Theosofie vandaag en morgen
Grace F. Knoche

 

Ons thema voor het themanummer van dit jaar is te omvangrijk om het geheel te bestrijken, maar we kozen het omdat we met onze lezers wilden nagaan welke invloed het theosofische wereldbeeld in de komende decennia op onszelf en onze planeet aarde zou kunnen hebben.

We moeten eerst omschrijven wat we met theosofie bedoelen. Het woord is van Griekse oorsprong, theos + sophia, goddelijke wijsheid. In de ruimste zin betekent het de stroom van inspiratie en wijsheid die door generaties van wijzen is, wordt en zal worden doorgegeven – naar gelang een aspirant of volk daarvoor ontvankelijk is. Meer in het bijzonder is het dat deel van de eeuwige god-wijsheid betreffende de mens en zijn ouder, het heelal, dat H.P. Blavatsky, die daarvoor om haar unieke geestelijke, intellectuele en psychische gaven was uitgekozen, in de vorige eeuw in een nieuwe vorm bracht aan een wereld, die zich in dweepzucht en materialistisch denken had verschanst.

Hoewel de oorspronkelijke Theosophical Society, die in 1875 werd opgericht, zich nu in verschillende organisaties heeft vertakt, staan theosofen overal eensgezind achter het vastgestelde doel: de vorming van een kern van mannen en vrouwen die zich wijden aan het bevorderen van universele broederschap. Om dat te bereiken is meer nodig dan sentiment. Daarom kreeg H.P. Blavatsky de opdracht het ideaal van broederschap te ondersteunen met een veelomvattende, nieuwe formulering van de waarheden die eonen geleden zo diep op de gevoelige geest van de vroege mensheid waren afgedrukt, dat ze nooit meer geheel verloren konden gaan voor ons. Door de veelheid van materiële belangen is die oude indruk echter herhaaldelijk overwoekerd, zodat we overal zochten naar oplossingen, behalve op die ene betrouwbare plaats – in ons. Toch is er altijd een deel van ons dat weet, en nu en dan, wanneer de mensheid vanuit de diepten van de ziel daarom vraagt, als het wereldkarma rijp is en de cyclussen gunstig zijn, belichaamt een verlicht wezen zich opnieuw onder ons om onze herinnering aan wie wij zijn en wat we kunnen en moeten worden, op te frissen.

In het materialisme van de jaren zeventig van de vorige eeuw vierden afgescheidenheid en vooroordelen op raciaal, maatschappelijk en religieus gebied hoogtij. De moderne theosofische beweging verschafte een tegengif voor deze kwalen door haar boodschap van geestelijke en intellectuele vrijheid te verkondigen, die onze waardigheid herstelt als goden-in-wording; bovendien een filosofie die een redelijke verklaring biedt voor de tragische onrechtvaardigheden die niet alleen het leven van de mens, maar als gevolg van onze starre ongevoeligheid voor hun noden, ook dat van onze broeders, de dieren en planten, bedreigen.

In hoeverre heeft de theosofische beweging succes gehad? Durven we blijven beweren dat broederschap praktisch is in een wereld die wordt beheerst door haat en terreur? De paradox is dat te midden van de dagelijkse verschrikkingen, een onderstroom van liefde en broederschap aan kracht wint. Het is duidelijk dat er meer nodig is dan over universele broederschap te praten; ze moet worden beleefd. Maar menselijke zwakheden heffen de nuchtere feiten niet op: als een steeds toenemend aantal mannen, vrouwen en kinderen er overal in de wereld naar streven hun denken en handelen te richten op het broederschapsideaal, dan zullen ze niet alleen de gedachten en het gedrag van ontelbare anderen in hoge mate beïnvloeden, maar ook de aurische atmosfeer waarin de hele mensheid ademt en denkt en dus handelt. Als we luisteren en om ons heen zien, zullen we ontdekken dat mensen in allerlei omstandigheden op rustige wijze in hun leven uitdrukking geven aan een en hetzelfde doel. Wat geeft meer zekerheid dat liefde en begrip een goede kans maken in de eenentwintigste eeuw de norm te worden?

Iedereen verlangt naar een beter leven, voor zichzelf en zijn gezin, en naar vrede in de wereld. De mensen zien verlangend uit naar een filosofie die hen helpt orde te scheppen in hun persoonlijk leven en de kwellende nationale en internationale problemen tot een oplossing te brengen. Maar met wachten en het aan ‘een ander’ overlaten bereiken we niets. Het is kinderachtig om naar iemand anders dan onszelf te kijken als het om zelfverbetering gaat. Toch is dat wat velen van ons voor een groot deel doen. We zoeken buiten onszelf naar een pasklaar wondermiddel, of wachten op een verheven figuur, de Wederkomst van Christus of de toekomstige Maitreya, of misschien een Adept of een Mahatma die onder ons zal verschijnen en ziedaar! de menselijke natuur zal worden hervormd en harmonie en vrede heersen alom.

Het lijdt geen twijfel dat we behoefte hebben aan een visie die ons onze juiste relatie toont met alle rijken in de natuur, de rijken onder ons en de andere die ons vooruit zijn en zich uitstrekken tot in de werelden van de goden; een visie die erkent dat de kern van een atoom en van een mens in wezen niet verschilt van het hart van een melkwegstelsel. Kortom, wil onze huidige beschaving tot bloei komen zoals ze zou moeten, en zich niet louter handhaven dank zij afschrikmiddelen, dan heeft ze een theosofisch model nodig dat het inzicht en mededogen biedt om veilig door het rumoerige heden te komen.

Het is van belang op te merken dat de bodhisattva Gautama ‘juist inzicht’ zag als de eerste stap op zijn Edele Achtvoudige Pad. Als de broeders tot een juiste visie konden komen – juist begrip, juiste opvattingen – dan zouden juiste beslissingen, juiste spraak, juist handelen en al die andere ‘juiste’ vereisten eens worden verworven. Is het in deze tijd niet de taak van de theosofie te wijzen op een hogere visie, een ruimer begrip van ons individuele dharma (de waarheid of wet van ons innerlijk wezen) met betrekking tot onszelf en anderen?

Mensen schrijven of vragen telefonisch om advies over allerlei kwesties: over echtscheiding, abortus, orgaantransplantaties, meditatietechnieken, astrale en psychische verschijnselen; dromen, buitenlichamelijke ervaringen, enz. Men wil het theosofische standpunt weten over deze en vele andere dingen.

Men moet begrijpen dat noch de theosofie, noch de Theosophical Society als zodanig bepaalde methoden voorschrijft voor een of andere kwaal (van mentale, psychologische, lichamelijke of andere aard). Maar de rijke filosofische leringen en ruime ethische idealen van de theosofie hebben het vermogen, ook al worden ze zelfs maar ten dele begrepen, licht te werpen op praktisch ieder probleem waarmee wij mensen te maken hebben – al moet tenslotte ieder mens ze in zijn eigen situatie toepassen. Alle groei en vooruitgang moet men zelf verdienen, en het overheersende doel van het moderne theosofische werk is de mens aan te moedigen vertrouwen te hebben in zijn eigen innerlijke visie en kracht. Het is goed ons zo spoedig mogelijk van krukken te ontdoen en op eigen benen te staan; afhankelijkheid van welke aard ook, stoffelijk, emotioneel, geestelijk, werkt verzwakkend en tenslotte zelfvernietigend. Maar tegelijk moeten we hulp en bijstand bieden waar we maar kunnen, want mededogen vormt het hart van de theosofie zoals ook van elk waarachtig religieus stelsel.

Wat heeft de theosofie dan te bieden? Visie, perspectief, vertrouwen in onszelf en in de majesteit en uiteindelijke rechtvaardigheid van het kosmische ecostelsel waarin wij ons, samen met elk atomair leven in de ruimte, in de loop van de cyclussen ontwikkelen tot een steeds verhevener uitdrukking van het goddelijke. Als godheden die werken in het menselijk stadium, moeten we velerlei fouten maken in onze worsteling de eigengemaakte ketens van materiële verlangens te verbreken. Hier biedt de gewoonte van de natuur van de zich steeds herhalende cyclussen van geboorte en dood, beheerst door karma of de wet dat gevolgen overeenstemmen met de oorzaken, onbeperkte mogelijkheden voor lering en uitbreiding van onze ervaringen.

Zelfs enig begrip van de theosofie helpt ons ons karmisch lot vanuit een ruimer en minder persoonlijk standpunt te zien – niet als een onrechtvaardig noodlot, maar als een kans om te groeien of om als het ware schoon schip te maken voordat we grotere verantwoordelijkheden op ons kunnen nemen. In de vuurproef van de ervaringen verdiept zich onze sympathie met hen die door het duister, door hun eigen gethsemane gaan, en zijn we beter in staat hen te helpen hun eigen kracht te vinden.

Zoals komende gebeurtenissen hun schaduw vooruitwerpen, vinden we bemoediging in het feit dat te midden van de weergaloze beroeringen in binnenlandse en internationale zaken de theosofische ideeën ingang vinden. Als men ze verwelkomt, kunnen ze inderdaad hart en geest openen voor de mystieke geheimen van de natuur: waarheden die geduldig zijn vastgelegd, getoetst en bewaakt ter wille van de mensheid door hen die de kracht en het mededogen bezaten levens te leiden van voorbereiding op deze heilige taak.

 

Uit het tijdschrift Sunrise sep/okt 1989

© 1989 Theosophical University Press Agency