:853
Of, zoals ze in een voetnoot daaraan toevoegt. ‘wat nu de Britse
eilanden zijn, die in die tijd nog niet van het hoofdcontinent waren
gescheiden.’
Wat was het doel van hun lange reis? En hoever terug
moeten we de datum van dergelijke bezoeken plaatsen? De archaïsche
verslagen delen mee dat de ingewijden van het tweede onderras van
de Indo-Europese familie zich van het ene land naar het andere begaven
met het doel toezicht te houden op de bouw van menhirs en
dolmens, van kolossale dierenriemen in steen, en begraafplaatsen die
moesten dienen om de as van toekomstige geslachten te omvangen. Wanneer
was dit? Het feit dat zij over land van Frankrijk naar Groot-Brittannië
overstaken, kan ons enig idee geven van de tijd waarin een dergelijke
reis op het vaste land kon worden volbracht.
– 2:853-4
Naar schatting van de hedendaagse wetenschap is de laatste landverbinding
tussen Engeland en het continent ter hoogte van Dover 8000 jaar geleden
onder de zeespiegel verdwenen. In haar interpretatie van die ‘oude
getuigenissen’, noemt HPB Carnac als het belangrijkste voorbeeld
van een vorm van prehistorische architectuur die op ‘bijna iedere
breedtegraad’ is te vinden:
Men treft ze aan in het bekken van de Middellandse
Zee; in Denemarken (plaatselijke grafheuvels van zevenentwintig rot
vijfendertig voet hoog): in Shetland, en in Zweden, waar ze ganggriften
(of graven met gangen) worden genoemd; in Duitsland, waar ze bekendstaan
als reuzengraven (Hünengräben); in Spanje (zie de dolmen
van Antiguera bij Malaga) en Afrika; in Palestina en Algerije;
op Sardinië (zie de nuraghi en sepolture dei giganti
of reuzengraven): in Malabar, in India, waar ze de graven van de daitya’s
(reuzen) en van de rakshasa’s, de mensdemonen van Lanka
worden genoemd; in Rusland en Siberië, waar ze bekendstaan als
de koorgan; in Peru en Bolivia, waar ze chulpa’s
of begraafplaatsen heten, enz. – 2:855
Is het mogelijk dat Blavatsky, al komen grafheuvels misschien wel in
de hele wereld voor, het bijzondere druïdische karakter van de
monumentale architectuur van Bretagne en de Britse eilanden over het
hoofd ziet? HPB ontkent met nadruk de druïdische oorsprong van
deze overblijfselen:
De bovengenoemde reizende ingewijden hadden te maken
met de zogenaamde druïdische overblijfselen, zoals Carnac in
Bretagne, en Stonehenge in Groot-Brittannië. En al deze gigantische
monumenten zijn symbolische getuigenissen van de wereldgeschiedenis.
Ze zijn niet druïdisch maar universeel. Ze
zijn ook niet door de druïden gebouwd, want deze waren slechts
de erfgenamen van de cyclopische kennis die hun door geslachten van
machtige bouwers en ‘tovenaars’, zowel goede als slechte,
waren nagelaten. – 2:857
Jean Markale, een expert op het gebied van de Keltische beschaving,
verwerpt ook alle theorieën die de Keltische druïden in verband
brengen met de megalieten. De Kelten kwamen uit het oosten omstreeks
1000 v.Chr., duizenden jaren na de bouw van de megalieten. Maar als
de druïden ze niet bouwden, wie dan wel? De mysterieuze verhalen
van Blavatsky en het nauwgezette onderzoek van Markale wijzen beide
naar Atlantische bronnen.
Het bestaan van Atlantis is natuurlijk nog steeds een twistpunt. Volgens
Blavatsky duurde het tijdperk van Atlantis zo’n acht tot tien
miljoen jaar en de natuurrampen die er de oorzaak van waren dat de belangrijkste
continentale formaties verzonken, vonden misschien vier à vijf
miljoen jaar geleden plaats. Omdat voorts de overgang van het ene wortelras2
naar het volgende geleidelijk verloopt, mogen we geen wetenschappelijke
bevestiging verwachten ten aanzien van Atlantische reuzen, omdat de
mens zijn tegenwoordige lengte al een miljoen jaar of meer bezit. Hoewel
in de meest recent verzonken gebieden van Atlantis de kans het grootst
is dat ze sporen van menselijke beschaving tonen, is de kans het geringst
dat ze bewijzen van reuzen bevatten. Markale beschouwt reuzen, zoals
we zullen zien, symbolisch.
Plato’s versie van het verhaal van Atlantis wordt toegeschreven
aan een Egyptische priester van Sais, die de overleveringen onthult
aan de Griek Solon. Solon hoorde van de priester dat van de vele wonderlijke
daden die van Athene in de Egyptische geschiedenissen zijn opgetekend,
één alle andere overtreft:
Want deze geschiedenissen spreken van een geweldige
macht die heel Europa en Azië op felle wijze aanviel, . . . Deze
macht kwam vanuit de Atlantische Oceaan, want in die dagen was de
Atlantische Oceaan bevaarbaar; en er was een eiland gelegen voor de
landengten die u de zuilen van Hercules noemt; het eiland was groter
dan Libië en Azië samen, en was de weg naar andere eilanden,
en vanaf de eilanden kon men naar het hele tegenoverliggende continent
gaan. . . Op dit eiland van Atlantis bevond zich een groot en wonderlijk
rijk dat heerste over het hele eiland en verscheidene andere, zowel
als over delen van het continent en, behalve deze, onderwierpen zij
delen van Libië binnen de zuilen van Hercules tot aan Egypte,
en van Europa tot aan Tyrrhenia. De grote macht trok zich samen tot
één, trachtte met één klap ons land en
het uwe en het hele land dat tussen de landengten lag, te onderwerpen;
en toen, Solon, kwam uw land met kracht op, . . . en bevrijdde edelmoedig
alle anderen die binnen de grenzen van Hercules wonen. Maar daarna
vonden er hevige aardbevingen en overstromingen plaats; en in één
enkele dag en nacht van regen verzonken al uw krijgshaftige mannen
in de aarde en het eiland van Atlantis verdween op dezelfde manier
en zonk onder de zee.
– Timaeus, §24e
- 25d, naar de vert. van Jowett, ed. 1885
In een andere tweespraak, Critias, vinden we een beschrijving
van Atlantis zelf, waarin onder meer melding wordt gemaakt van tempels
van vele goden, tuinen, oefenplaatsen, een renbaan, een stadion, wachthuisjes,
havens vol galeien en scheepsbehoeften. Het verhaal van Critias wordt
afgebroken na de volgende voorspelling van de oorzaken van de overstroming:
Gedurende vele generaties, zolang de goddelijke natuur
in hen standhield, gehoorzaamden zij de wetten, . . . brachten vriendelijkheid
en wijsheid in praktijk in de verschillende levensomstandigheden en
in hun omgang met elkaar. . . . maar toen dit goddelijke deel in hen
begon te vervagen, . . . werden ze, niet in staat hun lot te dragen,
onbetamelijk, en voor hen die ogen hadden om te zien, begonnen ze
minderwaardig te worden, . . . vervuld van onrechtvaardigheid, hebzucht
en macht.
– §120, naar de vert. van
Jowett, ed. 1885
De grootste onthulling over de Atlantis-hypothese was misschien het
werk van de helderziende Edgar Cayce. In een toestand van trance gaf
hij vele beschrijvingen van Atlantis, gewoonlijk als deel van waarnemingen
voor personen. Over Atlantis wordt in deze waarnemingen gezegd dat het
grote technologische vorderingen had gemaakt voordat misbruik van de
natuurwet een catastrofe veroorzaakte waardoor het grootste deel van
het continent in de oceaan verzonk, en slechts vijf grote eilanden overbleven.
Zo’n 11.000 jaar geleden verzonken de overgebleven eilanden. Een
ander verloren continent, Lemurië, komt ook voor in de waarnemingen
van Cayce, wat herinnert aan de lering van Blavatsky dat Atlantis ‘eerder
[moet] worden opgevat als een uitbreiding van de Atlantische voortzetting
van Lemurië, dan als een heel nieuwe landmassa die was verrezen
om aan de speciale behoeften van het vierde Wortelras te voldoen’
(De Geheime Leer, 2:376-7).
Volgens HPB leidde zwarte magie, of het misbruik van spirituele vermogens
tegen het einde van het vierde (Atlantische) ras, tot verlies van de
geestelijke visie en ook tot het geleidelijk verdwijnen van het derde
oog, tot ‘zijn functies, tengevolge van de stoffelijkheid en de
ontaarde toestand van de mensheid vóór het verzinken van
het grootste deel van het Atlantische continent, geheel ophielden’
2:345).
Is er enig wetenschappelijk bewijs voor het bestaan van Atlantis? Hoewel
er zeventien boeken over Atlantis worden genoemd in Books in Print,
zijn er geen studies van wetenschappers die invloed hebben gehad op
de algemene wetenschappelijke opvatting dat Atlantis een ongefundeerde
mythe is. Geen enkele encyclopedie, algemeen of wetenschappelijk, schrijft
er anders over, en recente periodieken zwijgen geheel en al over bewijsmateriaal
voor Atlantis. Een belangwekkend werk van recente datum is de tweedelige
monografie getiteld A Geological Study of the Mid-Atlantic Ridge.
De schrijver, dr. C. Cedric Leonard3, komt
tot de conclusie dat Wegeners theorie over de verschuiving van continenten,
nu plaattektoniek genaamd, niet betekent dat een mid-Atlantisch continent
een onmogelijkheid is, zoals werd verondersteld. Leonard laat zien dat
zelfs als alle continenten 200 miljoen jaar geleden één
massief vormden, zoals men gelooft, er nog steeds voldoende ruimte overblijft
voor Atlantis in de Noord-Atlantische Oceaan, gedurende tenminste 60
miljoen jaar.
De oceaanbodem langs de mid-Atlantische rug is bekend als het meest
onstabiele gedeelte van de aardkorst. Dat is van belang voor het bepalen
van de betekenis van steenmonsters die karakteristiek zijn voor continenten
langs de rug en die door de Woods Hole oceanografische expeditie in
1948 werden ontdekt. Omstreeks dezelfde tijd nam de Zweedse diepzee-expeditie
monsters van diatomeeën uit het hart van de diepzee. Alleen die
van de mid-Atlantische rug bevatten ‘een laag die uitsluitend
bestond uit zoetwaterdiatomeeën: Op grond van deze diatomeeën
en verkiezelde resten van landplanten die in hetzelfde gebied werden
gevonden, leidde dr. René Malaise van Stockholms Riksmuseum in
1957 af dat gedeelten van de mid-Atlantische rug boven water moeten
zijn geweest tot het einde van de laatste ijstijd, 10.000-13.000 jaar
geleden. Dit stemt overeen met de data die zijn gegeven door Plato,
Blavatsky en Cayce voor het verzinken van het laatste deel van Atlantis
(Moffett, 267-8).
Hoe verhouden de vondsten van Markale in Carnac zich tot Atlantis?
Een terugkerend verschijnsel van de Armorikaanse schiervlakte, waarop
Carnac is gelegen, is sterke radioactiviteit en een ongewoon dicht netwerk
van tellurische lijnen. Markale vermoedt dat de seismische en magnetische
eigenaardigheden van deze Bretonse streek mogelijk de plaatsing langs
bepaalde lijnen verklaren van stenen die tot honderden tonnen wegen.
Legenden rond Stonehenge bevatten ook verhalen over Merlijn, die de
leiding had bij de bouw, en magie gebruikte voor het transport van de
stenen; een andere versie schrijft de bouw toe aan een ‘ingenieuze
kunst’. Dit alles acht Markale plausibeler dan de legenden over
reuzen:
Het is natuurlijk gemakkelijk aan te nemen dat verscheidene
generaties door de eeuwen heen, verbaasd over de menhirs en dolmen,
zich voorstelden dat bovennatuurlijke wezens hadden meegeholpen aan
het transport en de plaatsing van deze kolossale blokken. Men komt
natuurlijk naar voren met reuzen, niet alleen vanwege hun magie
[maar ook vanwege hun grootte]. Men heeft dus het recht te vragen
of deze overlevering niet een werkelijkheid verbergt . . . die bepaalde
prehistorische mensen, erfgenamen van onbekende beschavingen, in staat
stelde enorme stenen te verplaatsen met psychische middelen. . . .
Dan is er ook de kwestie van zonne-energie. . . .
Waarom zou die niet kunnen zijn gebruikt voor het hanteren en oprichten
van de grote megalitische heiligdommen zoals die van Carnac en Stonehenge?
– Markale, blz. 157-9
Omdat de menhirs niet lukraak zijn geplaatst en hun opstelling de tellurische
lijnen volgt die over het oppervlak van de aarde lopen, concludeert
Markale dat:
de lijnen van Carnac misschien overeenkwamen met
een bijzonder verstoord gebied van de aardkorst, en dat de opgerichte
stenen daar werden geplaatst. . . om de tellurische stromen te kanaliseren
en te richten. . . . Kortom, een menhir zou overeenkomen met een acupunctuurnaald:
geplant in de bodem, zou hij een diepe energie opwekken en bundelen
die tot dan toe ongebruikt of verstrooid was. –
blz. 170-1
Als dat zo is, dan hebben we in Carnac een reusachtig heiligdom, nauwkeurig
opgericht in overeenstemming met magnetische stromen, tellurisme, seismische
activiteit en onderaardse rivieren. Markale ziet hierin de ‘optimale
omstandigheden die contact mogelijk maken tussen zichtbare en onzichtbare
krachten, wat de essentiële functie van ieder heiligdom is’
(blz. 296). De solaire betekenis van de megalieten is vastgesteld sinds
HPB dat een eeuw geleden aanvoerde. In New-Grange in Ierland wordt de
grafruimte, diep in de dolmen, getroffen door de stralen van de opkomende
zon tijdens de winterzonnestilstand, waardoor ze een ‘kamer van
de zon’ wordt. In Ierse megalieten, zoals die bij Dowth, Knowth,
Loughcrew, en Brugh-na-Boyne, en ook op andere plaatsen in de omgeving
van Carnac, vinden op bepaalde tijden van het jaar verlichtingen door
de zon plaats (blz. 153).
De technische kennis die nodig was om deze verschijnselen met betrekking
tot de zon in deze heiligdommen voort te brengen, impliceert een beschaving
die heel anders is dan die van enig bekend volk in de latere Europese
geschiedenis. Dit heeft geleid tot speculaties, niet alleen ten aanzien
van verbindingen met Atlantis, maar ook met andere centra van oude beschavingen,
in het bijzonder Egypte. Hoewel men aanneemt dat de Egyptische beschaving
een directe erfgenaam is van Atlantis, veronderstelt Markale dat de
megalitische monumenten van New-Grange, Barnenez en Gavrinis ouder zijn
dan de piramiden en tot deze hebben geïnspireerd. Daarom is het
waarschijnlijker dat de megalietenbouwers die grenzen aan de Atlantische
Oceaan, de directe erfgenamen zijn van Atlantis (blz. 266).
Eén intrigerende en mogelijke relatie waarmee Markale zich niet
bezighoudt is de oude maritieme beschaving van Noord-Amerika, die bloeide
tussen 7.000 tot 3.000 v.Chr. van Maine tot Labrador. In deze beschaving
van zeevaarders werden woningen gebouwd tot 270 voet lang en werden
primitieve rijen van staande stenen opgericht aan de Atlantische kust,
die duizenden jaren ouder zijn dan de Europese megalieten. Omdat sommige
van deze rijen ook gericht zijn op de zonsopkomst bij de zonnestilstand,
is het mogelijk dat ze een ontbrekende schakel zijn tussen Atlantis
en de Europese megalieten.
Wat is er geworden van de cyclopische bouwers van West-Europa? Welke
sporen van hun beschaving hebben ze ons nagelaten? Markale vertelt verscheidene
Bretonse verhalen over verdronken steden, in het bijzonder de Ville
d’Is (Stad van Is). Volgens sommige versies is een niet-christelijke
en wellustige eilandbevolking door het water verzwolgen nadat het weigerde
te luisteren naar de waarschuwingen van een christelijke missionaris.
In een ander verhaal geeft een maagd de sleutel, die toegang gaf tot
de sluispoort die de stad beschermde, aan de verkeerde persoon, die
de sluis opent. Andere versies geven verschillende redenen voor de overstroming.
Deze verhalen interesseren Markale omdat ze mogelijk culturele bijzonderheden
verraden over Atlantis of over de megalietenbouwers. Over de gemengde
bevolking van Romeins Gallië citeert Markale (blz. 254) Ammianus
Marcellinus (XV:9), die een verloren gegaan werk van de Griek Timagenus
aanhaalt:
Volgens de druïdische overlevering is de bevolking
van Gallië op een gedeelte na niet inheems, en nam op verschillende
tijden toe doordat ze buitenlandse eilandbewoners van over de
zee opnam, en mensen die waren weggejaagd uit hun land over de
Rijn door de wisselvalligheden van de oorlog (een blijvende toestand
in deze landen) of door de invasie van het gewelddadige element
dat dondert op hun kusten.
Dit brengt Markale tot de hypothese dat de Keltische mythe van een
zondvloed op geschiedenis berust – en dat de emigratie van de
Kelten het gevolg is van catastrofale overstromingen van hun land. Hij
veronderstelt verder dat dit gebied de Baltische en Jutlandse kust omvat,
die omstreeks 1200 v.Chr. zware klimatologische veranderingen heeft
ondergaan, en dat de emigranten zich uiteindelijk vermengden met de
‘buitenlandse eilandbewoners’ van Atlantische afkomst die
de megalieten bouwden.
De meest uitgebreide bespreking van de Atlantis-hypothese is nog steeds:
Atlantis: the Antediluvian World van Ignatius Donnelly, voor
het eerst uitgegeven in 1882. Donnelly onderzoekt geologisch, botanisch,
taalkundig en cultureel bewijsmateriaal voor het bestaan van een verloren
continent in het midden van de Atlantische Oceaan. Donnelly, die eerder
een hartstochtelijk pleitbezorger dan een objectieve onderzoeker is,
verschaft een verbijsterende hoeveelheid gegevens om zijn stelling te
ondersteunen. Al is zijn boek een meesterwerk wat overinformatie betreft,
het blijft niettemin de meest ambitieuze behandeling van het onderwerp.
Blavatsky accepteerde veel van Donnelly’s interpretatie, die te
vinden is in de meeste twintigste-eeuwse studies van Atlantis, die van
Cayce en Markale inbegrepen. De legenden van Plato, de analyses van
Donnelly, Blavatsky’s archaïsche optekeningen, de visie van
Cayce en de speculatieve interpretaties van Markale geven alle een intrigerende
benadering van het mysterie van Atlantis. Maar het blijft een mysterie.
Vergeleken met de verklaringen van HPB dat het menselijk bewustzijn
achttien miljoen jaar geleden ontstond, en de hedendaagse wetenschap
die de ouderdom van het heelal schat op meer dan tien miljard jaar,
lijkt onze ‘geschiedenis’ inderdaad nietig. Maar al onttrekt
onze ‘prehistorie’ zich aan onze bewuste waarneming, toch
dringt ze door tot de diepten van ons wezen en is ze afgedrukt op ieder
atoom, iedere cel en ieder orgaan van ons lichaam – om niet te
spreken van onze niet-fysieke aspecten. Atlantis symboliseert daarom
wat wij weten dat waar is, namelijk dat de onbekende geschiedenis van
de mensheid het bekende ver overschrijdt, en dat ons ras enorme veranderingen
heeft ondergaan, evenals de bol die we bewonen. Of de mythe veel of
weinig letterlijke waarheid bevat, de symbolische waarheid van Atlantis
is onmiskenbaar en spreekt voor zichzelf. De wetenschappelijke en archeologische
onverklaarbaarheid van de megalieten maakt ze tot onze enige tastbare
verbinding met het verloren gegane verleden, en daarom tot een sterk
symbool van het feit dat het grootste deel van ons verleden occult is
– onbekend. Wat de reden ook is, het verhaal van Atlantis is van
grote psychologische invloed en kan evenveel te maken hebben met het
heden als met het verleden: een technologisch ontwikkelde beschaving
die zich vermogens verwerft voor ze moreel en geestelijk in staat is
ze op de juiste wijze te gebruiken. Misschien openbaart de ras- of zieleherinnering
zich in de huidige belangstelling voor verzonken landen, omdat de Atlantische
legende zo op onze eigen situatie slaat.
De geweldige omvang van het onbekende, vergeleken met het bekende,
is iets dat mensen niet bewust schijnen te kunnen accepteren. Maar als
we het onbekende verwerpen, ondergraaft dat ons vermogen de grenzen
van het bekende uit te breiden. Het meest opmerkelijke en prijzenswaardige
aspect van de benadering van Jean Markale in Carnac en het Raadsel
van Atlantis, en in zijn hele Geheime Geschiedenis van Frankrijk,
is dat hij het onbekende eerder looft dan verwerpt. In plaats van te
beweren dat hij de mysteriën van Carnac en Atlantis ‘oplost’,
vergroot hij ze veeleer en laat de lezer achter met veel nieuwe vragen
en weinig antwoorden.
Noten
- Nummer 7 op de bestsellerlijst van ‘le Grand
Livre du Mois’, de Franse Boek-van-de-Maand Club. Zie de boekbespreking
van Markale’s eerste deel van de reeks, Montségur
et l’énigme cathare, Sunrise sep/okt
1988.
- In de theosofische literatuur is een wortelras een
van de zeven stadia in de evolutie van de mensheid, en elk daarvan
duurt verscheidene miljoenen jaren.
- Besproken door Blair Moffett in Sunrise oktober
1980.