Bij het ontwerpen van een brug houdt de architect rekening met de
maximale uitzetting en inkrimping en zorgt daarom in zijn blauwdruk
voor voldoende ruimte bij iedere belangrijke verbinding. Kabels kunnen
slingeren, pijlers schudden, de onderbouw kan bewegen, maar zolang de
verhouding tussen spanning en speling juist is, moet de oorspronkelijke
structuur standhouden. Volkeren uit de oudheid spraken dikwijls over
de mens als een brug tussen hemel en aarde, tussen de scheppende en
vernietigende krachten in zijn natuur, en gewoonlijk leggen wij de nadruk
op wat zich aan de twee uiteinden van de brug bevindt – de krachten
van goed en kwaad, van licht en duister. Maar wij mensen zijn levende
bruggen tussen een eeuwenlange erfenis aan vroegere ervaringen en een
eeuwenlange toekomst aan ongedroomde mogelijkheden; en zoals beton en
staal alleen geen brug maken, zo vormt ook de som van onze eigenschappen,
van de geest, het verstand, het gevoelsleven en het lichaam, geen mens.
Zonder de geheimzinnige x-factor, die centimeters zuiver niets op ieder
kruispunt van onze veelzijdige natuur, zouden ook wij niet de veerkracht
bezitten die ons in staat stelt de tragiek en pijn te verdragen die
een schaduw werpen over vreugde en schoonheid. Welke naam we er ook
aan willen geven – bewustzijn, goddelijkheid, liefde, of de ‘stralende
essentie’ (akasa) zoals de Upanishads van India deden –
is het niet liefde, die onzichtbare ruimte die de zuiverheid van de
ziel waarborgt?
Deze gedachte is van toepassing op deze tijd, waarin de snelheid waarmee
veranderingen plaatsvinden, wat voor ons tijdperk kenmerkend is, zowel
de zwakke als de sterke kanten van de menselijke psyche versterkt. Duizenden
mannen, vrouwen en ook tieners, geven hun tijd en talent aan menslievende
doeleinden, maar andere duizenden leven zo dicht aan de rand van hun
reserve dat ze maar al te dikwijls plotseling de veiligheidsgrens overschrijden
en bezwijken. Velen worden geholpen om hun evenwicht te herwinnen, hun
verantwoordelijkheden weer op zich te nemen en, met hernieuwde moed
en een sterker vertrouwen in hun vermogen, aan de omstandigheden het
hoofd te bieden. Maar ondanks alle liefde en zorg van familieleden en
raadgevers, blijven te velen gestoord en schijnen, als een ingestorte
brug, ongeneeslijk. Welke hoop is er voor deze mensen?
Er zou inderdaad reden tot wanhoop zijn als we maar één
leven hadden om onze eigenwaarde te bewijzen. In het vooruitzicht van
vele levens, waarin het volledige spectrum van ons goddelijk vermogen
zich kan ontplooien, verandert dit beeld echter. Omdat volgens de universele
traditie ieder atoom in de hele kosmos leeft en een goddelijke vonk
herbergt die op weg is naar steeds verdere ontplooiing van haar potentiële
goddelijke natuur, zullen ook wij mensen zeker hetzelfde evolutionaire
patroon volgen, wat de vorming van sterke zielen tot doel heeft.
Als we onszelf vergelijken met een brug, die ruime speling in spanning
kan opvangen dankzij de geheimzinnige x-factor in ons, waar het goddelijke
thuishoort, wat is het dan dat de ene mens in
staat stelt om weerstand te bieden aan omstandigheden die zo vreselijk
zijn dat ze iedere beschrijving tarten, terwijl een ander te gronde
gaat om heel wat minder redenen? Eén schrijver drukte het zo
uit: ‘Het is niet het verschil in spanning, maar het verschil
in spankracht van de mensen.’
Hoe vormen we dan het sterke innerlijke karakter dat de slagen en stormen
in leven na leven kan incasseren? De tijd en ervaringen van vele levens
vormen ons weerstandsvermogen. Wij allen hebben steeds opnieuw gefaald
– en zijn ook geslaagd – en dat zullen we blijven doen als
deel van het groeiproces. Maar kan er sprake zijn van falen als we blijven
proberen? Vanuit het standpunt van vele levens bestaat er niet zoiets
als falen. Onvermijdelijk zullen er momenten komen van vernedering,
van paniek, zelfs van wanhoop. Maar zijn er ook niet ogenblikken van
onuitsprekelijke vreugde en verwondering, wanneer de ziel diep ontroerd
wordt?
Ieder leven heeft betekenis, de uiterlijke schijn ten spijt, en niemand
van ons is wijs genoeg om aan de hand van de gebeurtenissen van een
leven een oordeel te vellen over het werkelijke doel en de innerlijke
waarde van de ziel. Maar hoe staat het dan met degenen die geboren zijn
met ernstige mentale of lichamelijke gebreken, of met hen die slechts
enkele uren of een dag leven, of zelfs volslagen gehandicapt zijn? Hoe
kan een leven zinvol zijn, wanneer het plotseling wordt afgebroken,
of wanneer men geen besef heeft van zijn omgeving, of weinig mogelijkheden
om zijn toch al geringe gaven te ontwikkelen?
Kunnen we de diepte peilen van de liefde die straalt uit de ogen van
iemand die gevangen zit in een lichaam dat totaal niet kan reageren?
Wie kan zeggen hoe indringend de subtiele invloed van die liefde is
voor de naaste familieleden en zelfs voor het gedachten-bewustzijn van
de mensheid?
Als we de woorden lezen van Christopher de Vinck in zijn verhaal
over zijn broer Oliver, dan weten we dat het om een ziel ging die
wel niet in staat was zich te uiten, maar die toch een schoonheid en
licht uitstraalde die niet alleen het gezin gelukkig maakten, maar zelfs
nu nog het leven van miljoenen mensen beïnvloeden, doordat zijn
broer zijn ervaringen op schrift stelde. De Vinck schreef jaren na de
dood van zijn broer: ‘Oliver zal altijd de zwakste, meest hulpeloze
mens blijven waarmee ik ooit in aanraking kwam, maar hij was tevens
de meest indrukwekkende mens die ik ooit heb ontmoet. Behalve ademhalen,
slapen en eten kon hij absoluut niets, en toch was hij de aanleiding
voor daadkracht, liefde, moed en inzicht.’
Deze mensen kunnen wel niet op de gebruikelijke wijze met ons communiceren,
maar we moeten er niet van uitgaan dat hun innerlijk bewustzijn gehandicapt
is, evenmin als dat het geval is bij mensen op zeer hoge leeftijd, in
wie het geheugen voor de dagelijkse dingen is verdwenen, maar die helder
blijven als het om hun specifieke interessen van vroegere jaren gaat.
Achter iedere menselijke ziel schuilt een mysterie dat we niet kunnen
doorgronden.
We kunnen er zeker van zijn dat deze speciale mensen, evenals wij allemaal,
levende bruggen vormen tussen hemel en aarde, en dat in een toekomstig
leven de ‘grote en van kracht vervulde ziel’, die nu nog
verborgen is en die wij kennen als Oliver of Jane, weer zal stralen,
met nog meer liefde en wijsheid, als gevolg van de liefde en wijsheid
die ze in dit leven hebben geschonken.