Tussen dood en wedergeboorte
Ina Belderis

 

Het leven en de dood worden vaak scherp onderscheiden en zelfs als tegengestelden voorgesteld. Men beeldt zich in te weten wat het leven is en ziet de dood als ‘de grote onbekende’ waarover geen kennis kan worden verkregen. Toch is het de vraag of dit een houdbare veronderstelling is, want er is een andere mogelijkheid die waard is te worden overwogen, waarin de dood niet tegenover het leven wordt gesteld. Deze andere opvatting ziet – evenals de geboorte een overgang is van de ene soort leven naar de andere – de dood ook als een overgang, namelijk naar een andere soort leven.

Wat is leven? Leeft iets alleen maar als wij het zo definiëren? En hoe definiëren we het? Moet iets bewegen of denken of een voor ons herkenbaar bewustzijn hebben om levend te worden genoemd? Kan ons menselijk bewustzijn een deugdelijk criterium vaststellen op grond waarvan we kunnen bepalen waar de grenzen van het bewustzijn werkelijk liggen?

Wie van de natuur houdt, zal er wel niet zo over denken. Het ligt meer voor de hand dat hij aanneemt dat de hele zichtbare en onzichtbare natuur bezield is, dat het kleinste deeltje en het grootste heelal een bepaalde soort bewustzijn hebben. De vormen van bewustzijn die voor ons niet waarneembaar zijn, kunnen of latent zijn, of niet sterk ontwikkeld, of veel verder ontwikkeld dan het onze. Ons bewustzijn is misschien zelfs niet waarneembaar voor een veel grotere eenheid waarvan we deel uitmaken.

In deze opvatting ligt besloten dat er mensen in deze wereld komen met bepaalde karaktertrekken, talenten en eigenschappen die in de loop van de tijd moeten zijn ontwikkeld en die niet uit ons tegenwoordige bestaan kunnen worden verklaard. Waar komen ze vandaan? Dit zou heel moeilijk zijn te verklaren indien de dood een totaal verlies zou meebrengen van alles wat we hebben meegemaakt, geleden en genoten, gedaan en gedacht. Als alle ervaringen verloren zouden gaan, wat zou dan de zin van het leven zijn? En als ze niet verloren gaan, waar blijven ze dan?

De gedachte dat we door een reeks levens op aarde heengaan, levens waarin we zelf de gevolgen uitwerken van omstandigheden die we in het verleden hebben veroorzaakt – gunstige of ongunstige – biedt een verklaring van de grote verschillen die zijn verbonden aan de levens van de mensen. Volgens deze opvatting hebben we al veel keren eerder geleefd en zullen we nog veel keren in de toekomst leven. In plaats van een leven met een begin en een einde, is er één samenhangend geheel van leven, dat een reeks actieve perioden bevat die regelmatig worden afgewisseld door rustperioden.

Men zou het continue leven kunnen vergelijken met de continue cyclus van waken en slapen. Na een periode van waken hebben we slaap nodig, we hebben behoefte aan rust om de dagelijkse ervaringen in ons op te nemen en nieuwe energie op te doen. Op dezelfde manier moeten we na ieder leven een rustperiode hebben om de ervaringen van dat hele leven te verwerken.

Maar wat kunnen we weten over de periode tussen dood en wedergeboorte? In veel gevallen zijn mensen die klinisch dood waren verklaard tot het leven teruggekeerd. De verhalen over wat velen van hen doormaakten, zijn onderzocht door geleerden en artsen zoals dr. Raymond A. Moody; hun bevindingen laten zien dat hun ervaringen opmerkelijk gelijksoortig zijn (zie Leven na dit leven). Er bestaat inderdaad een lange lijst van gemeenschappelijke bijna-dood-ervaringen, die hieronder worden opgenoemd in de volgorde waarin ze gewoonlijk optreden:

  • een panoramisch overzicht van het pas ‘geëindigde’ leven
  • het gevoel dat men boven zijn lichaam zweeft en zich dood hoort verklaren
  • het zich met grote snelheid voortbewegen door een tunnel of zwart gat
  • het zien van een heldere of lichtgevende figuur
  • de aanwezigheid van overleden familieleden of vrienden
  • een gevoel van gelukzaligheid en vrede
  • de gedachte dat men moet kiezen tussen verder gaan of terugkeren naar het leven op aarde, en zijn feitelijke terugkeer
  • het verlies van vrees voor de dood.

Er is geopperd dat de mensen die deze dingen ondervonden, hallucinaties hebben, maar hoe kunnen zoveel mensen zulke gelijke hallucinaties hebben? Men heeft ook beweerd dat de meesten van hen die tot het leven terugkeren na hun ‘klinische dood’, dit alles meemaken onder invloed van verdovende middelen. Er zijn echter argumenten tegen deze conclusie, want de ervaringen van mensen die ‘stierven’ onder invloed van verdovende middelen – hoewel in sommige opzichten gelijksoortig – zijn in het algemeen niet van dit type, en veel vager. En bij personen die geen verdovende middelen gebruikten, heeft juist hun heldere geest hen in staat gesteld zich te herinneren wat er met hen was gebeurd.

In het licht van deze gegevens kan men zich alleen maar verbazen over de overeenkomst van de toestanden na de dood, zoals beschreven in Het Egyptische Dodenboek en Het Tibetaanse Dodenboek. Deze boeken beschrijven hoe de ziel zich na de dood op reis begeeft – beschrijvingen uit de oudheid die overeenstemmen met de uitkomsten van hedendaags onderzoek.

In de theosofische literatuur wordt melding gemaakt van een na-de-dood-ervaring die ieder individu doormaakt. Dit is het zogenaamde ‘panoramische overzicht’ over het zojuist afgesloten leven – een terugblik op gebeurtenissen waarin we alles zien wat we in dat leven hebben meegemaakt. We doorzien alle illusies en kunnen nu verbanden, oorzaken, gevolgen, verantwoordelijkheden en dergelijke zien. We kijken daar zonder emotie naar, op een onpersoonlijke manier. We begrijpen onze dwaasheden en fouten, en we maken ons los van het pas doorgemaakte leven. Door dit proces plaatsen we ons op een afstand van zuiver persoonlijke relaties. Dit wordt verondersteld heel snel te gebeuren, in een flits op het moment dat de mens sterft.

Zelfs van mensen die niet werkelijk sterven, maar zich in heel gevaarlijke situaties bevinden, is bekend dat ze iets dergelijks hebben ervaren. Delen van hun leven worden in een korte tijd herleefd.

Hieruit kunnen we concluderen dat kennis over de dood niet zo ontoegankelijk is als de meeste mensen in het Westen veronderstellen. Als we aannemen dat alle wezens hun evolutie beginnen met een betrekkelijk latente vorm van bewustzijn en achtereenvolgens door hogere vormen heengaan – zoals die van planten, dieren en mensen – moeten we ook het bestaan erkennen van wezens met nog hogere vormen van bewustzijn, die in staat zijn bewust de diverse fasen van de dood te doorlopen, en terug te keren met de kennis die ze hebben verkregen.

Het is te hopen dat de overeenkomsten tussen de resultaten van het hedendaagse onderzoek en de beschrijvingen van de ouden, velen zullen brengen tot een hernieuwde overweging van wat eerder werd verworpen als pure legenden, mythen en sprookjes die waren voortgevloeid uit de fantasie van primitieve mensen. Deze verhalen hebben veel gemeen, en als we rekening houden met de verschillen in culturele symbolen, is het maar de vraag of we zoveel meer weten dan de culturen van vroegere eeuwen.

Tenslotte zal het beschouwen van de dood als een overgang naar een andere soort leven, onze angst voor ‘het grote onbekende’ verminderen en ons dichter brengen bij de kennis van wie we eigenlijk zijn. De reis van de ziel na de dood zal dan worden gezien als iets heel vertrouwds – als onze terugkeer naar de bron van ons wezen.

 
Andere artikelen over de dood
 

Uit het tijdschrift Sunrise jan/feb 1990

© 1990 Theosophical University Press Agency