De kracht van de krachteloze: Wat mijn broer me leerde
Christopher de Vinck

 

Met toestemming overgenomen uit The Wall Street Journal ©1989 Dow Jones & Company, Inc. Alle rechten voorbehouden.


 

Ik groeide op in het huis waar mijn broer bijna 33 jaar in dezelfde hoek van zijn kamer, onder hetzelfde raam, naast dezelfde gele muren, op zijn rug in bed lag. Oliver was blind en kon niet praten. Zijn benen waren krom. Hij bezat niet de kracht zijn hoofd op te lichten en ook niet de intelligentie om iets te leren.

Ik ben op het ogenblik leraar Engels en telkens als ik de aandacht van mijn klas vestig op het toneelstuk ‘The Miracle Worker’ , dat over Helen Keller gaat, vertel ik mijn leerlingen over Oliver. Op een dag, tijdens het eerste jaar van mijn leraarschap, stak een jongen op de laatste rij zijn hand op en zei: ‘O, mijnheer De Vinck, u bedoelt dat hij een plant was.’

Ik stotterde een paar seconden. Mijn familie en ik voedden Oliver. We verwisselden zijn luiers, hingen in de winter zijn kleren en beddengoed op een lijn in het souterrain, en spreidden ze in de zomer wit en schoon op het grasveld uit. Ik vond het altijd leuk de sprinkhanen op de kussenslopen te zien springen.

We deden Oliver in bad en kietelden zijn borst om hem aan het lachen te krijgen. Soms lieten we de radio in zijn kamer aanstaan. ’s Morgens trokken we een scherm omlaag voor zijn bed om ervoor te zorgen dat zijn tere huid niet verbrandde. We luisterden naar zijn lach als we beneden naar de televisie keken. We luisterden naar hem als hij zijn armen en benen op en neer bewoog om het bed te laten kraken. We hoorden hem in het midden van de nacht hoesten.

‘Ja, ik denk dat je hem wel een plant zou kunnen noemen. Ik noemde hem Oliver, mijn broer. Je zou van hem hebben gehouden.’

Op een dag in oktober 1946, toen mijn moeder zwanger was van Oliver, haar tweede zoon, werd ze onwel door kolendamp uit een lekkende kachel. Mijn oudste broer sliep in zijn bedje dat vrij hoog boven de vloer stond, zodat het gas hem niet aantastte. Mijn vader trok ze naar buiten, waar mijn moeder snel weer bijkwam.

Op 20 april 1947 werd Oliver geboren. Hij leek een gezonde, mollige, mooie jongen.

Een paar maanden later droeg mijn moeder op een middag Oliver naar het raam. Ze hield hem daar in de zon, een stralende zon, en toen bleek dat Oliver pal in het zonlicht bleef kijken; dat was de eerste keer dat mijn moeder besefte dat Oliver blind was. Mijn ouders, de ware helden van dit verhaal, leerden met het verstrijken van de maanden dat blindheid maar een deel van het probleem was. Ze brachten Oliver naar het Mt. Sinai ziekenhuis in New York om via onderzoeken de omvang van zijn toestand vast te laten stellen.

De arts zei dat hij het mijn vader en moeder volstrekt duidelijk wilde maken dat er absoluut niets voor Oliver kon worden gedaan. Hij wilde niet dat mijn ouders valse hoop zouden koesteren. ‘U kunt hem in een verpleeghuis laten opnemen’, zei hij. Mijn ouders antwoordden alleen: ‘Maar hij is onze zoon. We nemen Oliver natuurlijk mee naar huis.’ De goede dokter antwoordde, ‘Neem hem maar mee naar huis en verzorg hem liefdevol.’

Oliver groeide niet verder dan een tienjarige. Hij had een brede borstkas en een groot hoofd. Zijn handen en voeten waren die van een vijfjarige, klein en zacht. Met Kerstmis maakten we een pakje met babyvoeding en legden het onder de boom; we betten zijn hoofd met een vochtige doek tijdens een hittegolf in midden juli. Zijn doopakte hing aan de muur boven zijn bed. Een bisschop kwam bij ons om hem als lidmaat aan te nemen.

Zelfs nu, vijf jaar na zijn dood door longontsteking, op 12 maart 1980, blijft Oliver nog steeds de zwakste, meest hulpeloze mens die ik ooit ben tegengekomen, en toch was hij een van de sterkste mensen waarmee ik ooit in aanraking kwam. Hij kon beslist niets anders dan ademen, slapen en eten, en toch was hij de aanleiding tot daden, liefde, moed en inzicht. Toen ik nog klein was zei mijn moeder, ‘Is het niet heerlijk dat je kan zien?’ En eens zei ze, ‘Als jij naar de hemel gaat, zal Oliver naar je toe rennen, je omarmen, en het eerste wat hij zal zeggen is ‘Dank je wel.’ Ik herinner me ook dat mijn moeder mij uitlegde dat wij met Oliver gezegend waren op een manier die haar eerst niet duidelijk was.

Heel vaak krijgen ouders te maken met een kind dat niet alleen zwaar gehandicapt is, maar ook overactief, veeleisend, of wild, en voortdurende zorg nodig heeft. Heel veel mensen hebben geen andere keus dan hun kind in een inrichting onder te brengen. Wij waren zo gelukkig dat Oliver ons niet de hele dag in zijn kamer nodig had. Hij heeft nooit geweten hoe hij eraan toe was. Wij waren gezegend met zijn aanwezigheid, een echte vredige aanwezigheid.

Toen ik net boven de twintig was, ontmoette ik een meisje en werd verliefd. Na een paar maanden nam ik haar mee naar huis om met mijn familie kennis te maken. Toen mijn moeder naar de keuken ging om het middagmaal te bereiden, vroeg ik het meisje, ‘Zou je Oliver willen zien?’ want ik had haar over mijn broer verteld. Haar antwoord was ‘nee’.

Spoedig daarna ontmoette ik Roe, een lief meisje. Ze vroeg me de namen van mijn broers en zusters. Ze hield van kinderen. Ik vond haar geweldig. Na een paar maanden vroeg ik haar mee naar ons huis te gaan om met mijn familie kennis te maken. Algauw moest ik Oliver met eten helpen. Ik herinner me dat ik Roe bedeesd vroeg of ze hem wilde zien. ‘Natuurlijk’, zei ze.

Ik zat aan het bed van Oliver terwijl Roe over mijn schouders toekeek. Ik gaf hem zijn eerste lepel, zijn tweede. ‘Mag ik dat doen?’ vroeg Roe, geheel op haar gemak, spontaan en vriendelijk; ik gaf haar dus de schaal en zij voedde Oliver lepel na lepel.

De kracht van de krachteloze. Welk meisje zou u trouwen? Roe en ik hebben nu drie kinderen.

 

[Vier jaar geleden dacht Christopher de Vinck dat ‘deze boodschap van hoop, deze boodschap van triomf, mensen zou kunnen aanspreken’, en hij zond bovenstaand artikel naar The Wallstreet Journal die het 10 april 1985 opnam. Er kwamen onmiddellijk reacties, mensen uit het hele land schreven en telefoneerden om hun eigen ervaringen met een zoon of dochter die niet in het normale patroon paste, te vertellen. Vorig jaar publiceerde de Vinck The Power of the Powerless; A Brother’s Legacy of Love (Doubleday), waarin hij over nog andere dingen vertelt die Oliver hem heeft doen begrijpen, die ‘wel lichamelijk en mentaal, maar niet geestelijk gehandicapt was’. Hij heeft ook verhalen opgenomen over Lauren, Anthony en Paul, die hem met krachtige eenvoud door hun ouders, die hij thuis bezocht, waren verteld.

Christopher de Vinck is voorzitter van de afdeling Engels van een middelbare plattelandsschool in New Jersey en is kandidaat-pedagogie aan het Teachers College, Columbia University. – Red.]

 
Andere artikelen over lichamelijke en/of verstandelijke beperkingen
 

Uit het tijdschrift Sunrise nov/dec 1989

© 1989 Theosophical University Press Agency