De mysteries van Carnac en Atlantis
Paul Johnson

 

Boekbespreking: Histoire de la France Secrète, deel 4, Carnac et l’énigme de l’Atlantide, Jean Markale, Éditions Pygmalion/Gérard Watelet, Parijs, 1987, geïllustreerd.





De megalitische bouwwerken van West-Europa spreken al lange tijd tot onze verbeelding, maar nog steeds weten we niet wat hun oorsprong en betekenis is. Dat ze ons voortdurend blijven boeien, blijkt duidelijk uit het succes bij de pers en het publiek van het vierde deel van Jean Markale’s Histoire de la France Secrète (De Geheime Geschiedenis van Frankrijk), getiteld Carnac et l’énigme de l’Atlantide1 (Carnac en het Raadsel van Atlantis). Carnac is de meest opzienbarende van alle Bretonse vindplaatsen, waarop zich meer dan 3000 prehistorische stenen monumenten bevinden. Hiertoe behoren lange rijen van menhirs (rechtopstaande stenen) en dolmens (uit meerdere stenen bestaande bouwsels die horizontale platte stenen ondersteunen). Uitgehouwen uit het plaatselijk aanwezige graniet, werden ze in verschillende tijden van het vroege tot het late neoliticum (ca. 4000-1500 v.Chr.) opgericht. Nu, verweerd door de natuur en de tijd, zijn ze bedekt met wit mos. De theosofische literatuur bevat vele verwijzigingen naar Carnac:

Een zeer oude plek in Bretagne (Frankrijk) van een tempel van cyclopisch karakter, gewijd aan de zon en de draak; en van hetzelfde type als Karnak in het oude Egypte, en Stonehenge in Engeland. . . Het werd gebouwd door de prehistorische hiërofant-priesters van de zonnedraak, of gesymboliseerde wijsheid (de zonne-kumara’s die incarneerden, waren de hoogste). Elk van de stenen werd daar door de opeenvolgende heersende priester-adepten persoonlijk geplaatst, als een herinnering in symbolische taal aan de grootte van de macht, positie en kennis van elk van hen.
      – The Theosophical Glossary, blz. 74

In De Geheime Leer vinden we herhaaldelijk bevestigingen van het bestaan van reuzen in het verre verleden, en de megalieten worden genoemd als bewijsmateriaal: ‘Als er geen reuzen waren geweest om dergelijke kolossale stenen te verplaatsen, [konden] er nooit een Stonehenge, een Carnac (Bretagne) en meer van zulke cyclopische bouwwerken zijn geweest’ (2:385). H.P. Blavatsky schreef verder ‘dat de meeste van deze stenen overblijfselen zijn achtergelaten door de laatste Atlantiërs’ (2:387). De conclusies van Markale met betrekking tot Carnac stemmen vrij nauw overeen met die van Blavatsky in de jaren tachtig van de vorige eeuw.

In een uitgebreide bespreking van de verwantschap tussen de Atlantiërs, de bouwers van de megalieten, en Egypte, zegt De Geheime Leer:

En toch zijn er verslagen die aantonen dat Egyptische priesters – ingewijden – over land in noordwestelijke richting reisden, via wat later de Straat van Gibraltar werd; toen naar het noorden gingen en door de toekomstige Fenicische nederzettingen in Zuid-Gallië trokken; vervolgens nog verder naar het noorden gingen tot ze Carnac (Morbihan) bereikten. Daarna wendden ze zich weer naar het westen en bereikten, terwijl ze nog steeds over land reisden, het noordwestelijke voorgebergte van het Nieuwe Continent.    –2:853

Of, zoals ze in een voetnoot daaraan toevoegt. ‘wat nu de Britse eilanden zijn, die in die tijd nog niet van het hoofdcontinent waren gescheiden.’

Wat was het doel van hun lange reis? En hoever terug moeten we de datum van dergelijke bezoeken plaatsen? De archaïsche verslagen delen mee dat de ingewijden van het tweede onderras van de Indo-Europese familie zich van het ene land naar het andere begaven met het doel toezicht te houden op de bouw van menhirs en dolmens, van kolossale dierenriemen in steen, en begraafplaatsen die moesten dienen om de as van toekomstige geslachten te omvangen. Wanneer was dit? Het feit dat zij over land van Frankrijk naar Groot-Brittannië overstaken, kan ons enig idee geven van de tijd waarin een dergelijke reis op het vaste land kon worden volbracht.
     – 2:853-4

Naar schatting van de hedendaagse wetenschap is de laatste landverbinding tussen Engeland en het continent ter hoogte van Dover 8000 jaar geleden onder de zeespiegel verdwenen. In haar interpretatie van die ‘oude getuigenissen’, noemt HPB Carnac als het belangrijkste voorbeeld van een vorm van prehistorische architectuur die op ‘bijna iedere breedtegraad’ is te vinden:

Men treft ze aan in het bekken van de Middellandse Zee; in Denemarken (plaatselijke grafheuvels van zevenentwintig rot vijfendertig voet hoog): in Shetland, en in Zweden, waar ze ganggriften (of graven met gangen) worden genoemd; in Duitsland, waar ze bekendstaan als reuzengraven (Hünengräben); in Spanje (zie de dolmen van Antiguera bij Malaga) en Afrika; in Palestina en Algerije; op Sardinië (zie de nuraghi en sepolture dei giganti of reuzengraven): in Malabar, in India, waar ze de graven van de daitya’s (reuzen) en van de rakshasa’s, de mensdemonen van Lanka worden genoemd; in Rusland en Siberië, waar ze bekendstaan als de koorgan; in Peru en Bolivia, waar ze chulpa’s of begraafplaatsen heten, enz.    – 2:855

Is het mogelijk dat Blavatsky, al komen grafheuvels misschien wel in de hele wereld voor, het bijzondere druïdische karakter van de monumentale architectuur van Bretagne en de Britse eilanden over het hoofd ziet? HPB ontkent met nadruk de druïdische oorsprong van deze overblijfselen:

De bovengenoemde reizende ingewijden hadden te maken met de zogenaamde druïdische overblijfselen, zoals Carnac in Bretagne, en Stonehenge in Groot-Brittannië. En al deze gigantische monumenten zijn symbolische getuigenissen van de wereldgeschiedenis. Ze zijn niet druïdisch maar universeel. Ze zijn ook niet door de druïden gebouwd, want deze waren slechts de erfgenamen van de cyclopische kennis die hun door geslachten van machtige bouwers en ‘tovenaars’, zowel goede als slechte, waren nagelaten.    – 2:857

Jean Markale, een expert op het gebied van de Keltische beschaving, verwerpt ook alle theorieën die de Keltische druïden in verband brengen met de megalieten. De Kelten kwamen uit het oosten omstreeks 1000 v.Chr., duizenden jaren na de bouw van de megalieten. Maar als de druïden ze niet bouwden, wie dan wel? De mysterieuze verhalen van Blavatsky en het nauwgezette onderzoek van Markale wijzen beide naar Atlantische bronnen.

Het bestaan van Atlantis is natuurlijk nog steeds een twistpunt. Volgens Blavatsky duurde het tijdperk van Atlantis zo’n acht tot tien miljoen jaar en de natuurrampen die er de oorzaak van waren dat de belangrijkste continentale formaties verzonken, vonden misschien vier à vijf miljoen jaar geleden plaats. Omdat voorts de overgang van het ene wortelras2 naar het volgende geleidelijk verloopt, mogen we geen wetenschappelijke bevestiging verwachten ten aanzien van Atlantische reuzen, omdat de mens zijn tegenwoordige lengte al een miljoen jaar of meer bezit. Hoewel in de meest recent verzonken gebieden van Atlantis de kans het grootst is dat ze sporen van menselijke beschaving tonen, is de kans het geringst dat ze bewijzen van reuzen bevatten. Markale beschouwt reuzen, zoals we zullen zien, symbolisch.

Plato’s versie van het verhaal van Atlantis wordt toegeschreven aan een Egyptische priester van Sais, die de overleveringen onthult aan de Griek Solon. Solon hoorde van de priester dat van de vele wonderlijke daden die van Athene in de Egyptische geschiedenissen zijn opgetekend, één alle andere overtreft:

Want deze geschiedenissen spreken van een geweldige macht die heel Europa en Azië op felle wijze aanviel, . . . Deze macht kwam vanuit de Atlantische Oceaan, want in die dagen was de Atlantische Oceaan bevaarbaar; en er was een eiland gelegen voor de landengten die u de zuilen van Hercules noemt; het eiland was groter dan Libië en Azië samen, en was de weg naar andere eilanden, en vanaf de eilanden kon men naar het hele tegenoverliggende continent gaan. . . Op dit eiland van Atlantis bevond zich een groot en wonderlijk rijk dat heerste over het hele eiland en verscheidene andere, zowel als over delen van het continent en, behalve deze, onderwierpen zij delen van Libië binnen de zuilen van Hercules tot aan Egypte, en van Europa tot aan Tyrrhenia. De grote macht trok zich samen tot één, trachtte met één klap ons land en het uwe en het hele land dat tussen de landengten lag, te onderwerpen; en toen, Solon, kwam uw land met kracht op, . . . en bevrijdde edelmoedig alle anderen die binnen de grenzen van Hercules wonen. Maar daarna vonden er hevige aardbevingen en overstromingen plaats; en in één enkele dag en nacht van regen verzonken al uw krijgshaftige mannen in de aarde en het eiland van Atlantis verdween op dezelfde manier en zonk onder de zee.
     – Timaeus, §24e - 25d, naar de vert. van Jowett, ed. 1885

In een andere tweespraak, Critias, vinden we een beschrijving van Atlantis zelf, waarin onder meer melding wordt gemaakt van tempels van vele goden, tuinen, oefenplaatsen, een renbaan, een stadion, wachthuisjes, havens vol galeien en scheepsbehoeften. Het verhaal van Critias wordt afgebroken na de volgende voorspelling van de oorzaken van de overstroming:

Gedurende vele generaties, zolang de goddelijke natuur in hen standhield, gehoorzaamden zij de wetten, . . . brachten vriendelijkheid en wijsheid in praktijk in de verschillende levensomstandigheden en in hun omgang met elkaar. . . . maar toen dit goddelijke deel in hen begon te vervagen, . . . werden ze, niet in staat hun lot te dragen, onbetamelijk, en voor hen die ogen hadden om te zien, begonnen ze minderwaardig te worden, . . . vervuld van onrechtvaardigheid, hebzucht en macht.
     – §120, naar de vert. van Jowett, ed. 1885

De grootste onthulling over de Atlantis-hypothese was misschien het werk van de helderziende Edgar Cayce. In een toestand van trance gaf hij vele beschrijvingen van Atlantis, gewoonlijk als deel van waarnemingen voor personen. Over Atlantis wordt in deze waarnemingen gezegd dat het grote technologische vorderingen had gemaakt voordat misbruik van de natuurwet een catastrofe veroorzaakte waardoor het grootste deel van het continent in de oceaan verzonk, en slechts vijf grote eilanden overbleven. Zo’n 11.000 jaar geleden verzonken de overgebleven eilanden. Een ander verloren continent, Lemurië, komt ook voor in de waarnemingen van Cayce, wat herinnert aan de lering van Blavatsky dat Atlantis ‘eerder [moet] worden opgevat als een uitbreiding van de Atlantische voortzetting van Lemurië, dan als een heel nieuwe landmassa die was verrezen om aan de speciale behoeften van het vierde Wortelras te voldoen’ (De Geheime Leer, 2:376-7).

Volgens HPB leidde zwarte magie, of het misbruik van spirituele vermogens tegen het einde van het vierde (Atlantische) ras, tot verlies van de geestelijke visie en ook tot het geleidelijk verdwijnen van het derde oog, tot ‘zijn functies, tengevolge van de stoffelijkheid en de ontaarde toestand van de mensheid vóór het verzinken van het grootste deel van het Atlantische continent, geheel ophielden’ 2:345).

Is er enig wetenschappelijk bewijs voor het bestaan van Atlantis? Hoewel er zeventien boeken over Atlantis worden genoemd in Books in Print, zijn er geen studies van wetenschappers die invloed hebben gehad op de algemene wetenschappelijke opvatting dat Atlantis een ongefundeerde mythe is. Geen enkele encyclopedie, algemeen of wetenschappelijk, schrijft er anders over, en recente periodieken zwijgen geheel en al over bewijsmateriaal voor Atlantis. Een belangwekkend werk van recente datum is de tweedelige monografie getiteld A Geological Study of the Mid-Atlantic Ridge. De schrijver, dr. C. Cedric Leonard3, komt tot de conclusie dat Wegeners theorie over de verschuiving van continenten, nu plaattektoniek genaamd, niet betekent dat een mid-Atlantisch continent een onmogelijkheid is, zoals werd verondersteld. Leonard laat zien dat zelfs als alle continenten 200 miljoen jaar geleden één massief vormden, zoals men gelooft, er nog steeds voldoende ruimte overblijft voor Atlantis in de Noord-Atlantische Oceaan, gedurende tenminste 60 miljoen jaar.

De oceaanbodem langs de mid-Atlantische rug is bekend als het meest onstabiele gedeelte van de aardkorst. Dat is van belang voor het bepalen van de betekenis van steenmonsters die karakteristiek zijn voor continenten langs de rug en die door de Woods Hole oceanografische expeditie in 1948 werden ontdekt. Omstreeks dezelfde tijd nam de Zweedse diepzee-expeditie monsters van diatomeeën uit het hart van de diepzee. Alleen die van de mid-Atlantische rug bevatten ‘een laag die uitsluitend bestond uit zoetwaterdiatomeeën: Op grond van deze diatomeeën en verkiezelde resten van landplanten die in hetzelfde gebied werden gevonden, leidde dr. René Malaise van Stockholms Riksmuseum in 1957 af dat gedeelten van de mid-Atlantische rug boven water moeten zijn geweest tot het einde van de laatste ijstijd, 10.000-13.000 jaar geleden. Dit stemt overeen met de data die zijn gegeven door Plato, Blavatsky en Cayce voor het verzinken van het laatste deel van Atlantis (Moffett, 267-8).

Hoe verhouden de vondsten van Markale in Carnac zich tot Atlantis? Een terugkerend verschijnsel van de Armorikaanse schiervlakte, waarop Carnac is gelegen, is sterke radioactiviteit en een ongewoon dicht netwerk van tellurische lijnen. Markale vermoedt dat de seismische en magnetische eigenaardigheden van deze Bretonse streek mogelijk de plaatsing langs bepaalde lijnen verklaren van stenen die tot honderden tonnen wegen. Legenden rond Stonehenge bevatten ook verhalen over Merlijn, die de leiding had bij de bouw, en magie gebruikte voor het transport van de stenen; een andere versie schrijft de bouw toe aan een ‘ingenieuze kunst’. Dit alles acht Markale plausibeler dan de legenden over reuzen:

Het is natuurlijk gemakkelijk aan te nemen dat verscheidene generaties door de eeuwen heen, verbaasd over de menhirs en dolmen, zich voorstelden dat bovennatuurlijke wezens hadden meegeholpen aan het transport en de plaatsing van deze kolossale blokken. Men komt natuurlijk naar voren met reuzen, niet alleen vanwege hun magie [maar ook vanwege hun grootte]. Men heeft dus het recht te vragen of deze overlevering niet een werkelijkheid verbergt . . . die bepaalde prehistorische mensen, erfgenamen van onbekende beschavingen, in staat stelde enorme stenen te verplaatsen met psychische middelen. . . .

Dan is er ook de kwestie van zonne-energie. . . . Waarom zou die niet kunnen zijn gebruikt voor het hanteren en oprichten van de grote megalitische heiligdommen zoals die van Carnac en Stonehenge?
     – Markale, blz. 157-9

Omdat de menhirs niet lukraak zijn geplaatst en hun opstelling de tellurische lijnen volgt die over het oppervlak van de aarde lopen, concludeert Markale dat:

de lijnen van Carnac misschien overeenkwamen met een bijzonder verstoord gebied van de aardkorst, en dat de opgerichte stenen daar werden geplaatst. . . om de tellurische stromen te kanaliseren en te richten. . . . Kortom, een menhir zou overeenkomen met een acupunctuurnaald: geplant in de bodem, zou hij een diepe energie opwekken en bundelen die tot dan toe ongebruikt of verstrooid was.    – blz. 170-1

Als dat zo is, dan hebben we in Carnac een reusachtig heiligdom, nauwkeurig opgericht in overeenstemming met magnetische stromen, tellurisme, seismische activiteit en onderaardse rivieren. Markale ziet hierin de ‘optimale omstandigheden die contact mogelijk maken tussen zichtbare en onzichtbare krachten, wat de essentiële functie van ieder heiligdom is’ (blz. 296). De solaire betekenis van de megalieten is vastgesteld sinds HPB dat een eeuw geleden aanvoerde. In New-Grange in Ierland wordt de grafruimte, diep in de dolmen, getroffen door de stralen van de opkomende zon tijdens de winterzonnestilstand, waardoor ze een ‘kamer van de zon’ wordt. In Ierse megalieten, zoals die bij Dowth, Knowth, Loughcrew, en Brugh-na-Boyne, en ook op andere plaatsen in de omgeving van Carnac, vinden op bepaalde tijden van het jaar verlichtingen door de zon plaats (blz. 153).

De technische kennis die nodig was om deze verschijnselen met betrekking tot de zon in deze heiligdommen voort te brengen, impliceert een beschaving die heel anders is dan die van enig bekend volk in de latere Europese geschiedenis. Dit heeft geleid tot speculaties, niet alleen ten aanzien van verbindingen met Atlantis, maar ook met andere centra van oude beschavingen, in het bijzonder Egypte. Hoewel men aanneemt dat de Egyptische beschaving een directe erfgenaam is van Atlantis, veronderstelt Markale dat de megalitische monumenten van New-Grange, Barnenez en Gavrinis ouder zijn dan de piramiden en tot deze hebben geïnspireerd. Daarom is het waarschijnlijker dat de megalietenbouwers die grenzen aan de Atlantische Oceaan, de directe erfgenamen zijn van Atlantis (blz. 266).

Eén intrigerende en mogelijke relatie waarmee Markale zich niet bezighoudt is de oude maritieme beschaving van Noord-Amerika, die bloeide tussen 7.000 tot 3.000 v.Chr. van Maine tot Labrador. In deze beschaving van zeevaarders werden woningen gebouwd tot 270 voet lang en werden primitieve rijen van staande stenen opgericht aan de Atlantische kust, die duizenden jaren ouder zijn dan de Europese megalieten. Omdat sommige van deze rijen ook gericht zijn op de zonsopkomst bij de zonnestilstand, is het mogelijk dat ze een ontbrekende schakel zijn tussen Atlantis en de Europese megalieten.

Wat is er geworden van de cyclopische bouwers van West-Europa? Welke sporen van hun beschaving hebben ze ons nagelaten? Markale vertelt verscheidene Bretonse verhalen over verdronken steden, in het bijzonder de Ville d’Is (Stad van Is). Volgens sommige versies is een niet-christelijke en wellustige eilandbevolking door het water verzwolgen nadat het weigerde te luisteren naar de waarschuwingen van een christelijke missionaris. In een ander verhaal geeft een maagd de sleutel, die toegang gaf tot de sluispoort die de stad beschermde, aan de verkeerde persoon, die de sluis opent. Andere versies geven verschillende redenen voor de overstroming. Deze verhalen interesseren Markale omdat ze mogelijk culturele bijzonderheden verraden over Atlantis of over de megalietenbouwers. Over de gemengde bevolking van Romeins Gallië citeert Markale (blz. 254) Ammianus Marcellinus (XV:9), die een verloren gegaan werk van de Griek Timagenus aanhaalt:

Volgens de druïdische overlevering is de bevolking van Gallië op een gedeelte na niet inheems, en nam op verschillende tijden toe doordat ze buitenlandse eilandbewoners van over de zee opnam, en mensen die waren weggejaagd uit hun land over de Rijn door de wisselvalligheden van de oorlog (een blijvende toestand in deze landen) of door de invasie van het gewelddadige element dat dondert op hun kusten.

Dit brengt Markale tot de hypothese dat de Keltische mythe van een zondvloed op geschiedenis berust – en dat de emigratie van de Kelten het gevolg is van catastrofale overstromingen van hun land. Hij veronderstelt verder dat dit gebied de Baltische en Jutlandse kust omvat, die omstreeks 1200 v.Chr. zware klimatologische veranderingen heeft ondergaan, en dat de emigranten zich uiteindelijk vermengden met de ‘buitenlandse eilandbewoners’ van Atlantische afkomst die de megalieten bouwden.

De meest uitgebreide bespreking van de Atlantis-hypothese is nog steeds: Atlantis: the Antediluvian World van Ignatius Donnelly, voor het eerst uitgegeven in 1882. Donnelly onderzoekt geologisch, botanisch, taalkundig en cultureel bewijsmateriaal voor het bestaan van een verloren continent in het midden van de Atlantische Oceaan. Donnelly, die eerder een hartstochtelijk pleitbezorger dan een objectieve onderzoeker is, verschaft een verbijsterende hoeveelheid gegevens om zijn stelling te ondersteunen. Al is zijn boek een meesterwerk wat overinformatie betreft, het blijft niettemin de meest ambitieuze behandeling van het onderwerp. Blavatsky accepteerde veel van Donnelly’s interpretatie, die te vinden is in de meeste twintigste-eeuwse studies van Atlantis, die van Cayce en Markale inbegrepen. De legenden van Plato, de analyses van Donnelly, Blavatsky’s archaïsche optekeningen, de visie van Cayce en de speculatieve interpretaties van Markale geven alle een intrigerende benadering van het mysterie van Atlantis. Maar het blijft een mysterie.

Vergeleken met de verklaringen van HPB dat het menselijk bewustzijn achttien miljoen jaar geleden ontstond, en de hedendaagse wetenschap die de ouderdom van het heelal schat op meer dan tien miljard jaar, lijkt onze ‘geschiedenis’ inderdaad nietig. Maar al onttrekt onze ‘prehistorie’ zich aan onze bewuste waarneming, toch dringt ze door tot de diepten van ons wezen en is ze afgedrukt op ieder atoom, iedere cel en ieder orgaan van ons lichaam – om niet te spreken van onze niet-fysieke aspecten. Atlantis symboliseert daarom wat wij weten dat waar is, namelijk dat de onbekende geschiedenis van de mensheid het bekende ver overschrijdt, en dat ons ras enorme veranderingen heeft ondergaan, evenals de bol die we bewonen. Of de mythe veel of weinig letterlijke waarheid bevat, de symbolische waarheid van Atlantis is onmiskenbaar en spreekt voor zichzelf. De wetenschappelijke en archeologische onverklaarbaarheid van de megalieten maakt ze tot onze enige tastbare verbinding met het verloren gegane verleden, en daarom tot een sterk symbool van het feit dat het grootste deel van ons verleden occult is – onbekend. Wat de reden ook is, het verhaal van Atlantis is van grote psychologische invloed en kan evenveel te maken hebben met het heden als met het verleden: een technologisch ontwikkelde beschaving die zich vermogens verwerft voor ze moreel en geestelijk in staat is ze op de juiste wijze te gebruiken. Misschien openbaart de ras- of zieleherinnering zich in de huidige belangstelling voor verzonken landen, omdat de Atlantische legende zo op onze eigen situatie slaat.

De geweldige omvang van het onbekende, vergeleken met het bekende, is iets dat mensen niet bewust schijnen te kunnen accepteren. Maar als we het onbekende verwerpen, ondergraaft dat ons vermogen de grenzen van het bekende uit te breiden. Het meest opmerkelijke en prijzenswaardige aspect van de benadering van Jean Markale in Carnac en het Raadsel van Atlantis, en in zijn hele Geheime Geschiedenis van Frankrijk, is dat hij het onbekende eerder looft dan verwerpt. In plaats van te beweren dat hij de mysteriën van Carnac en Atlantis ‘oplost’, vergroot hij ze veeleer en laat de lezer achter met veel nieuwe vragen en weinig antwoorden.

 

Noten

  1. Nummer 7 op de bestsellerlijst van ‘le Grand Livre du Mois’, de Franse Boek-van-de-Maand Club. Zie de boekbespreking van Markale’s eerste deel van de reeks, Montségur et l’énigme cathare, Sunrise sep/okt 1988.
  2. In de theosofische literatuur is een wortelras een van de zeven stadia in de evolutie van de mensheid, en elk daarvan duurt verscheidene miljoenen jaren.
  3. Besproken door Blair Moffett in Sunrise oktober 1980.
 
Andere artikelen over Atlantis
 

Uit het tijdschrift Sunrise mrt/apr 1989

© 1989 Theosophical University Press Agency