Levende bruggen
Grace F. Knoche

 

Bij het ontwerpen van een brug houdt de architect rekening met de maximale uitzetting en inkrimping en zorgt daarom in zijn blauwdruk voor voldoende ruimte bij iedere belangrijke verbinding. Kabels kunnen slingeren, pijlers schudden, de onderbouw kan bewegen, maar zolang de verhouding tussen spanning en speling juist is, moet de oorspronkelijke structuur standhouden. Volkeren uit de oudheid spraken dikwijls over de mens als een brug tussen hemel en aarde, tussen de scheppende en vernietigende krachten in zijn natuur, en gewoonlijk leggen wij de nadruk op wat zich aan de twee uiteinden van de brug bevindt – de krachten van goed en kwaad, van licht en duister. Maar wij mensen zijn levende bruggen tussen een eeuwenlange erfenis aan vroegere ervaringen en een eeuwenlange toekomst aan ongedroomde mogelijkheden; en zoals beton en staal alleen geen brug maken, zo vormt ook de som van onze eigenschappen, van de geest, het verstand, het gevoelsleven en het lichaam, geen mens.

Zonder de geheimzinnige x-factor, die centimeters zuiver niets op ieder kruispunt van onze veelzijdige natuur, zouden ook wij niet de veerkracht bezitten die ons in staat stelt de tragiek en pijn te verdragen die een schaduw werpen over vreugde en schoonheid. Welke naam we er ook aan willen geven – bewustzijn, goddelijkheid, liefde, of de ‘stralende essentie’ (akasa) zoals de Upanishads van India deden – is het niet liefde, die onzichtbare ruimte die de zuiverheid van de ziel waarborgt?

Deze gedachte is van toepassing op deze tijd, waarin de snelheid waarmee veranderingen plaatsvinden, wat voor ons tijdperk kenmerkend is, zowel de zwakke als de sterke kanten van de menselijke psyche versterkt. Duizenden mannen, vrouwen en ook tieners, geven hun tijd en talent aan menslievende doeleinden, maar andere duizenden leven zo dicht aan de rand van hun reserve dat ze maar al te dikwijls plotseling de veiligheidsgrens overschrijden en bezwijken. Velen worden geholpen om hun evenwicht te herwinnen, hun verantwoordelijkheden weer op zich te nemen en, met hernieuwde moed en een sterker vertrouwen in hun vermogen, aan de omstandigheden het hoofd te bieden. Maar ondanks alle liefde en zorg van familieleden en raadgevers, blijven te velen gestoord en schijnen, als een ingestorte brug, ongeneeslijk. Welke hoop is er voor deze mensen?

Er zou inderdaad reden tot wanhoop zijn als we maar één leven hadden om onze eigenwaarde te bewijzen. In het vooruitzicht van vele levens, waarin het volledige spectrum van ons goddelijk vermogen zich kan ontplooien, verandert dit beeld echter. Omdat volgens de universele traditie ieder atoom in de hele kosmos leeft en een goddelijke vonk herbergt die op weg is naar steeds verdere ontplooiing van haar potentiële goddelijke natuur, zullen ook wij mensen zeker hetzelfde evolutionaire patroon volgen, wat de vorming van sterke zielen tot doel heeft.

Als we onszelf vergelijken met een brug, die ruime speling in spanning kan opvangen dankzij de geheimzinnige x-factor in ons, waar het goddelijke thuishoort, wat is het dan dat de ene mens in
staat stelt om weerstand te bieden aan omstandigheden die zo vreselijk zijn dat ze iedere beschrijving tarten, terwijl een ander te gronde gaat om heel wat minder redenen? Eén schrijver drukte het zo uit: ‘Het is niet het verschil in spanning, maar het verschil in spankracht van de mensen.’

Hoe vormen we dan het sterke innerlijke karakter dat de slagen en stormen in leven na leven kan incasseren? De tijd en ervaringen van vele levens vormen ons weerstandsvermogen. Wij allen hebben steeds opnieuw gefaald – en zijn ook geslaagd – en dat zullen we blijven doen als deel van het groeiproces. Maar kan er sprake zijn van falen als we blijven proberen? Vanuit het standpunt van vele levens bestaat er niet zoiets als falen. Onvermijdelijk zullen er momenten komen van vernedering, van paniek, zelfs van wanhoop. Maar zijn er ook niet ogenblikken van onuitsprekelijke vreugde en verwondering, wanneer de ziel diep ontroerd wordt?

Ieder leven heeft betekenis, de uiterlijke schijn ten spijt, en niemand van ons is wijs genoeg om aan de hand van de gebeurtenissen van een leven een oordeel te vellen over het werkelijke doel en de innerlijke waarde van de ziel. Maar hoe staat het dan met degenen die geboren zijn met ernstige mentale of lichamelijke gebreken, of met hen die slechts enkele uren of een dag leven, of zelfs volslagen gehandicapt zijn? Hoe kan een leven zinvol zijn, wanneer het plotseling wordt afgebroken, of wanneer men geen besef heeft van zijn omgeving, of weinig mogelijkheden om zijn toch al geringe gaven te ontwikkelen?

Kunnen we de diepte peilen van de liefde die straalt uit de ogen van iemand die gevangen zit in een lichaam dat totaal niet kan reageren? Wie kan zeggen hoe indringend de subtiele invloed van die liefde is voor de naaste familieleden en zelfs voor het gedachten-bewustzijn van de mensheid?

Als we de woorden lezen van Christopher de Vinck in zijn verhaal over zijn broer Oliver, dan weten we dat het om een ziel ging die wel niet in staat was zich te uiten, maar die toch een schoonheid en licht uitstraalde die niet alleen het gezin gelukkig maakten, maar zelfs nu nog het leven van miljoenen mensen beïnvloeden, doordat zijn broer zijn ervaringen op schrift stelde. De Vinck schreef jaren na de dood van zijn broer: ‘Oliver zal altijd de zwakste, meest hulpeloze mens blijven waarmee ik ooit in aanraking kwam, maar hij was tevens de meest indrukwekkende mens die ik ooit heb ontmoet. Behalve ademhalen, slapen en eten kon hij absoluut niets, en toch was hij de aanleiding voor daadkracht, liefde, moed en inzicht.’

Deze mensen kunnen wel niet op de gebruikelijke wijze met ons communiceren, maar we moeten er niet van uitgaan dat hun innerlijk bewustzijn gehandicapt is, evenmin als dat het geval is bij mensen op zeer hoge leeftijd, in wie het geheugen voor de dagelijkse dingen is verdwenen, maar die helder blijven als het om hun specifieke interessen van vroegere jaren gaat. Achter iedere menselijke ziel schuilt een mysterie dat we niet kunnen doorgronden.

We kunnen er zeker van zijn dat deze speciale mensen, evenals wij allemaal, levende bruggen vormen tussen hemel en aarde, en dat in een toekomstig leven de ‘grote en van kracht vervulde ziel’, die nu nog verborgen is en die wij kennen als Oliver of Jane, weer zal stralen, met nog meer liefde en wijsheid, als gevolg van de liefde en wijsheid die ze in dit leven hebben geschonken.

 

Uit het tijdschrift Sunrise nov/dec 1989

© 1989 Theosophical University Press Agency