Een yuga is een bepaald ‘tijdperk’ of
een bepaalde tijdsperiode; . . . Kaliyuga, of het duistere tijdperk,
is het yuga waarin slechts een deel van de waarheid overheerst, omdat
materialisme en onwetendheid, met hun kwalijke bijproducten als zelfzucht,
haat en onverschilligheid, vat hebben op het hart van de mens. We
zijn nu in het kaliyuga van ons tegenwoordige grote ras. – Judith
Tyberg
De tijd van nu is angstaanjagend; onze maatschappij wordt meer en meer
bandeloos en chaotisch, en ook weten we dat naarmate kaliyuga vordert,
de dingen nog zullen verergeren. Hoe moeten we verdergaan om zo goed
mogelijk te leven in een wereld waarin terreur en wanhoop dagelijks
toenemen en steeds dichterbij komen? We vermijden slecht bekend staande
gedeelten van de stad, kiezen vrienden die zijn als wijzelf, wonen in
een relatief misdaadvrije buurt, hebben een vaste baan en een mooi huis.
We lezen goede spirituele boeken, kijken naar informatieve TV-programma’s,
proberen goede gedachten te hebben, geven kleren en geld aan een goed
doel als we kunnen, werken misschien zelfs onbetaald voor een of andere
goede instelling.
We kunnen dit alles doen en geheel afgescheiden leven van mensen en
buurten om ons heen van lager allooi. Het schijnt wellicht alsof karma
ons onbeschadigd onze tegenwoordige plaats heeft gegeven; misschien
denken we dat we die weg al eerder zijn gegaan en dat we onze rekening
al hebben betaald aan die angstaanjagende maatschappij en dat het nu
niet nodig is er direct mee in contact te komen. Maar is dat werkelijk
zo? Kunnen we zelfgenoegzaam aannemen dat dit zo is alleen omdat we
nu niet arm zijn, geen strafblad hebben, niet verslaafd zijn?
We moeten wel bedenken, en dat geldt voor al onze bestaansperioden
op het rad van reïncarnatie, dat ons leven ieder moment kan veranderen,
want we kennen onszelf of ons verleden eenvoudig niet goed genoeg om
zelfingenomen te zijn. Het is waar dat men in het algemeen de kwaliteit
van iemand en zijn plaats in de maatschappij kan beoordelen aan de hand
van zijn/haar houding, conversatie, manier van spreken, goede manieren
of gebrek eraan, enz., en een fatsoenlijk mens is dat gewoonlijk (maar
niet altijd) al vele levens lang. Er kunnen duistere hoeken bestaan
die nog niet zijn gereinigd en waaruit onverwacht en op onze zwakste
momenten achtergebleven bewoners tevoorschijn komen om in het licht
te treden en hun en ons karma ten uitvoer te brengen. Dat uit zich op
verschillende manieren, zoals verslaving, wanhoop, zelfvernietiging
– en gewoonlijk zijn dat misdaden of gewelddaden tegen onszelf,
niet tegen anderen, want zo iemand kan wel degelijk ver zijn gevorderd
maar alleen tijdelijk de ontmoeting en verwerking van dit duistere,
persoonlijke karma uit het verleden hebben uitgesteld.
Het leven kan, naast plezierige dingen, heel veel verschrikkelijks
brengen – ongelukken, het verlies van een baan, van geld, van
een huis, de dood van kinderen, echtgenoten; en het is waar dat we sterk
moeten zijn om ze te doorstaan en tenslotte maken ze ons sterk. Maar
soms is het verlies zo groot, de last zo zwaar en het verdriet zo ingrijpend,
dat de zwakke menselijke kant van ons het niet kan verdragen en we het
op een of andere manier opgeven. Sommigen zinken steeds dieper en eindigen
hun leven in het slop, vergetelheid is hun enige doel. Anderen zakken
omlaag maar stoppen halverwege, misschien omdat ze door een herinnering
van de ziel worden getroffen en maken een ommekeer in hun leven. Anderen
worden door liefhebbende vrienden of familie geholpen, of door vriendelijke
buitenstaanders die door hun uitgestoken hand alleen al de stoot tot
verbetering kunnen zijn.
We zitten allen in hetzelfde schuitje; niet alleen kennen we van niemand
de omstandigheden uit vorige levens, maar we weten ook niet wat de oorzaak
is van hun gebreken en fouten in dit leven. We moeten allemaal nog een
lange weg afleggen en niemand van ons kan met zekerheid zeggen dat wij
ervoor hebben gezorgd dat alle donkere hoeken in onze vele levens zijn
gezuiverd. We weten ook niet tot welke diepte wij zouden kunnen afdalen
als we in dezelfde omstandigheden kwamen te verkeren.
We kunnen wel voortdurend in hoogdravende taal praten en redeneren,
maar als we ons van een ander afkeren waarvan we weten dat hij lijdt
en om hulp vraagt, dan is alle grootmoedigheid maar schijn en onbetekenend.
Het is ook goed en inspirerend om over de Groten uit het verleden te
horen, over de boeddha’s en de christussen en krishna’s,
maar pas als hun mededogen het onze wordt, kunnen we overzien welke
stromingen in onze wereld omgeleid moeten worden om ze nuttig te maken.
Diegenen die ons nabij zijn, nabij misschien alleen wat afstand betreft,
staan karmisch op die plaats. Zij zijn het misschien die onze hulp het
hardst nodig hebben en die wij onmiddellijk kunnen bijstaan. Als karma
op zijn onpartijdige manier zo werkt dat we inderdaad in de omstandigheden
verkeren om anderen te helpen, laten we dat feit dan onder ogen zien
als een zegen en het benutten. Niemand van ons is zo geïsoleerd
dat er niet iemand anders in de buurt is om zijn lot aan te trekken.
Welnu, theosofie morgen? Dat hangt ervan af hoe goed we onze levenslessen
leren. De enige manier om het toenemende verderf en de amoraliteit van
kaliyuga te bedwingen, is door zorgzaamheid en op onzelfzuchtige wijze
onszelf te geven. De theosofie zal blijven wat ze altijd is geweest
– een bron van waarheid, zelfkennis, oude wijsheid en misschien
bovenal mededogen.