De garantie voor continuïteit is kwaliteit.
Dompel het goede in de stroom van het nieuwe en het goede zal terugkeren
en zich voegen bij het goede dat het nieuwe met zich brengt. –
Edward V. Rickenbacker
Er schuilt een gezonde filosofie en praktische wijsheid in de woorden
van kapitein Rickenbacker. En ze zijn rechtstreeks van toepassing op
de tegenwoordige kritieke overgangsperiode waarin we ons allen bevinden.
Als we ons geestesoog voor een ogenblik wenden naar het verre verleden,
dan zien we een opeenvolging van beschavingen, die in het ene gebied
in verval beginnen te raken en in een ander tot hoogtepunten van succes
rijzen. Altijd wordt het ‘goede’, de blijvende kwaliteit
van juist denken en juist handelen, overgedragen van het ene tijdperk
op het andere, als de cyclussen van de vooruitgang volgen op die van
de achteruitgang, en geestelijk inzicht komt na een materialistische
levensbeschouwing.
Het is in deze overgangsperioden dat de strijd tussen dat wat de mensheid
vooruitbrengt en dat wat ernaar streeft haar in ketenen te houden, in
hevigheid toeneemt. We zijn nu in zo’n periode waarin het creatieve
en het destructieve met elkaar in strijd zijn in bijna elk aspect van
het menselijk leven. Waarheen we ook zien, we worden getroffen door
de dramatische uitbarsting van energie – vaak verontrustend en
zelfs vernietigend; en al te dikwijls hebben de lelijke trekken de overhand,
terwijl de edele karaktertrekken uiterst zeldzaam schijnen. Maar is
dit werkelijk het geval? We moeten onze visie verruimen om een zich
ontwikkelende mensheid in het juiste perspectief te zien en mogen ons
niet alleen door verschijnselen laten leiden. De menselijke natuur mag
dan misschien niet veel zijn veranderd gedurende de paar duizend jaar
van de opgetekende geschiedenis, toch heeft het brandpunt van de aspiratie
zich merkbaar verplaatst van een egocentrische belangstelling voor onszelf
naar een openlijke bezorgdheid voor het welzijn van de mensen overal
in de wereld. Gevestigde denkvormen blijven in gebreke en nieuwe, nog
onbeproefde, roepen luid om te worden aangenomen. Zo zijn geweldige
spanningen en verwarring een onvermijdelijke fase in ons rijpingsproces
naarmate we onze weg vinden naar een helderder bewustwording van wie
we zijn en welke onze rol is in het plan van de natuur.
Bij de studie van de mens ontdekken we spoedig dat er allerlei soorten
cyclussen bij betrokken zijn, grote en kleine, ‘wielen middenin
wielen’; maar deze wielen of cyclussen kunnen niet worden begrepen
los van de wezens die ze beleven. Zoals Ezechiël de oude Hebreeuwse
profeet, zei:
En als de levende wezens zich bewogen, gingen de
wielen mee: . . . Waarheen Gods geest hen leidde, daarheen gingen
de wezens, . . . want een en dezelfde geest leidde de wezens en de
wielen. – 1:19-20
Evenals het ‘levende wezen’ of onsterfelijke zelf binnenin
de mens de drijvende kracht is die zijn toekomst bepaalt en niet de
fysieke wentelingen van de kringlopen van het lot, zo zijn het, analogisch
gesproken, de levende wezens in en achter het leger van sterren die
het hemelse patroon vormen. Het is de wisselwerking of de interne beweging
van hemelse en aardse ‘wielen’ die het de menselijke levensgolf
mogelijk maakt in haar eigen kleinere baan ‘te leven, zich te
bewegen en haar aanzijn te hebben’, geestelijk en fysiek, binnen
de grotere baan van het zonnestelsel.
Een markant voorbeeld hiervan zien we in wat soms de ‘Messiaanse’
cyclussen wordt genoemd, waarvan de duur astronomisch wordt bepaald
door de beweging van de zon langs de dierenriem, en op de raakpunten
wordt een heel nieuwe impuls op aarde gevoeld. Men zegt dat Jezus, die
de Grote Vis wordt genoemd, een tijdperk van de Vissen heeft ingeluid,
en nu ongeveer 2000 jaar later ondergaan wij de overgang naar een ander
huis van ervaring waarvan de explosieve, bevrijdende kracht eist dat
we het separatisme van vroegere denkwijzen afschudden en alle mensen
openlijk als broeders verwelkomen.
Maar het wentelen van deze zonne- en aardse wielen moet worden beschouwd
met betrekking tot de oorsprong van het mensenras. De oude Griekse mythologie
verdeelde de geschiedenis van de menselijke evolutie in vier grote tijdperken:
de Gouden, Zilveren, Bronzen en IJzeren Eeuw, elk afnemend in geestelijke
kwaliteit tot de IJzeren Eeuw, ons tegenwoordig tijdperk, dat als hard
en zwaar als ijzer wordt beschouwd. Dit is een treffende gelijkenis
met de yuga’s van de hindoes, vier in getal, die eveneens vanaf
de eerste, de langste, evenredig in spiritualiteit afnemen tot de vierde,
de kortste in jaren, en bekend als kaliyuga of de ‘eeuw van duisternis’,
waarin alle pogingen tot vooruitgang hevige tegenstand ondervinden.
We zijn nu bezig langzaam te stijgen van een laag punt in de boog van
onze aardse pelgrimstocht. Daarom kan de beroering, die het resultaat
is van onze vastberadenheid om de banden van vroegere beperkingen te
doorbreken, verre van een tijd te zijn van somberheid en wanhoop, onze
grootste gelegenheid voor uiteindelijke triomf betekenen.
Een nieuw tijdperk is niet ver weg . . . en er is
voorbereiding nodig voor de wonderlijke nieuwe bloem die uit het oude
moet oprijzen . . . De grote klok van het universum wijst een ander
uur aan, en nu moet de mens de sleutel in zijn handen nemen en zelf
– als geheel – de poort openen . . . Wij geloven onvoorwaardelijk
dat in deze curve van de cyclus de beslissende autoriteit de mens
zelf is.
– W.Q. Judge
Dit is een ruim beeld, en terwijl niemand van ons voor de hele mensheid
het wonder van de transformatie tot stand kan brengen, kunnen we observeren
en samenwerken met de drie fundamentele krachten die zich altijd in
ons leven en in dat van de natuur manifesteren: die welke creatief is
en het goede voortbrengt; die welke ondersteunt en het evenwicht bewaart;
en die welke vernietigt opdat iets nieuws tot stand kan worden gebracht.
Deze universele energieën werden in het oude India beschreven als
de ‘drie gezichten’ van de Schepper: als een drie-eenheid
van Brahma, de ontvouwer en voortbrenger; Vishnu, de behoeder en onderhouder;
en Shiva, de vernietiger en vernieuwer. Ze werden geacht zowel door
de kosmos als in het bewustzijn van de mens te stromen, evenzeer als
geloofd wordt, dat de christelijke drie-eenheid van Vader, Heilige Geest
en Zoon haar uitstralend vergeestelijkend effect heeft. Het is een drievoudige
activiteit die ononderbroken werkt, onder welke benaming men haar ook
aanduidt: Brahma, de Vader en Ontvouwer – dat wat ons vooruithelpt
en de kanalen verschaft waardoor het goddelijke ons aanspoort steeds
nieuwe expressies daarvan te manifesteren; Vishnu, de Heilige Geest
of Onderhouder – die hoedanigheid die het evolutionaire evenwicht
door de perioden van groei helpt bewaren; en Shiva, de Zoon, Vernietiger
en vernieuwer – die meest essentiële kracht die
het omhulsel vernietigt, opdat het zaad in de kern van elk wezen dieper
wortel kan schieten en groeien.
We gaan door een cyclus waarin deze drie kwaliteiten op hun hoogtepunt
zijn: we constateren een ongekende drang om steeds weer nieuwe en schonere
voortbrengselen van het menselijk vernuft te ontwikkelen; er is de ondersteunende
invloed van sterke zielen op strategische posten in verschillende delen
van de wereld, die met alle wijsheid waarover ze beschikken, proberen
de wereld in balans te houden; en er is ook het accent op de kenmerken
van Shiva, met de destructieve elementen, die onvermoeid proberen te
domineren. Toch zijn er, als leidende en krachtige onderstroom, machtige
regenerende invloeden vastberaden aan het werk. Ongelukkigerwijs wordt
in onze tijd de aandacht teveel gericht op het vernietigende facet van
deze kwaliteit van de natuur. Shiva is van oorsprong, evenals de Zoon
in de christelijke drie-eenheid, zowel naar aard als beginsel een verlosser,
met als bijproduct de kruisiging en het opbreken van kristallisatie.
De voornaamste functie is niet de vernietiging ter wille van de vernietiging,
maar om het puin van oude denkgewoonten en oude gedragspatronen op te
ruimen als een noodzakelijke inleiding tot het weer opkomen van wat
nieuw en vitaal is. Zoals het gras altijd groener en malser is waar
het vuur heeft gewoed, zo verbranden de positieve elementen van de groei
het onkruid en maken het onze hogere menselijke hoedanigheden mogelijk
tot bloei te komen.
Niets gebeurt toevallig, en evenals elk moment in het wakend leven
van de mens de oogst in zich draagt van zijn hele verleden en de hoop
van zijn toekomst, zo houdt het zich ontwikkelende karakter van een
land zowel het totaal aan overwinningen en mislukkingen van haar vroegere
beschavingen in zich, als de hoop en belofte van onnoemelijk veel prestaties.
Als elke gedachte en elk gevoel van ons wordt opgeschreven in het grote
Boek van het Lot, waarvan ons tegenwoordig verblijf hier slechts één
kort hoofdstuk is, zouden we moeten weten dat alles wat we zijn niet
alleen ons eigen karakter beïnvloedt, maar ook het lot van al het
andere op deze aardbol, met inbegrip van het bewustzijn van elk deeltje
binnen het domein van onze zon. Als dit zo is, dan is de reconstructie
van onze wereld terecht de verantwoordelijkheid van ons allen.
Misschien beseffen we niet welk een machtige kracht een individu kan
zijn, welk een dynamische invloed een enkele aspiratie die ernstig volgehouden
wordt, op de transmutatie van de mens kan uitoefenen. De grote klok
van het heelal wijst inderdaad een ander uur aan. We hebben de tijd
mee als we slechts kunnen geloven dat de kwaliteit van het goede nooit
verloren kan gaan en dat het, hoezeer ook overstroomd door de wateren
van de tweedracht, weer zal oprijzen om stuwkracht te geven aan het
goede van nu, dat het nieuwe met zich brengt.