Het leven en de dood worden vaak scherp onderscheiden en zelfs als
tegengestelden voorgesteld. Men beeldt zich in te weten wat het leven
is en ziet de dood als ‘de grote onbekende’ waarover geen
kennis kan worden verkregen. Toch is het de vraag of dit een houdbare
veronderstelling is, want er is een andere mogelijkheid die waard is
te worden overwogen, waarin de dood niet tegenover het leven wordt gesteld.
Deze andere opvatting ziet – evenals de geboorte een overgang
is van de ene soort leven naar de andere – de dood ook als een
overgang, namelijk naar een andere soort leven.
Wat is leven? Leeft iets alleen maar als wij het zo definiëren?
En hoe definiëren we het? Moet iets bewegen of denken of een voor
ons herkenbaar bewustzijn hebben om levend te worden genoemd? Kan ons
menselijk bewustzijn een deugdelijk criterium vaststellen op grond waarvan
we kunnen bepalen waar de grenzen van het bewustzijn werkelijk liggen?
Wie van de natuur houdt, zal er wel niet zo over denken. Het ligt meer
voor de hand dat hij aanneemt dat de hele zichtbare en onzichtbare natuur
bezield is, dat het kleinste deeltje en het grootste heelal een bepaalde
soort bewustzijn hebben. De vormen van bewustzijn die voor ons niet
waarneembaar zijn, kunnen of latent zijn, of niet sterk ontwikkeld,
of veel verder ontwikkeld dan het onze. Ons bewustzijn is misschien
zelfs niet waarneembaar voor een veel grotere eenheid waarvan we deel
uitmaken.
In deze opvatting ligt besloten dat er mensen in deze wereld komen
met bepaalde karaktertrekken, talenten en eigenschappen die in de loop
van de tijd moeten zijn ontwikkeld en die niet uit ons tegenwoordige
bestaan kunnen worden verklaard. Waar komen ze vandaan? Dit zou heel
moeilijk zijn te verklaren indien de dood een totaal verlies zou meebrengen
van alles wat we hebben meegemaakt, geleden en genoten, gedaan en gedacht.
Als alle ervaringen verloren zouden gaan, wat zou dan de zin van het
leven zijn? En als ze niet verloren gaan, waar blijven ze dan?
De gedachte dat we door een reeks levens op aarde heengaan, levens
waarin we zelf de gevolgen uitwerken van omstandigheden die we in het
verleden hebben veroorzaakt – gunstige of ongunstige – biedt
een verklaring van de grote verschillen die zijn verbonden aan de levens
van de mensen. Volgens deze opvatting hebben we al veel keren eerder
geleefd en zullen we nog veel keren in de toekomst leven. In plaats
van een leven met een begin en een einde, is er één samenhangend
geheel van leven, dat een reeks actieve perioden bevat die regelmatig
worden afgewisseld door rustperioden.
Men zou het continue leven kunnen vergelijken met de continue cyclus
van waken en slapen. Na een periode van waken hebben we slaap nodig,
we hebben behoefte aan rust om de dagelijkse ervaringen in ons op te
nemen en nieuwe energie op te doen. Op dezelfde manier moeten we na
ieder leven een rustperiode hebben om de ervaringen van dat hele leven
te verwerken.
Maar wat kunnen we weten over de periode tussen dood en wedergeboorte?
In veel gevallen zijn mensen die klinisch dood waren verklaard tot het
leven teruggekeerd. De verhalen over wat velen van hen doormaakten,
zijn onderzocht door geleerden en artsen zoals dr. Raymond A. Moody;
hun bevindingen laten zien dat hun ervaringen opmerkelijk gelijksoortig
zijn (zie Leven na dit leven). Er bestaat inderdaad een lange lijst
van gemeenschappelijke bijna-dood-ervaringen, die hieronder worden opgenoemd
in de volgorde waarin ze gewoonlijk optreden:
- een panoramisch overzicht van het pas ‘geëindigde’
leven
- het gevoel dat men boven zijn lichaam zweeft en zich dood hoort
verklaren
- het zich met grote snelheid voortbewegen door een tunnel of zwart
gat
- het zien van een heldere of lichtgevende figuur
- de aanwezigheid van overleden familieleden of vrienden
- een gevoel van gelukzaligheid en vrede
- de gedachte dat men moet kiezen tussen verder gaan of terugkeren
naar het leven op aarde, en zijn feitelijke terugkeer
- het verlies van vrees voor de dood.
Er is geopperd dat de mensen die deze dingen ondervonden, hallucinaties
hebben, maar hoe kunnen zoveel mensen zulke gelijke hallucinaties hebben?
Men heeft ook beweerd dat de meesten van hen die tot het leven terugkeren
na hun ‘klinische dood’, dit alles meemaken onder invloed
van verdovende middelen. Er zijn echter argumenten tegen deze conclusie,
want de ervaringen van mensen die ‘stierven’ onder invloed
van verdovende middelen – hoewel in sommige opzichten gelijksoortig
– zijn in het algemeen niet van dit type, en veel vager. En bij
personen die geen verdovende middelen gebruikten, heeft juist hun heldere
geest hen in staat gesteld zich te herinneren wat er met hen was gebeurd.
In het licht van deze gegevens kan men zich alleen maar verbazen over
de overeenkomst van de toestanden na de dood, zoals beschreven in Het
Egyptische Dodenboek en Het Tibetaanse Dodenboek. Deze
boeken beschrijven hoe de ziel zich na de dood op reis begeeft –
beschrijvingen uit de oudheid die overeenstemmen met de uitkomsten van
hedendaags onderzoek.
In de theosofische literatuur wordt melding gemaakt van een na-de-dood-ervaring
die ieder individu doormaakt. Dit is het zogenaamde ‘panoramische
overzicht’ over het zojuist afgesloten leven – een terugblik
op gebeurtenissen waarin we alles zien wat we in dat leven hebben meegemaakt.
We doorzien alle illusies en kunnen nu verbanden, oorzaken, gevolgen,
verantwoordelijkheden en dergelijke zien. We kijken daar zonder emotie
naar, op een onpersoonlijke manier. We begrijpen onze dwaasheden en
fouten, en we maken ons los van het pas doorgemaakte leven. Door dit
proces plaatsen we ons op een afstand van zuiver persoonlijke relaties.
Dit wordt verondersteld heel snel te gebeuren, in een flits op het moment
dat de mens sterft.
Zelfs van mensen die niet werkelijk sterven, maar zich in heel gevaarlijke
situaties bevinden, is bekend dat ze iets dergelijks hebben ervaren.
Delen van hun leven worden in een korte tijd herleefd.
Hieruit kunnen we concluderen dat kennis over de dood niet zo ontoegankelijk
is als de meeste mensen in het Westen veronderstellen. Als we aannemen
dat alle wezens hun evolutie beginnen met een betrekkelijk latente vorm
van bewustzijn en achtereenvolgens door hogere vormen heengaan –
zoals die van planten, dieren en mensen – moeten we ook het bestaan
erkennen van wezens met nog hogere vormen van bewustzijn, die in staat
zijn bewust de diverse fasen van de dood te doorlopen, en terug te keren
met de kennis die ze hebben verkregen.
Het is te hopen dat de overeenkomsten tussen de resultaten van het
hedendaagse onderzoek en de beschrijvingen van de ouden, velen zullen
brengen tot een hernieuwde overweging van wat eerder werd verworpen
als pure legenden, mythen en sprookjes die waren voortgevloeid uit de
fantasie van primitieve mensen. Deze verhalen hebben veel gemeen, en
als we rekening houden met de verschillen in culturele symbolen, is
het maar de vraag of we zoveel meer weten dan de culturen van vroegere
eeuwen.
Tenslotte zal het beschouwen van de dood als een overgang naar een
andere soort leven, onze angst voor ‘het grote onbekende’
verminderen en ons dichter brengen bij de kennis van wie we eigenlijk
zijn. De reis van de ziel na de dood zal dan worden gezien als iets
heel vertrouwds – als onze terugkeer naar de bron van ons wezen.