Het begrip reïncarnatie verdiept ons inzicht in de geschiedenis.
Als we foto’s door een stereoscoop bekijken, zien we daarin plotseling
een spectaculaire diepte. Op dezelfde wijze helpt reïncarnatie
ons de aard van beschavingen, de stadia van hun ontwikkeling en de oorzaak
van hun verval te begrijpen.
Want ieder tijdperk wordt gevormd door de zielen die daarin zijn geïncarneerd
en het karma dat ze uitwerken. Dat de Gouden Eeuw van Griekenland in
de tijd van Pericles zo schitterde, kwam door de grote mannen en vrouwen
die toen leefden. Zonder deze scheppende figuren zou er geen Eeuw van
Pericles zijn geweest. En als een volk, rijk of stad welvarend en machtig
wordt en hun burgers niet langer hoeven te vechten voor hun vrijheid
of zelfs voor hun levensonderhoud, beginnen andere zielen te incarneren
die slapper en minder daadkrachtig zijn. Na verloop van tijd verliest
de beschaving haar kracht en zinkt ze weg in vergetelheid, of wordt
ze overspoeld door een ras of volk dat vaak van een lagere beschaving
is, en dat karmisch of cyclisch op weg is naar macht – in de regel
ten koste van de tijdgenoten. In zulke tijden weergalmen de hallen en
zalen van kennis en kunst van de ruwe kreten van de vernietigers, en
wordt de verzamelde wijsheid van eeuwen verbrand. Toch onderging de
Alexandrijnse bloei tijdens de weeën van haar neergang een nieuwe
geboorte, zoals een feniks die uit zijn as herrees.
De verzameling manuscripten in Alexandrië was waarschijnlijk de
grootste in de westerse wereld tot de uitvinding van de boekdrukkunst,
al kunnen er nog grotere bibliotheken zijn geweest in India en China
tijdens de vele bloeiperioden die hun lange en glorierijke beschaving
kenmerkten. Met betrekking tot de Nieuwe Wereld spreekt Diego de Landa,
bisschop van Yucatan, over de Maya-manuscripten die hij als duivelse
scheppingen verbrandde, waarmee hij het geniale karakter van dit grootse
volk op het hoogtepunt van zijn kunnen loochende.
Het ware verhaal van Alexandrië moet eigenlijk beginnen bij Philippus
van Macedonië, de vader van Alexander de Grote. In een reeks veldslagen
verenigde Philippus voor het eerst in de geschiedenis de verschillende
Griekse stad-staten, die eeuwenlang voortdurend met elkaar in oorlog
waren geweest. Nadat hij de Helleense Statenbond had gesticht, richtte
hij het oog op Perzië, vanouds de vijand van de Grieken. Xerxes
had in 480 v.Chr. Athene platgebrand en haar bibliotheek gestolen. Maar
Philippus was niet in staat zijn wens om Perzië te veroveren in
vervulling te doen gaan, want hij werd door een van zijn eigen hovelingen
vermoord. Toen Alexander hem in 336 v.Chr. op 20-jarige leeftijd op
de troon opvolgde, versloeg hij de Perzen eerst bij de Dardanellen,
niet ver van het legendarische Troje, en later bij Issus in Klein-Azië.
Daarna bevrijdde hij de Griekse koninkrijken langs de Middellandse Zee
en trok zuidwaarts om Egypte te onderwerpen. Verder oostwaarts trekkend,
versloeg hij de Perzen opnieuw bij Arbela. Daarna nam hij Babylon in,
Susa, en tenslotte Persepolis, de hoofdstad van het Perzische rijk en
verbrandde hij de schitterende paleizen die rondom de stad lagen. Dat
was de wraak van de Grieken.
Zijn weg oostwaarts richting India vervolgend, leverde Alexander slag
met Chandragupta, de stichter van de Maurya-dynastie, wiens rijk zelfs
nog groter was dan het zijne. Na een deel van India tot aan de Indus
te hebben bezet, keerde hij terug en bereikte Babylon in 323 v.Chr.
Kort daarna, terwijl hij plannen maakte om Arabië te veroveren,
stierf hij aan tyfus.
Na de dood van Alexander ontstonden er drie dynastieën, afstammend
van drie van zijn generaals. Die van de Antigoniden, die over Macedonië
en Griekenland heerste, had de kortste levensduur en werd algauw opgenomen
in het zich uitbreidende Romeinse Rijk. Seleucus, de jongste en sterkste
van de generaals, werd heerser over het grootste deel van Alexanders
rijk, dat zich uitstrekte van de Middellandse Zee tot India. Seleucus
bouwde vele steden, waaronder misschien de mooiste van de oude wereld
– Antiochië. Gesticht in 300 v.Chr., hield het meer dan duizend
jaar stand. De dynastie van de Seleuciden duurde van 312-65 v.Chr.,
toen ze werd geannexeerd door Pompejus, de Romeinse generaal. Vijf maanden
na de dood van Alexander nam zijn jeugdvriend Ptolemaeus de provincie
Egypte over.
De Nijl, die door de enorme delta vloeit, zoekt langs verschillende
kanalen zijn weg naar de Middellandse Zee. Alexandrië ligt aan
de meest westelijke uitmonding. Alexander had deze plaats persoonlijk
uitgekozen voor de stad die zijn naam draagt, de grenzen vastgelegd
en aangegeven waar de tempels en publieke gebouwen moesten worden gezet;
maar hij leefde niet lang genoeg om ook maar één enkel
bouwwerk te zien verrijzen, want toen hij opnieuw aan zijn veroveringstochten
begon, kwam hij nooit meer terug. Hij had Dinocrates belast met de bouw
van een prachtige stad en de verbetering van de haven. Vanaf het begin
was Alexandrië een stad van steen en marmer. Er waren ondergrondse
waterbekkens die met de Nijl waren verbonden en het water leverden voor
huishoudelijk gebruik. Tenslotte waren er enorme dokken en pakhuizen
langs de haven; boulevards van 30 m breed die elkaar kruisten, met zijstraten
breed genoeg voor strijdwagens. Het meeste werk moet zelfs zijn verricht
in de korte periode vóór de dood van Alexander.
Ptolemaeus I was een kundig generaal, diplomaat en heerser, en hij
was om een nog belangrijker reden beroemd. Tussen 300 en 290 v.Chr.
stichtte hij het Museum en de grote Bibliotheek. Hierbij werd hij geadviseerd
door de geleerde en begaafde Demetrius van Phaleron, die bij Ptolemaeus
asiel had gezocht en verkregen en die later de leiding kreeg van de
bibliotheek. Hij was verknocht aan Athene, en zijn invloed heeft ongetwijfeld
bij Ptolemaeus het verlangen versterkt om van Alexandrië een tweede
Athene te maken.1
Ptolemaeus bracht het lichaam van Alexander naar Egypte en liet het
in een schitterende graftombe plaatsen, die blijkbaar gedurende de hele
heerschappij van de Ptolemaeën werd tentoongesteld. Maar toen de
krachten van vernieling door de straten raasden, werd ze op de een of
andere manier ontmanteld, verplaatst, verborgen of misschien vernietigd,
zodat de eventuele verblijfplaats nog steeds een mysterie is. Mogelijk
kan de renovatie van Alexandrië2 helpen
om licht te werpen op enkele hiaten in de geschiedenis.
Ptolemaeus II, Philadelphos genoemd, die regeerde van 283-246 v.Chr.,
wordt als de meest begaafde van de Ptolemaeën beschouwd. Voor de
kust van Alexandrië lag een eiland met de naam Pharos, dat eeuwen
daarvoor al door Homerus werd vermeld in zijn Odyssee (IV:355). Er was
een dam gelegd die Pharos met Alexandrië verbond, waardoor er een
buiten- en een binnenhaven ontstonden. Philadelphos besloot een vuurtoren
op Pharos te laten bouwen en in ongeveer 270 v.Chr. werd er een prachtige
toren gebouwd van 140 m hoog. Dit machtige bouwwerk hield stand tot
in de 13de eeuw, een periode van ca.1600 jaar, toen hij door een aardbeving
werd verwoest.3
Een andere verdienste van Philadelphos was het zenden van een afgezant
naar Jeruzalem, naar de hogepriester Eleazar met het verzoek Alexandrië
het manuscript van het Oude Testament te lenen en om uit elk van de
twaalf stammen van Israël zes geleerden te zenden. Volgens het
verhaal arriveerden de 72 geleerden na verloop van tijd en werden ze
op Pharos gehuisvest. In 72 dagen maakten ze een Griekse vertaling van
het Oude Testament, dat Septuagint werd genoemd – het afgeronde
getal 70 – als herinnering aan de 72 geleerden en het werk dat
ze in 72 dagen hadden volbracht.
De eerste Ptolemaeën hadden de interessante gewoonte aangenomen
om de schepen die de haven binnenliepen te doorzoeken. Als er manuscripten
werden aangetroffen die niet in de verzameling van de bibliotheek voorkwamen,
werden de schepen vastgehouden tot er een kopie van was gemaakt –
een soort struikroverij!
Na verloop van tijd splitste Alexandrië zich in etnische secties.
In de autochtone Egyptische wijk bevond zich het Serapeum, een van de
meest majestueuze gebouwen van de oude wereld. Daar ontmoetten de Griekse
en Egyptische gelovigen elkaar voor hun gemeenschappelijke eredienst.
Een tweede deel van de stad heette het Brucheion, de Grieks-Macedonische
wijk, waar de regeringsgebouwen en het mausoleum van Alexander stonden.
En niet in de laatste plaats waren daar het grote Museum en de Bibliotheek.
Er behoorden nog andere gebouwen tot dit grote complex, zoals het theater
voor lezingen en voordrachten, en de paleizen van de Ptolemaeïsche
koningen. Het derde deel van Alexandrië bestond uit de grote joodse
wijk, dat zijn Sanhedrin (de rechtbank) bezat.
De stad werd in de 3de eeuw door een klassieke schrijver beschreven
als ‘een universele bakermat; ieder mensenras was daar gevestigd’;
Grieken uit ieder deel van het Middellandse Zeegebied, Syriërs,
Arabieren, Babyloniërs, Assyriërs, Meden en Perzen. Er waren
ook Carthagers, Romeinen, Galliërs en Iberiërs. Het intellectuele
leven was even gevarieerd: geleerden, priesters en filosofen van iedere
denkbare richting. Kooplui en handwerkslieden uit de hele wereld kwamen
en gingen. Er waren ook werklieden, arbeiders, en een groot aantal regerings-
en privéslaven. Aan het begin van de eerste eeuw na Chr. werd
de bevolking van Alexandrië geschat op een miljoen.
Wijlen George Sarton, professor in geschiedenis aan de Harvard Universiteit,
beschreef het Museum als een verzameling van verschillende grote gebouwen
die voor allerlei onderwerpen waren ingericht, zoiets als een research
instituut in deze tijd, met een astronomisch observatorium en ruimten
voor fysiologische en medische experimenten. Er waren ook botanische
tuinen en een zoölogische verzameling. De leden leefden tezamen,
zoals de leerkrachten of de afgestudeerden van een middeleeuws college.
Enkele van de grootste figuren in de Griekse wetenschap hebben op een
of ander tijdstip het Museum en de Bibliotheek bezocht of er gewerkt.
Eratosthenes was hoofdbibliothecaris van 228-196 v.Chr. onder Ptolemaeus
III. Hij was een veelzijdig geleerde, die zich bezighield met wiskunde,
astronomie, geografie, filosofie en ook letterkunde. Hij maakte o.a.
een berekening van de omtrek van de aarde. In tegenstelling tot de publieke
opinie, erkenden hij en veel van zijn collega’s dat de aarde en
de andere planeten om de zon draaiden. In dezelfde eeuw verrijkte de
grote meetkundige Euclides het Museum met zijn genie, evenals Aristarchus
van Samos die schreef over de grootte en afstand van zon en maan, terwijl
Aratos van Soloi (Soli) de sterrenbeelden een naam gaf. De beroemde
Archimedes, ofschoon hij inwoner was van Syracuse, discussieerde er
over natuurkunde, geometrie en wiskunde met de geleerden van het Museum.
Apollonius van Perga werd naar Alexandrië gestuurd. Daar schreef
hij zijn Elementa en zijn achtdelige werk over de leer van
de kegelsneden en ook zijn theorie over bijcirkels om de bewegingen
te verklaren van de planeten, die soms schijnbaar achteruitgaan. Specialisten
op al deze gebieden en nog veel meer bezochten herhaaldelijk het Museum
gedurende zijn lange en schitterende geschiedenis.
Naast het conserveren, kopiëren, repareren en catalogiseren van
de rollen, was de voornaamste activiteit van de bibliotheek het vergelijken
van de teksten van de grote werken op het gebied van toneelstukken,
geschiedenis, fictie, poëzie, enz. vanaf de oudste tijden en ook
van recentere werken van eigentijdse dichters, toneelschrijvers en filosofen
uit Griekenland en elders. Deze waren in vele talen geschreven, maar
men streefde ernaar ze in het Alexandrijnse Grieks over te zetten. De
Bibliotheek van Alexandrië werd gekenmerkt door wetenschappelijke
precisie. Er werden ook lezingen gehouden over een grote verscheidenheid
van onderwerpen, want de bibliothecarissen waren niet alleen mensen
die de werken catalogiseerden en beheerden, maar deskundige filologen,
en de nog overgebleven manuscripten zijn een bewijs van hun geleerdheid.
Aristophanes van Byzantium, een van de meest vooraanstaande critici
en grammatici, stelde regels vast voor punctuatie en het gebruik van
hoofdletters, die tot die tijd maar lukraak werden toegepast. Na de
dood van Eratosthenes in 195 v.Chr. werd hij hoofd van de Bibliotheek.
In de loop van de eeuwen werd Alexandrië het trefpunt van de wereld.
Geschriften uit vele landen vonden hun weg naar de bibliotheek, terwijl
de religies van de Egyptenaren of farao’s hun invloed bleven doen
gelden. Er waren zoroastrische teksten, want Egypte was van 525-332
v.Chr. een Perzische provincie en veel Perzische ideeën moeten
er wortel hebben geschoten. Ongetwijfeld waren er ook zelfs teksten
uit het Oosten, waarmee handelsbetrekkingen werden onderhouden. Er was
een vermenging van culturen. Ook de gymnosofisten, de ‘naakte
filosofen’ van India waren vertegenwoordigd, evenals de joodse
religies en de ideeën van de Babylonische magiërs.
Bij de Grieken en misschien ook wel bij andere volkeren, waren kunst
en wetenschappen een onderdeel van de kleinere mysteriën, die onderricht
en training omvatten. De kennis van de architectuur was hoog ontwikkeld
en in het Museum en de Bibliotheek van Alexandrië werden deze en
andere onderwerpen openlijk besproken, ofschoon de details niet openbaar
werden gemaakt en ook niet zijn terug te vinden in de literatuur van
die tijd. Dezelfde geheimhouding gold ongetwijfeld ook elders, zowel
in het Westen als in het Oosten; toch geeft het hoge peil van vakmanschap
in de toegepaste wetenschap, architectuur en kunst, steun aan de opvatting
dat er in de oudheid verborgen bronnen van kennis bestonden. Volgens
de overleveringen werd in de grote mysteriën de kandidaat die hiervoor
door de hiërofanten rijp was bevonden, stap voor stap begeleid,
eerst tot het zich bewust worden van zijn hogere zelf of innerlijke
god, en tenslotte om door eigen kracht en innerlijke waarneming de god
in hem geboren te doen worden.
Er bestond in Egypte en het Nabije Oosten een aantal geheime en half
geheime organisaties, zoals de gemeenschappen van de Essenen en oude
gnostici. Men kan slechts speculeren over de mate waarin de mysteriën
actief waren in de Bibliotheek en het Museum; ze waren echter zeker
een belangrijk hoewel esoterisch aspect van de Alexandrijnse activiteiten.
H.P. Blavatsky verwijst in haar Geheime Leer naar de ingewijden
in Alexandrië (2:653), en naar het ‘openbaar maken van het
geheim van de inwijdingen’ door de gnostici in dat centrum (1:456).
Met het verval van de mysteriën nam de vitaliteit van de Bibliotheek
en het Museum af en de Romeinse beschaving verspreidde zich snel over
de Middellandse Zeegebieden en het grootste deel van Klein-Azië.
Ook het christendom was in opkomst en de Romeinse republiek stond op
het punt ruim baan te geven aan de heerschappij van de Caesars. In 48
v.Chr. bezocht Julius Caesar Egypte, waar hij Cleopatra ontmoette. Tijdens
zijn verblijf aldaar vond er een oproer plaats onder de Macedonische
troepen en anderen die tegen zijn aanwezigheid protesteerden. Caesar
sloeg terug door de Egyptische vloot in de haven te verbranden. Helaas
verspreidde het vuur zich over de havens en de pakhuizen en duizenden
manuscripten gingen per ongeluk in de vlammen op. Hij keerde terug naar
Rome waar hij in 44 v.Chr. werd vermoord.
Later ging Antonius naar Egypte. Omdat Pergamon door het Romeinse rijk
was geannexeerd, werd zijn bibliotheek van 200.000 rollen door Antonius
aan Alexandrië geschonken als vergoeding voor de onbedoelde verbranding
door Caesar. In 37 v.Chr. voegde Antonius zich bij Cleopatra in Alexandrië.
Er groeide een verwijdering russen Antonius en Octavianus, die uitliep
op een zeeslag in 31 v.Chr. waarin Antonius werd verslagen. Hierna keerde
hij naar Egypte terug, waar hij en Cleopatra zich het leven benamen.4
Octavianus, die de naam Augustus aannam, werd de eerste van een lange
reeks van Romeinse heersers die de titel Caesar droegen.
De activiteiten in Alexandrië duurden nog enkele eeuwen voort,
maar in afnemende mate. Het opkomende christendom ging zich organiseren:
er kwamen verschillende kerken in de stad, die uiteindelijk het diocees
werd van de christelijke bisschoppen. De nieuwe godsdienst had niet
veel op met de zogenaamde heidense activiteiten. Onder keizer Aurelianus
werd in de 3de eeuw n.Chr. het grootste deel van het Museum en de Bibliotheek
verwoest. Boeken werden ter beveiliging opgeslagen in het Serapeum,
maar tenslotte (400 n.Chr.) ondergingen deze op bevel van Theophilus,
bisschop van Alexandrië, hetzelfde lot. Er ontstonden rellen en
in 415 n.Chr. werd de briljante Hypatia, het laatste hoofd van het Bibliotheek-Museum
complex, wreed vermoord. De schatten van de Bibliotheek, het Museum
en het Serapeum werden blootgesteld aan plundering. De uiteindelijke
vernietiging vond plaats in 642 n.Chr. toen de Arabieren Egypte veroverden
en tenslotte, zo vermeldt de geschiedenis, de restanten van de Bibliotheek
gebruikten om hun baden te verwarmen.
Intussen, ongeveer aan het begin van de 3de eeuw n.Chr., begon een
opmerkelijk man, Ammonius Saccas, stichter van het neoplatonisme, onderricht
te geven. Zijn meest bekende en wellicht beste leerling was Plotinus,
die in 205 n.Chr. in Alexandrië verbleef. Plotinus schreef enkele
indrukwekkende verhandelingen, gebaseerd op de leringen van zijn leraar.
Hij verwierf grote populariteit en gaf in zijn latere levensjaren les
in Rome. Na Plotinus volgden anderen, zoals Porphyrus, Amelius, Synesius
en Iamblichus. Het neoplatonisme had een verruimende invloed op sommige
kerkvaders, zoals Origenes, die volgens Porphyrus de lessen van Ammonius
Saccas had gevolgd. De laatste grote neoplatonist was Proclus, die in
Athene doceerde en daar tot zijn dood in 485 n.Chr. hoofd was van de
Academie.
Het neoplatonisme was in feite een platonische filosofie omdat het
naar grondbeginselen zocht. Maar het bevatte nog een ander element:
het streefde er niet alleen naar de mens duidelijke kennis te verschaffen,
maar moedigde hem aan binnen te gaan in een verhevener bewustzijnstoestand
dat door Plotinus werd betiteld als extase en gedefinieerd als ‘de
vlucht van de ziel naar God, waartegenover ze van aangezicht tot aangezicht
zal staan en alleen.’5
Zoals de feniks die herrees uit de as, had het neoplatonisme een sterke
invloed, omdat het opkwam tegen het einde van de Alexandrijnse cyclus
en tijdens een soms vreselijke chaos. Drie eeuwen later gaf Proclus
een uiteenzetting van deze leer voor een groot aantal volgelingen in
de Academie van Athene, het centrum van de filosofie, bijna 1000 jaar
daarvoor door Plato gesticht. Het was echter een soort zonsondergang,
want in 529 n.Chr., nog geen veertig jaar na de dood van Proclus, verbood
keizer Justinianus de filosofische scholen en sloot hij de Academie.
Maar tegen die tijd had de feniks zich al verheven en was weggevlogen.
Men zou kunnen denken dat alle schatten van de Bibliotheek van Alexandrië
vernietigd waren, maar er zijn toch overleveringen, weergegeven door
H.P. Blavatsky in haar monumentale werk De Geheime Leer (1:7-13;
2:787, 868), dat de meest waardevolle en onvervangbare delen werden
gered en op een geheime plaats opgeborgen, om weer tevoorschijn te kunnen
worden gehaald op de tijd en de plaats waar ze de mensheid het best
kunnen dienen.
Als we de vernietiging van de Alexandrijnse schatten betreuren is dit
een hele geruststelling. Maar vanuit het standpunt van reïncarnatie
waren de echte schatten van de Alexandrijnse school de grote zielen
die haar in het leven riepen en vormden. Waar ze ook incarneren, zullen
deze opmerkelijke individuen in leven na leven religie, filosofie, wetenschap
en kunst tot bloei brengen. De feniks sterft nooit werkelijk maar wordt
eeuwig herboren.
Het is op zijn plaats te eindigen met enkele woorden over Alexander
de Grote. Ondanks de wreedheid van zijn veroveringen, was Alexander
geen onbeschaafd en gemeen persoon. Hij stelde zich voor ogen een wereld
polis tot stand te brengen, een wereldbeschaving, waar alle
mensen
broeders zouden zijn, en wetenschappen, religies en kunsten naast elkaar
zouden bloeien in een toestand van vrede en samenwerking. Deze droom
werd in Alexandrië ten dele verwezenlijkt.
Het is in dit verband boeiend de pogingen te volgen van de UNESCO,
de Egyptische regering en andere volkeren om de Bibliotheek van Alexandrië
te herbouwen. Het laatste nieuws vermeld in American Libraries
(januari 1990) is dat het ontwerp voor de bibliotheek is goedgekeurd.
Inzendingen uit 77 landen werden bekeken door een uit zeven landen afkomstige
jury van negen leden. De eerste prijs ging naar het plan ontworpen door
een firma in Oslo, Noorwegen. Men verwacht dat de herboren bibliotheek
in 1995 zal worden geopend.
Noten
- De oude heersers van Egypte werden farao genoemd –
heerser of koning. De naam Ptolemaeus verdrong de titel farao, omdat
een opeenvolgende reeks van Ptolemaeën koningen werden van Egypte.
Er waren in totaal 14 Ptolemaeën, de laatste was de zoon van
Caesar en Cleopatra, Caesarion, die in 30 v.Chr. op 17-jarige leeftijd
op bevel van Augustus werd vermoord. Daarna werd Egypte een Romeinse
provincie.
- Vgl. Paul Johnson, ‘Herleving
van de Bibliotheek van Alexandrië’, Sunrise
sep/okt 1989.
- Het woord pharos kreeg de betekenis van ‘vuurtoren’,
Frans phare, Italiaans en Spaans fero; soms wordt
in het Engels pharos gebruikt voor een scheepslantaarn.
- Cleopatra had een zoon van Julius Caesar en twee zonen
en een dochter van Antonius. Het tragische lot van deze nakomelingen
geeft een goed beeld van de wreedheid waarmee de opkomst van een imperium
onveranderlijk gepaard gaat.
- Dictionary of Christian Biography, IV, ‘Neoplatonisme’,
een uitstekend artikel over Plotinus door J.R. Mozeley. Zie ook Plotinus,
Enneaden VI. 9.11.
Bibliografie
- Blavatsky, H.P., De Geheime Leer, TUPA, Den
Haag, 1988.
- Desmond, Alice D., Cleopatra’s Children,
Dodd, Mead & Co., New York, 1972.
- Heur, Kenneth, City of the Star Gazers, Charles
Scribner’s Sons, New York, 1972.
- Mackenna, Stephen, Plotinus V, Sixth Ennead,
The Medici Society, Londen, 1930.
- Mozeley, J.R., ‘Neoplatonism’, A Dictionary
of Christian Biography, IV:18-23, geredigeerd door Wm. Smith
en Henry Wace, John Murray, Londen, 1877.
- Parsons, Edward A., The Alexandrian Library,
Cleaver Hume Pres, Londen, 1952.
- Sarton, George, ‘Hellenism’, History
of Science, II, Harvard University Press, Cambridge, 1959.