Met oprechte belangstelling en genoegen las ik het korte maar pakkende
artikel van Bas Rijken van Olst, getiteld ‘Wat is de essentie
van de mens?’ in het mei/juni
1989 nummer van Sunrise. Met woorden uit ons dagelijks
taalgebruik geeft hij uitdrukking aan het meest subtiele aspect van
het subjectieve in de mens – het onderscheid tussen de ego en
het Zelf, tussen het ‘ik’ en het ‘ik ben’. Hij
zegt: ‘Er is een deel van ons bewustzijn dat het denken gebruikt.
Dit bewustzijn, dit stukje van onszelf is dus essentiëler dan het
denken.’
Deze woorden hebben een wezenlijke, intuïtieve inhoud. Ze staan
tegenover het Cartesiaanse dogma: ‘Ik denk, daarom ben ik’*,
dat het zogenaamde ‘tijdperk van de rede’ inluidde in de
17de eeuw. De gevolgen van die materialistische periode oogsten wij
nu in de vorm van de steeds toenemende spanningen in het persoonlijke,
sociale en internationale leven van vandaag. Bas Rijken van Olst wijst
ieder mens in eenvoudige, ondubbelzinnige woorden op de fundamentele
creatieve feiten van zijn eigen mens-zijn.
*In zijn toneelstuk ‘Mens en Supermens’
wijst G.B. Shaw erop dat hij eens met Descartes geloofde: ‘Ik
denk, daarom ben ik’ maar er later toe kwam te zeggen: ‘Ik
ben, daarom denk ik’ en ook ‘ik wil meer denken, daarom
moet ik meer zijn.’
Om wat verder op het onderwerp in te gaan: we lezen in G. De Puruckers
boek De esoterische traditie de vedische vertelling uit de
Chandogya Upanishad over de oosterse wijze die zijn zoon onderrichtte
over dezelfde mysterieuze levensessentie. Hij zegt:
‘Dat wat deze subtiele essentie is – daarin heeft al wat
bestaat zijn zelf. Het is het werkelijke; het is het zelf; en jij, Svetaketu,
bent het!’
De zoon antwoordt: ‘Alstublieft, heer, leer mij nog meer.’
De eerste vraag van de zoon zou kunnen zijn: ‘Wat is dit zelf,
dat zo betekenis kan geven aan mijn aardse bestaan, dat anders geen
betekenis heeft?’
Het antwoord komt uit dezelfde bron: ‘Het zelf is meester van
het zelf; wie anders zou zijn Heer kunnen zijn?’
Een andere vraag: ‘Hoe ontdek ik dit grotere zelf in mij?’
Daarop komt het antwoord: ‘Als het zelf volledig wordt beheerst,
vindt de leerling een meester zoals nergens anders gevonden kan worden.’
Hier staan we bij het begin van het pad van zelfdiscipline, via een
of andere vorm van yoga, waardoor het ego-zelf, dat nu vervulling zoekt
door bevrediging van aardse behoeften en verlangens, een voertuig voor
een spiritueel doel en handelen kan worden.
Om het voorgaande verder kracht bij te zetten, kan ook de volgende
aanhaling dienen in de intuïtieve taal van de poëzie, uit
de Song Celestial (bk. 2) van Sir Edwin Arnold:
Wie kent het onuitputtelijk, zichzelf-onderhoudend,
Onsterfelijk, onvernietigbaar, . . .
Ik zeg u wapens bereiken het Leven niet;
Vlammen verbranden het niet, wateren kunnen het niet verzwelgen,
Noch kunnen droge winden het verdorren. Ondoordringbaar,
Maagdelijk, onaangetast, ongedeerd, onberoerd,
Onsterfelijk, alles bereikend, stabiel, zeker,
Onzichtbaar, onuitsprekelijk, door woorden
Noch gedachten te bevatten, altijd zichzelf,
Zo doet de ziel zich kennen!
Het Westen kan niet anders dan bewondering hebben voor de volkomenheid
van de vedische-yoga gedachtenstelsels, die het absolute doel en de
weg daarheen combineren. Hiertegenover staat echter de westerse filosofie
die zich erop kan beroepen, met name in de laatste twee eeuwen, dat
ze er in toenemende mate op was gericht eerder sociaal onrecht te herstellen
dan te zoeken naar individuele verlossing. Heel opvallend is de humanitaire
verandering in vroegere maatschappelijke opvattingen.
Tegelijk kunnen we een zinvolle ontwikkeling zien op een ander belangrijk
terrein: de wereld van onze wetenschappers. Hier komen we terug bij
de gedachte van Bas Rijken van Olst die spreekt over een ‘gebruiker
van het denken’ en er de aandacht op vestigt dat ‘dit stukje
van onszelf essentiëler is dan het denken’. Wijst hij niet
op een heel belangrijke stap vooruit op het innerlijke subjectieve pad
dat over de grens tussen het lagere en het hogere denken naar het zelf
leidt? Als dat zo is, zou het dan niet een belangrijke psychologische
schakel zijn tussen hart en hoofd, waarbij de natuurkunde zogoed als
de psychologie hun ware functie ontwikkelen? Wat voor gevolg zou dit
hebben? Men kan veronderstellen dat het de mens in staat stelt om niet
alleen zijn eigen belang in zijn omgeving, maar ook zijn verantwoordelijkheid
voor de rijkdommen ervan te ontdekken.
Misschien willen anderen hun persoonlijke opvatting over het onderwerp
‘zijn en worden’ naar voren brengen en hun licht werpen
op het feit van het subjectief-spirituele in de mens.