De betekenis van het theosofisch erfgoed voor de toekomst werd onlangs
bevestigd door een aangekondigd plan voor de wederopbouw van de Alexandrijnse
bibliotheek. De Library Journal van 1 februari 1988 vermeldde:
De wederopbouw vindt plaats dicht bij de plek die
volgens archeologen de oorspronkelijke ligging moet zijn geweest:
het complex zal een conferentiecentrum bevatten, een research-bibliotheek,
een school van informatiestudies, en een onderkomen voor bezoekende
geleerden. Het project, gebouwd op ca. 19.400 ha. met een onbelemmerd
uitzicht op de Middellandse Zee, zal naar men verwacht klaar zijn
in 1995.
Een internationaal verzoek om financiële steun,
vergelijkbaar met war men deed voor het behoud van de Acropolis en
de schatten van Venetië, werd gedaan door de UNESCO. De Amerikaanse
Bibliotheek Associatie nam afgelopen zomer tijdens een raadsvergadering
in San Francisco een resolutie aan ter ondersteuning van de herleving
van de Alexandrijnse bibliotheek.
– 113:2:13
Welke betekenis heeft dit voor de toekomst van theosofische waarden
en leringen? Alexandrië kan worden gezien als de voorloper van
de moderne theosofische beweging, zoals aangegeven door H.P. Blavatsky
in haar bespreking van Ammonius Saccas en zijn eclectisch theosofisch
systeem. Alexandrië is een vermoedelijke oorsprong van de fundamentele
synthese van oosterse en westerse wijsheid die de grondslag vormt voor
alle leringen van HPB. De bibliotheek van Alexandrië was de meest
beroemde bibliotheek van de oude wereld, en haar herhaaldelijke vernietiging
de grootste slag die het behoud van de oude wijsheid kon worden toegebracht.
De bibliotheek, die bloeide tussen 300 v.Chr. en 400 n.Chr., is naar
wordt aangenomen gesticht door Ptolemaeus I Soter (heerste van 323-285
v.Chr.) samen met een museum dat diende als een internationale academie.
De verzameling van de bibliotheek omvatte Griekse werken alsmede werken
die vertaald zijn uit andere talen. Onder Ptolemaeus II en III werd
de bibliotheek uitgebreid en een bijbibliotheek toegevoegd. De totale
collectie bedroeg meer dan 500.000 papyrusrollen voordat ze door brand
werd beschadigd gedurende het beleg van Alexandrië door Julius
Caesar in 48 v.Chr. In een burgeroorlog in het laatste deel van de derde
eeuw n.Chr. werd de hoofdbibliotheek verwoest, maar de extra collectie
in het Serapeum bleef gespaard tot 391 n.Chr. ‘toen christenen,
gevolg gevende aan het edict van keizer Theodosius, de tempel en zijn
literaire schatten vernietigde’ (Encyclopedia Americana
I:544). Wat overgebleven was, werd tenslotte vernietigd toen de Moslims
Alexandrië plunderden in het jaar 645 n.Chr.
Zowel in Isis Ontsluierd als in De Geheime Leer zegt
HPB dat dit meer een tijdelijke terugslag was dan een blijvend verlies
voor hen die de wijsheid van de Ouden op hun waarde schatten:
Er zijn vreemde overleveringen in omloop in verschillende
delen van het Oosten – op de berg Athos en in de woestijn van
Nitria bijvoorbeeld – onder zekere monniken, en ook bij geleerde
rabbi’s in Palestina, . . . dat niet alle rollen en manuscripten
waarvan de geschiedenis vermeldt dat ze verbrand zijn door Caesar,
door een christelijke meute in 389, en door de Arabische generaal
Amru, verloren zijn gegaan zoals algemeen wordt aangenomen; . . .
Allerlei zeer geleerde Kopten, verspreid over heel
het Oosten, in Klein-Azië, Egypte en Palestina, geloven evenmin
in de totale vernietiging van de elkaar opvolgende bibliotheken. –
Isis 2:27-8
In haar inleiding tot De Geheime Leer, verduidelijkt HPB:
Er is altijd beweerd dat vanaf de verwoesting van
de bibliotheek van Alexandrië, naar ieder boek, waaruit de oningewijde
uiteindelijk sommige van de mysteries van de Geheime Wetenschap zou
kunnen ontdekken en begrijpen, ijverig werd gezocht, dankzij de gezamenlijke
inspanningen van de leden van de broederschappen. Door degenen die
op de hoogte zijn, wordt daaraan toegevoegd dat indien dergelijke
boeken eenmaal waren gevonden, deze alle werden vernietigd, met uitzondering
van drie exemplaren van elk, die veilig werden opgeborgen. In India
werden de laatste van de kostbare handschriften in veiligheid gebracht
en verborgen tijdens de regering van keizer Akbar.
Er wordt bovendien volgehouden dat ieder heilig boek
van die soort, waarvan de tekst niet voldoende in symbolen was versluierd
of waarin enige rechtstreekse verwijzingen voorkwamen naar de oude
mysteriën, ook tot op het laatste exemplaar werd vernietigd,
na zorgvuldig in geheimschrift te zijn overgeschreven, om de kunst
van de beste en knapste paleograaf te trotseren. –
GL 1:7-8
Misschien is het naïef om het project van de Egyptische regering
te zien als veelmeer dan een symbolisch gebaar. Geen macht ter wereld
kan herstellen wat verloren ging bij de verwoesting van de Alexandrijnse
bibliotheek. En toch, zoals HPB benadrukt, voltrekt de evolutie zich
van binnen naar buiten. Was niet haar hele levenswerk een wederopbouw
van de Alexandrijnse bibliotheek wat het doel en de geest ervan betreft?
De moderne theosofische beweging was grotendeels bedoeld om de Alexandrijnse
synthese opnieuw te belichamen. Als we de herbouw van de bibliotheek
op stoffelijk gebied slechts beschouwen als een intellectuele prestatie,
ontzeggen we ons de vreugde onze diepste verlangens als theosofen symbolisch
in vervulling te zien gaan. HPB zegt duidelijk dat de vernietiging van
de Alexandrijnse bibliotheek een begin van een tijdperk aangaf waarin
de ‘mysteriën van de geheime wetenschap’ opzettelijk
werden verborgen voor de onwaardige mensheid. Haar werk was dan ook
de lang verborgen waarheden gedeeltelijk te onthullen. Kunnen we de
wederopbouw van de bibliotheek door internationale samenwerking zien
als een krachtige verklaring dat de mensheid opnieuw gereed is de oude
wijsheid, die we theosofie noemen, te ontvangen en te waarderen?
Zelfs in de eeuwcyclus van de moderne theosofische geschiedenis kunnen
we een patroon zien van vernietiging en wederopbouw. HPB’s unieke
rol in de geschiedenis werd verkeerd geïnterpreteerd door onderschatting
aan de ene kant en mythevorming aan de andere. De wereld in het algemeen
heeft haar geen serieuze belangstelling waardig geacht, terwijl theosofen
de wereld nog niet anderszins hebben overtuigd. Maar met het naderen
van het einde van de eeuw is er een opkomend tij van belangstelling
voor HPB en theosofie. Zou de herleving van de bibliotheek in Alexandrië
zijn geïnspireerd door dezelfde innerlijke stroom? De centrale
plaats van Egypte in HPB’s associatie met deze ‘zeer geleerde
Kopten’ in haar vroege jaren, zou het tot een geschikte plaats
maken voor een gebeurtenis van zulk een theosofische betekenis.