Drie schokkende taferelen: ouderdom, ziekte en dood
Eloise Hart

 

Is het naïef te veronderstellen dat we ernstige ziekten kunnen vermijden, voorkomen of genezen, of de verschrikkelijke wereldproblemen kunnen oplossen door een deugdzaam leven te leiden? Misschien niet als we de woorden van de grote leraren gaan begrijpen, die ons herhaaldelijk hebben voorgehouden dat dit de enige oplossing is. Want als we ons karakter zuiveren van negatieve, leven-vernietigende invloeden van onwetendheid, vrees en zelfzucht en ons openstellen voor de licht-, leven- en liefde-schenkende krachten van de kosmos, komt dat zowel onszelf als alle anderen ten goede. Dat wordt duidelijk als we nagaan wat de zin is van de meest traumatische ervaringen van het leven – ziekte, ouderdom en dood – juist die ervaringen die de Boeddha ‘wakker maakten’ en tot zijn verlichting leidden.

Het gebeurde 2500 jaar geleden toen de jonge hindoeprins Siddhartha Sakyamuni, die te midden van koninklijke pracht opgroeide, waar niets te vrezen viel en alles liefde en vreugde ademde, zich buiten het paleis waagde en de stad inging. Geschokt door de pijn en het lijden die hij zag, ontwaakte in zijn ziel de oude verlangens om hulp te bieden aan allen die in nood verkeerden.

Het eerste ‘schokkende tafereel’ kwam toen hij voor het eerst in zijn leven een heel oude man zag:

Zijn kromme rug droeg menig jaar.
Zijn ogen toonden het spoor van veel verdriet, . . .1

Het tweede was een ‘arme stakker, krimpend van pijn, hijgend naar adem en smekend om hulp. Toen hij die man op zijn knie tilde en vriendelijk troostte, legde zijn wagenmenner hem uit ‘heel oud wordt slechts een enkele, meestal kwijnt men weg, maar allen moeten sterven.’2 Het derde tafereel bracht de prins van aangezicht tot aangezicht met de dood en de smart van de achterblijvenden. Zeer ontdaan riep de toekomstige Boeddha uit ‘Geeft dan een god het werk van eigen hand dus prijs? Ik liet geen smeekbede, zo ik hulp kon bieden, onverhoord.’3

Wanhopig zoekend naar antwoorden op de vraag wat de reden en de betekenis is van ziekte, ouderdom en dood, gaf Siddhartha zijn huis en positie op om raad te vragen aan wijze en heilige goeroes. Zes jaar lang volgde hij hun methoden van meditatie en soberheid, maar ontdekte dat die tot niets leiden. Uitgeput en de dood nabij, zette hij zich neer onder een grote bodhiboom, vastbesloten daar te blijven tot hij de waarheid kende. En toen kwam ze, kennis omtrent de oorzaak en het opheffen van menselijke ellende en van het doel van het leven.4

In vervoering en verlicht ging hij op weg om zijn inzichten aan de mensheid over te brengen, zodat allen het pad zouden kunnen volgen dat van lijden en dood naar vrede, licht en onsterfelijkheid voert. Door de eeuwen heen en in vele landen zijn zijn leringen vertolkt als de Vier Edele Waarheden en het Edele Achtvoudige Pad.5

De Vier Waarheden erkennen dat lijden en verdriet bestaan en dat ze worden veroorzaakt door begeerten en gehechtheid aan mensen en dingen van deze wereld; dat deze oorzaak kan worden overwonnen en tot staan gebracht door zo te leven dat de ziel wordt bevrijd van onwetendheid en gehechtheid. Deze manier van leven wordt aangeduid als het Edele Achtvoudige Pad. Het is een pad dat voor iedereen openligt, jong en oud, voor gezinshoofden die streven naar een gezonder en gelukkiger leven voor zichzelf en voor hen die ze liefhebben, en voor chela’s die geestelijke verlichting zoeken.

In overeenstemming met het gebod van Boeddha – ‘Wees een lamp voor uzelf, werk aan uw eigen bevrijding’ – wordt van ieder mens die dit pad betreedt verwacht dit op creatieve wijze te doen, d.w.z. ieder moment van de dag het beste te doen wat mogelijk is. Van hem wordt in de eerste plaats en als belangrijkste verwacht dat hij juiste opvattingen heeft, want het hele gedrag hangt af van begrip en motieven; vervolgens moet hij vastbesloten zijn geen kwade gevoelens te koesteren tegenover enig levend wezen. Dan volgen juiste spraak, juist gedrag – niets schaden of vernietigen dat leeft; juiste bezigheden; juiste inspanningen – nooit een onvriendelijke, zelfzuchtige of lelijke gedachte in hoofd of hart toelaten; en tenslotte als zevende en achtste, overpeinzing en concentratie, en wel op de juiste, beste en hoogste wijze. Dit laatste is essentieel voor succes op elk terrein, vooral voor hen die een geestelijk doel nastreven.

Het Achtvoudige Pad is niet gemakkelijk; soms is het steil en eenzaam, want om levenslange gewoonten te veranderen en tegen maatschappelijke conventies in te gaan, moet men een onuitputtelijke wilskracht en doorzettingsvermogen bezitten en dient men sterk gemotiveerd te zijn. Maar wanneer we ons eenmaal op het spirituele pad hebben afgestemd, verandert ons leven. Begrip en moed zijn het gevolg. Persoonlijke belangen vervagen als we ons bezighouden met de hulp aan behoeftigen. Als we anderen dienen, ontdekken we, net als Moeder Theresa, dat nieuwe krachten tot ontwikkeling komen en dat zich nieuwe kansen voordoen om op doeltreffende wijze te kunnen helpen. Want we zijn een deel van het heelal, zijn gevormd uit zijn stof: de koolstof in onze weefsels, de kalk in onze beenderen en het ijzer in ons bloed zijn niet alleen ontleend aan deze aarde, maar ook aan planeten en sterren. Onze gedachten, verlicht door het vuur van zonnegoden, geven ons de kracht om te scheppen en wonderen te verrichten die tot ver in de ruimte reiken en in zekere mate alle wezens en dingen beïnvloeden.

Laten we eens kijken naar de problemen die de Boeddha bezighielden: ouderdom, ziekte en dood. Zij die zoals hij in reïncarnatie geloven, zien de geboorte als de poort waardoor zielen het aardse leven binnengaan, en de dood als uitgang. Zij zien iedere ziel als de optelsom of het ‘verzamelde karma’ van voorafgaande levens.
Verwerkt in de samengestelde aard van de mens, vormen deze verzamelingen niet alleen zijn lichaam, zijn denken en zijn psychologische en spirituele natuur, maar brengen hem ook in omstandigheden en situaties die passen bij zijn behoeften en verlangens – misschien omstandigheden gekenmerkt door tegenslagen, ongeluk en ziekten, die de zich ontwikkelende ziel de gelegenheid bieden dat wat ze vroeger deed ontstaan of verstoorde, te corrigeren, d.w.z. in harmonie te brengen. Op die manier ontwikkelen en vervolmaken we de vele eigenschappen van ons karakter en brengen we gevolgen in beweging die onszelf en alle levende wezens ten goede of ten kwade beïnvloeden.

Oude culturen spreken over de menselijke geboorte dikwijls als de afdaling van de ziel in een periode van pijn en beperking, vergeleken met de vreugden van de etherische gebieden. Ook wij zien iets van deze glorie, zowel bij zeer oude mensen als bij heel jonge kinderen. Het is waar dat deze aura van de geestelijke ziel wordt verduisterd als de behoeften en materiële zaken van het stoffelijk leven de overhand krijgen, maar ze verdwijnt niet. Dat kan niet, want ze is de uitstraling van ons ware zelf en blijft, hoewel onzichtbaar, het hele leven bij ons tot troost en inspiratie. Zij die bejaarden verzorgen weten dit; ze hebben een zachtheid en licht gezien in de ogen van hun patiënten en een stralende aanwezigheid bij het naderen van het afscheid.

We hebben vaak horen zeggen dat ouderdom, als het goed is, de gouden oogst is van het leven, een tijd rijk aan liefde, herinneringen en kansen. We moeten ons door de schijn niet laten bedriegen: zelfs al lijken ze inactief, zwak en eenzaam, onze ouders en grootouders gaan om met wisselvalligheden in het leven waarvoor jongeren uit de weg gaan. Verrijkt met de wijsheid en moed van hun levenservaring, bevrijd van de eisen die door familiebanden en beroepsplichten worden gesteld, zijn ouderen niet alleen in staat om oud zeer te herstellen, maar ook om de grondslag te leggen voor een toekomst die gezonder, gelukkiger en productiever is.

Ziekte is het tweede beeld dat de Boeddha deed ontwaken. Zijn leer dat we de makers zijn van onszelf en de oorzaak van ons eigen ongeluk, wordt tegenwoordig tot uitdrukking gebracht door natuurkundigen en artsen, die ons zeggen dat ons lichaam weet wat onze gedachten het vertellen, dat het lijdt aan ziekten die door onze gedachten en emoties worden aangetrokken en dat we, omdat we deelnemen aan het proces van ziek worden, aan het herstel kunnen en moeten deelnemen. William James deed de grootste ontdekking van zijn tijd: ‘dat de mens, door de innerlijke houding van zijn denken te veranderen, de uiterlijke aspecten van zijn leven kan veranderen.’6

Deze benadering brengt ons waardering voor ons lichaam, dat onvermoeid werkt om niet alleen de giftige stoffen die we binnen krijgen af te breken, maar ook de massa bacteriën, protozoa, schimmels en virussen te bestrijden die ons omringen en bedreigen. Het herinnert ons er ook aan dat het vaak het onnadenkende, te toegeeflijke, egocentrische menselijke bewustzijn is dat ziekten aantrekt en overbrengt op ons fysieke en psychische lichaam – dat misschien zo is verzwakt en aangetast door onze uitspattingen, dat het niet meer functioneert zoals het zou moeten. Teveel aandacht voor onszelf, boosheid, jaloezie, haatgevoelens, teveel eten of drinken, of een andere buitensporigheid verhogen het levenstempo, blokkeren, verstoren, of misbruiken de energiestromen die normaal voor gezondheid en genezing zorgen. De natuur streeft naar evenwicht, harmonie en volkomenheid. Als we haar de kans geven, haar wetten leren kennen en opvolgen, zal ze in ons hele leven onze gezondheid – die evenwicht is – herstellen en instandhouden.

De eerste van de boeddhistische deugden, juist geloof, slaat op alle gebieden van onze natuur, want elk weerspiegelt en werkt in op de andere. Als onze houding constructief is en onze kennis – zoveel mogelijk – volledig, zal iedere therapie die we kiezen waarschijnlijk gunstig werken, of die nu allopathisch, homeopathisch, chirurgisch, gebedsgenezend of psychotherapeutisch is. Dat komt omdat we op intelligente wijze meewerken met een vertrouwde arts of genezer in het behandelings- of genezingsproces.

Norman Cousins ontdekte de magie van zo’n samenwerking: ‘Ik heb geleerd het vermogen tot herstel van het menselijk denken en het lichaam nooit te onderschatten – zelfs niet als de vooruitzichten slecht lijken.’7 Hij en zijn collega’s geven graag toe dat artsen niet genezen, net zomin als hun medicijnen of behandelingen. Het zijn de zelfcorrigerende levenskrachten van de natuur die ons genezen, en daarop vertrouwen de artsen.

Toch hebben we iets voor op de artsen: ons lichaam zegt ons wat er fout is. Door pijn, ingevingen en soms door dromen bepaalt het precies de plaats van de narigheid, geeft het geneesmiddelen aan, of waarschuwt ons onmiddellijk professionele hulp in te roepen, of onze gewoonten of gedrag te wijzigen. Artsen die ontdekken dat zo’n advies vaak meer vertelt dan een onderzoek, moedigen hun patiënten aan aandachtig ‘naar hun lichaam te luisteren’!

Hoe zit het met juiste gedachten? De echte zaden van kwalen en ook van ongevallen zijn onze gedachten. Deze mentaal-emotionele dynamo’s kunnen inderdaad genezen of doden, naar gelang van de kracht die wij ze meegeven. Ze werken onzichtbaar op alle gebieden van onze natuur en sluimeren soms eeuwenlang tot de omstandigheden rijp zijn om zich te openbaren.

Als we denken, voelen of begeren, wekken we energie op – karmische oorzaak-en-gevolg energie. Deze energie zoekt een uitweg, zet aan tot handelen. Als een gedachte liefdevol is, vloeit ze, gehuld in vrede en schoonheid, over in een daad die allen waarmee ze in aanraking komt tot zegen is. Maar is ze zelfzuchtig of haatdragend, dan schaadt of bederft ze alles wat ze aanraakt en vormt zo de ‘boeien’ of ‘obstakels’, waarover boeddhisten spreken. Deze obstakels scheppen condities die het immuniteitssysteem afbreken, de circulatie blokkeren, en ziekten kweken van de hersenen, het hart en het lichaam. Of ze veroorzaken misschien spanningen die zich ophopen en tot uitbarsting komen in een stroom van ongelukkige gebeurtenissen. Als we de opeenvolging van gedachte-wens-wil, de daad, en alle daarmee verbonden gevolgen en nawerkingen konden zien, dan zouden we begrijpen dat de tegenslagen, ongelukken en ziekten die ons treffen door onszelf zijn veroorzaakt, en dat ze rechtvaardig en verdiend zijn. H.P. Blavatsky, die het oosterse denken lange tijd bestudeerde, verklaarde:

Maar er is werkelijk geen ongeval in ons leven, geen ongeluksdag en geen tegenspoed, die niet kan worden herleid tot onze eigen daden in dit of in een ander leven. Als men de wetten van harmonie overtreedt, . . . ‘de wetten van het leven’, moet men erop zijn voorbereid tot de chaos te vervallen die men zelf heeft voortgebracht.8

Intuïtief weten we dit en als we in aanraking komen met ons geestelijke zelf, aanvaarden we wat er gebeurt als een kans om de krachten die we verkeerd hebben gericht weer in harmonie te brengen.

Waarom vervullen de diagnoses van de dokter ons dan met angst? Komt dat omdat we het contact met de Kenner in ons hebben verloren? Of omdat we, wat menselijk is, bang zijn voor het onbekende en voor verandering? Of is onze angst het gevolg van een of andere werkelijke of ingebeelde gebeurtenis in onze jeugd, waaruit een abnormale angst voor ziekte en dood is overgebleven? Wat de oorzaak ook is, vrees werkt vernietigend. De meesten van ons weten uit ervaring dat angst het denken kan verlammen, het lichaam van streek kan maken en ons in een cel van egocentrische depressie kan isoleren.

Kennis daarentegen verdrijft de angst. Als we de prognose begrijpen en beseffen dat we dit zelf over ons hebben gebracht en het kunnen oplossen, moedigt dit ons aan om ons te ontdoen van de oorzaken die ons lichaam ontregelden. Maar een ziekte te boven komen is niet altijd essentieel; wel het herstel van de harmonie. Op de dag dat we onze toestand onder ogen zien, ons lichamelijk en psychologisch lijden verwelkomen als een kans om ons leven te hervormen, bevrijden we ons voor 90 procent van onze problemen.

En wat kan ons beter helpen in dat leven bevrijdende streven dan het Achtvoudige Pad van de Boeddha? Wat kan ons sneller geluk en vrede brengen dan de wetenschap dat we ieder moment van de dag doen wat we kunnen? Die wetenschap wekt zelfvertrouwen, kracht en een gevoel van welzijn in onze hele constitutie. Zij die het onder de druk van het moderne leven moeilijk vinden dit voorgeschreven pad te volgen, kunnen er eenvoudig naar streven zich van liefde en licht te vervullen, liefde te schenken aan allen, zonder iets terug te verlangen. Liefde wekt niet alleen onze geestelijke vermogens, maar houdt ons ook gezond. Volgens artsen is liefde de sterkste genezende kracht in de wereld: ze stimuleert de ontwikkeling van de immuniteitsglobulinen die ziekten bestrijden, vermindert het melkzuur in het bloed en vermeerdert de endorfinen, waardoor we ons behaaglijk voelen, sterker en minder gevoelig voor pijn.

Als ons hart vol liefde is, is er geen plaats voor kwalen of angst of somberheid, zelfs niet in het aangezicht van de dood, want op dat moment neemt de liefde ‘ons in haar op’, zoals Meister Eckhart zo treffend opmerkte:

Het lichamelijke voedsel dat we tot ons nemen verandert in ons, maar door geestelijk voedsel te ontvangen veranderen wij daarin; daarom wordt goddelijke liefde niet in ons opgenomen, want dat zou twee dingen vormen. Maar goddelijke liefde neemt ons in haar op en wij zijn er één mee.9

Als dit gebeurt wordt de dood, het derde schokkende beeld, vooral voor hen die zwaar hebben geleden, een welkome ervaring, die hen in staat stelt waardig over te gaan naar de gebieden van licht. Gevoelige mensen merken al iets van dit wonder als de ziel aanstalten maakt om te vertrekken: ze voelen dat haar vitaliteit zich samentrekt, voelen haar dan in zich opstijgen, misschien in een flits, met achterlating van een deel van haar glorie, die hen verrijkt die door haar werden gevoed.

Een verpleegster die een bejaarde patiënt had verzorgd vertelde me na zijn dood, ‘Er was die dag zoveel vreugde in zijn kamer dat ik bleef rondhangen en niet weg kon komen.’ Toen ze dat zei wist ik dat zij die zo velen had getroost, de ware betekenis had ontdekt van de ‘drie schokkende taferelen’ – dat ze de schoonheid van de ziel in de mens had gezien!

 

Verwijzingen

  1. Het Licht van Azië, blz. 31-2, Sir Edwin Arnold, naar de vert. Dr. H.U. Meyboom.
  2. Idem, blz. 40.
  3. Idem, blz. 43.
  4. Idem, blz. 93, e.v.
  5. Vgl. Bron van het occultisme, G. de Purucker, blz. 58.
  6. Love, Medicine and Miracles, Bernie S. Siegel, blz. 111.
  7. Anatomy of an Illness as Perceived by the Patient, Norman Cousins, blz. 48.
  8. De Geheime Leer, H.P. Blavatsky, 1:714.
  9. Meister Eckhart, vert. Blakney, geciteerd door Siegel, blz. 182.
 
Andere artikelen over ouderdom, ziekte en dood
 

Uit het tijdschrift Sunrise nov/dec 1989

© 1989 Theosophical University Press Agency