Schatten van de Bibliotheek van Alexandrië
John P. Van Mater

 

Het begrip reïncarnatie verdiept ons inzicht in de geschiedenis. Als we foto’s door een stereoscoop bekijken, zien we daarin plotseling een spectaculaire diepte. Op dezelfde wijze helpt reïncarnatie ons de aard van beschavingen, de stadia van hun ontwikkeling en de oorzaak van hun verval te begrijpen.

Want ieder tijdperk wordt gevormd door de zielen die daarin zijn geïncarneerd en het karma dat ze uitwerken. Dat de Gouden Eeuw van Griekenland in de tijd van Pericles zo schitterde, kwam door de grote mannen en vrouwen die toen leefden. Zonder deze scheppende figuren zou er geen Eeuw van Pericles zijn geweest. En als een volk, rijk of stad welvarend en machtig wordt en hun burgers niet langer hoeven te vechten voor hun vrijheid of zelfs voor hun levensonderhoud, beginnen andere zielen te incarneren die slapper en minder daadkrachtig zijn. Na verloop van tijd verliest de beschaving haar kracht en zinkt ze weg in vergetelheid, of wordt ze overspoeld door een ras of volk dat vaak van een lagere beschaving is, en dat karmisch of cyclisch op weg is naar macht – in de regel ten koste van de tijdgenoten. In zulke tijden weergalmen de hallen en zalen van kennis en kunst van de ruwe kreten van de vernietigers, en wordt de verzamelde wijsheid van eeuwen verbrand. Toch onderging de Alexandrijnse bloei tijdens de weeën van haar neergang een nieuwe geboorte, zoals een feniks die uit zijn as herrees.

De verzameling manuscripten in Alexandrië was waarschijnlijk de grootste in de westerse wereld tot de uitvinding van de boekdrukkunst, al kunnen er nog grotere bibliotheken zijn geweest in India en China tijdens de vele bloeiperioden die hun lange en glorierijke beschaving kenmerkten. Met betrekking tot de Nieuwe Wereld spreekt Diego de Landa, bisschop van Yucatan, over de Maya-manuscripten die hij als duivelse scheppingen verbrandde, waarmee hij het geniale karakter van dit grootse volk op het hoogtepunt van zijn kunnen loochende.

Het ware verhaal van Alexandrië moet eigenlijk beginnen bij Philippus van Macedonië, de vader van Alexander de Grote. In een reeks veldslagen verenigde Philippus voor het eerst in de geschiedenis de verschillende Griekse stad-staten, die eeuwenlang voortdurend met elkaar in oorlog waren geweest. Nadat hij de Helleense Statenbond had gesticht, richtte hij het oog op Perzië, vanouds de vijand van de Grieken. Xerxes had in 480 v.Chr. Athene platgebrand en haar bibliotheek gestolen. Maar Philippus was niet in staat zijn wens om Perzië te veroveren in vervulling te doen gaan, want hij werd door een van zijn eigen hovelingen vermoord. Toen Alexander hem in 336 v.Chr. op 20-jarige leeftijd op de troon opvolgde, versloeg hij de Perzen eerst bij de Dardanellen, niet ver van het legendarische Troje, en later bij Issus in Klein-Azië. Daarna bevrijdde hij de Griekse koninkrijken langs de Middellandse Zee en trok zuidwaarts om Egypte te onderwerpen. Verder oostwaarts trekkend, versloeg hij de Perzen opnieuw bij Arbela. Daarna nam hij Babylon in, Susa, en tenslotte Persepolis, de hoofdstad van het Perzische rijk en verbrandde hij de schitterende paleizen die rondom de stad lagen. Dat was de wraak van de Grieken.

Zijn weg oostwaarts richting India vervolgend, leverde Alexander slag met Chandragupta, de stichter van de Maurya-dynastie, wiens rijk zelfs nog groter was dan het zijne. Na een deel van India tot aan de Indus te hebben bezet, keerde hij terug en bereikte Babylon in 323 v.Chr. Kort daarna, terwijl hij plannen maakte om Arabië te veroveren, stierf hij aan tyfus.

Na de dood van Alexander ontstonden er drie dynastieën, afstammend van drie van zijn generaals. Die van de Antigoniden, die over Macedonië en Griekenland heerste, had de kortste levensduur en werd algauw opgenomen in het zich uitbreidende Romeinse Rijk. Seleucus, de jongste en sterkste van de generaals, werd heerser over het grootste deel van Alexanders rijk, dat zich uitstrekte van de Middellandse Zee tot India. Seleucus bouwde vele steden, waaronder misschien de mooiste van de oude wereld – Antiochië. Gesticht in 300 v.Chr., hield het meer dan duizend jaar stand. De dynastie van de Seleuciden duurde van 312-65 v.Chr., toen ze werd geannexeerd door Pompejus, de Romeinse generaal. Vijf maanden na de dood van Alexander nam zijn jeugdvriend Ptolemaeus de provincie Egypte over.

De Nijl, die door de enorme delta vloeit, zoekt langs verschillende kanalen zijn weg naar de Middellandse Zee. Alexandrië ligt aan de meest westelijke uitmonding. Alexander had deze plaats persoonlijk uitgekozen voor de stad die zijn naam draagt, de grenzen vastgelegd en aangegeven waar de tempels en publieke gebouwen moesten worden gezet; maar hij leefde niet lang genoeg om ook maar één enkel bouwwerk te zien verrijzen, want toen hij opnieuw aan zijn veroveringstochten begon, kwam hij nooit meer terug. Hij had Dinocrates belast met de bouw van een prachtige stad en de verbetering van de haven. Vanaf het begin was Alexandrië een stad van steen en marmer. Er waren ondergrondse waterbekkens die met de Nijl waren verbonden en het water leverden voor huishoudelijk gebruik. Tenslotte waren er enorme dokken en pakhuizen langs de haven; boulevards van 30 m breed die elkaar kruisten, met zijstraten breed genoeg voor strijdwagens. Het meeste werk moet zelfs zijn verricht in de korte periode vóór de dood van Alexander.

Ptolemaeus I was een kundig generaal, diplomaat en heerser, en hij was om een nog belangrijker reden beroemd. Tussen 300 en 290 v.Chr. stichtte hij het Museum en de grote Bibliotheek. Hierbij werd hij geadviseerd door de geleerde en begaafde Demetrius van Phaleron, die bij Ptolemaeus asiel had gezocht en verkregen en die later de leiding kreeg van de bibliotheek. Hij was verknocht aan Athene, en zijn invloed heeft ongetwijfeld bij Ptolemaeus het verlangen versterkt om van Alexandrië een tweede Athene te maken.1

Ptolemaeus bracht het lichaam van Alexander naar Egypte en liet het in een schitterende graftombe plaatsen, die blijkbaar gedurende de hele heerschappij van de Ptolemaeën werd tentoongesteld. Maar toen de krachten van vernieling door de straten raasden, werd ze op de een of andere manier ontmanteld, verplaatst, verborgen of misschien vernietigd, zodat de eventuele verblijfplaats nog steeds een mysterie is. Mogelijk kan de renovatie van Alexandrië2 helpen om licht te werpen op enkele hiaten in de geschiedenis.

Ptolemaeus II, Philadelphos genoemd, die regeerde van 283-246 v.Chr., wordt als de meest begaafde van de Ptolemaeën beschouwd. Voor de kust van Alexandrië lag een eiland met de naam Pharos, dat eeuwen daarvoor al door Homerus werd vermeld in zijn Odyssee (IV:355). Er was een dam gelegd die Pharos met Alexandrië verbond, waardoor er een buiten- en een binnenhaven ontstonden. Philadelphos besloot een vuurtoren op Pharos te laten bouwen en in ongeveer 270 v.Chr. werd er een prachtige toren gebouwd van 140 m hoog. Dit machtige bouwwerk hield stand tot in de 13de eeuw, een periode van ca.1600 jaar, toen hij door een aardbeving werd verwoest.3

Een andere verdienste van Philadelphos was het zenden van een afgezant naar Jeruzalem, naar de hogepriester Eleazar met het verzoek Alexandrië het manuscript van het Oude Testament te lenen en om uit elk van de twaalf stammen van Israël zes geleerden te zenden. Volgens het verhaal arriveerden de 72 geleerden na verloop van tijd en werden ze op Pharos gehuisvest. In 72 dagen maakten ze een Griekse vertaling van het Oude Testament, dat Septuagint werd genoemd – het afgeronde getal 70 – als herinnering aan de 72 geleerden en het werk dat ze in 72 dagen hadden volbracht.

De eerste Ptolemaeën hadden de interessante gewoonte aangenomen om de schepen die de haven binnenliepen te doorzoeken. Als er manuscripten werden aangetroffen die niet in de verzameling van de bibliotheek voorkwamen, werden de schepen vastgehouden tot er een kopie van was gemaakt – een soort struikroverij!

Na verloop van tijd splitste Alexandrië zich in etnische secties. In de autochtone Egyptische wijk bevond zich het Serapeum, een van de meest majestueuze gebouwen van de oude wereld. Daar ontmoetten de Griekse en Egyptische gelovigen elkaar voor hun gemeenschappelijke eredienst. Een tweede deel van de stad heette het Brucheion, de Grieks-Macedonische wijk, waar de regeringsgebouwen en het mausoleum van Alexander stonden. En niet in de laatste plaats waren daar het grote Museum en de Bibliotheek. Er behoorden nog andere gebouwen tot dit grote complex, zoals het theater voor lezingen en voordrachten, en de paleizen van de Ptolemaeïsche koningen. Het derde deel van Alexandrië bestond uit de grote joodse wijk, dat zijn Sanhedrin (de rechtbank) bezat.

De stad werd in de 3de eeuw door een klassieke schrijver beschreven als ‘een universele bakermat; ieder mensenras was daar gevestigd’; Grieken uit ieder deel van het Middellandse Zeegebied, Syriërs, Arabieren, Babyloniërs, Assyriërs, Meden en Perzen. Er waren ook Carthagers, Romeinen, Galliërs en Iberiërs. Het intellectuele leven was even gevarieerd: geleerden, priesters en filosofen van iedere denkbare richting. Kooplui en handwerkslieden uit de hele wereld kwamen en gingen. Er waren ook werklieden, arbeiders, en een groot aantal regerings- en privéslaven. Aan het begin van de eerste eeuw na Chr. werd de bevolking van Alexandrië geschat op een miljoen.

Wijlen George Sarton, professor in geschiedenis aan de Harvard Universiteit, beschreef het Museum als een verzameling van verschillende grote gebouwen die voor allerlei onderwerpen waren ingericht, zoiets als een research instituut in deze tijd, met een astronomisch observatorium en ruimten voor fysiologische en medische experimenten. Er waren ook botanische tuinen en een zoölogische verzameling. De leden leefden tezamen, zoals de leerkrachten of de afgestudeerden van een middeleeuws college.

Enkele van de grootste figuren in de Griekse wetenschap hebben op een of ander tijdstip het Museum en de Bibliotheek bezocht of er gewerkt. Eratosthenes was hoofdbibliothecaris van 228-196 v.Chr. onder Ptolemaeus III. Hij was een veelzijdig geleerde, die zich bezighield met wiskunde, astronomie, geografie, filosofie en ook letterkunde. Hij maakte o.a. een berekening van de omtrek van de aarde. In tegenstelling tot de publieke opinie, erkenden hij en veel van zijn collega’s dat de aarde en de andere planeten om de zon draaiden. In dezelfde eeuw verrijkte de grote meetkundige Euclides het Museum met zijn genie, evenals Aristarchus van Samos die schreef over de grootte en afstand van zon en maan, terwijl Aratos van Soloi (Soli) de sterrenbeelden een naam gaf. De beroemde Archimedes, ofschoon hij inwoner was van Syracuse, discussieerde er over natuurkunde, geometrie en wiskunde met de geleerden van het Museum. Apollonius van Perga werd naar Alexandrië gestuurd. Daar schreef hij zijn Elementa en zijn achtdelige werk over de leer van de kegelsneden en ook zijn theorie over bijcirkels om de bewegingen te verklaren van de planeten, die soms schijnbaar achteruitgaan. Specialisten op al deze gebieden en nog veel meer bezochten herhaaldelijk het Museum gedurende zijn lange en schitterende geschiedenis.

Naast het conserveren, kopiëren, repareren en catalogiseren van de rollen, was de voornaamste activiteit van de bibliotheek het vergelijken van de teksten van de grote werken op het gebied van toneelstukken, geschiedenis, fictie, poëzie, enz. vanaf de oudste tijden en ook van recentere werken van eigentijdse dichters, toneelschrijvers en filosofen uit Griekenland en elders. Deze waren in vele talen geschreven, maar men streefde ernaar ze in het Alexandrijnse Grieks over te zetten. De Bibliotheek van Alexandrië werd gekenmerkt door wetenschappelijke precisie. Er werden ook lezingen gehouden over een grote verscheidenheid van onderwerpen, want de bibliothecarissen waren niet alleen mensen die de werken catalogiseerden en beheerden, maar deskundige filologen, en de nog overgebleven manuscripten zijn een bewijs van hun geleerdheid. Aristophanes van Byzantium, een van de meest vooraanstaande critici en grammatici, stelde regels vast voor punctuatie en het gebruik van hoofdletters, die tot die tijd maar lukraak werden toegepast. Na de dood van Eratosthenes in 195 v.Chr. werd hij hoofd van de Bibliotheek.

In de loop van de eeuwen werd Alexandrië het trefpunt van de wereld. Geschriften uit vele landen vonden hun weg naar de bibliotheek, terwijl de religies van de Egyptenaren of farao’s hun invloed bleven doen gelden. Er waren zoroastrische teksten, want Egypte was van 525-332 v.Chr. een Perzische provincie en veel Perzische ideeën moeten er wortel hebben geschoten. Ongetwijfeld waren er ook zelfs teksten uit het Oosten, waarmee handelsbetrekkingen werden onderhouden. Er was een vermenging van culturen. Ook de gymnosofisten, de ‘naakte filosofen’ van India waren vertegenwoordigd, evenals de joodse religies en de ideeën van de Babylonische magiërs.

Bij de Grieken en misschien ook wel bij andere volkeren, waren kunst en wetenschappen een onderdeel van de kleinere mysteriën, die onderricht en training omvatten. De kennis van de architectuur was hoog ontwikkeld en in het Museum en de Bibliotheek van Alexandrië werden deze en andere onderwerpen openlijk besproken, ofschoon de details niet openbaar werden gemaakt en ook niet zijn terug te vinden in de literatuur van die tijd. Dezelfde geheimhouding gold ongetwijfeld ook elders, zowel in het Westen als in het Oosten; toch geeft het hoge peil van vakmanschap in de toegepaste wetenschap, architectuur en kunst, steun aan de opvatting dat er in de oudheid verborgen bronnen van kennis bestonden. Volgens de overleveringen werd in de grote mysteriën de kandidaat die hiervoor door de hiërofanten rijp was bevonden, stap voor stap begeleid, eerst tot het zich bewust worden van zijn hogere zelf of innerlijke god, en tenslotte om door eigen kracht en innerlijke waarneming de god in hem geboren te doen worden.

Er bestond in Egypte en het Nabije Oosten een aantal geheime en half geheime organisaties, zoals de gemeenschappen van de Essenen en oude gnostici. Men kan slechts speculeren over de mate waarin de mysteriën actief waren in de Bibliotheek en het Museum; ze waren echter zeker een belangrijk hoewel esoterisch aspect van de Alexandrijnse activiteiten. H.P. Blavatsky verwijst in haar Geheime Leer naar de ingewijden in Alexandrië (2:653), en naar het ‘openbaar maken van het geheim van de inwijdingen’ door de gnostici in dat centrum (1:456).

Met het verval van de mysteriën nam de vitaliteit van de Bibliotheek en het Museum af en de Romeinse beschaving verspreidde zich snel over de Middellandse Zeegebieden en het grootste deel van Klein-Azië. Ook het christendom was in opkomst en de Romeinse republiek stond op het punt ruim baan te geven aan de heerschappij van de Caesars. In 48 v.Chr. bezocht Julius Caesar Egypte, waar hij Cleopatra ontmoette. Tijdens zijn verblijf aldaar vond er een oproer plaats onder de Macedonische troepen en anderen die tegen zijn aanwezigheid protesteerden. Caesar sloeg terug door de Egyptische vloot in de haven te verbranden. Helaas verspreidde het vuur zich over de havens en de pakhuizen en duizenden manuscripten gingen per ongeluk in de vlammen op. Hij keerde terug naar Rome waar hij in 44 v.Chr. werd vermoord.

Later ging Antonius naar Egypte. Omdat Pergamon door het Romeinse rijk was geannexeerd, werd zijn bibliotheek van 200.000 rollen door Antonius aan Alexandrië geschonken als vergoeding voor de onbedoelde verbranding door Caesar. In 37 v.Chr. voegde Antonius zich bij Cleopatra in Alexandrië. Er groeide een verwijdering russen Antonius en Octavianus, die uitliep op een zeeslag in 31 v.Chr. waarin Antonius werd verslagen. Hierna keerde hij naar Egypte terug, waar hij en Cleopatra zich het leven benamen.4 Octavianus, die de naam Augustus aannam, werd de eerste van een lange reeks van Romeinse heersers die de titel Caesar droegen.

De activiteiten in Alexandrië duurden nog enkele eeuwen voort, maar in afnemende mate. Het opkomende christendom ging zich organiseren: er kwamen verschillende kerken in de stad, die uiteindelijk het diocees werd van de christelijke bisschoppen. De nieuwe godsdienst had niet veel op met de zogenaamde heidense activiteiten. Onder keizer Aurelianus werd in de 3de eeuw n.Chr. het grootste deel van het Museum en de Bibliotheek verwoest. Boeken werden ter beveiliging opgeslagen in het Serapeum, maar tenslotte (400 n.Chr.) ondergingen deze op bevel van Theophilus, bisschop van Alexandrië, hetzelfde lot. Er ontstonden rellen en in 415 n.Chr. werd de briljante Hypatia, het laatste hoofd van het Bibliotheek-Museum complex, wreed vermoord. De schatten van de Bibliotheek, het Museum en het Serapeum werden blootgesteld aan plundering. De uiteindelijke vernietiging vond plaats in 642 n.Chr. toen de Arabieren Egypte veroverden en tenslotte, zo vermeldt de geschiedenis, de restanten van de Bibliotheek gebruikten om hun baden te verwarmen.

Intussen, ongeveer aan het begin van de 3de eeuw n.Chr., begon een opmerkelijk man, Ammonius Saccas, stichter van het neoplatonisme, onderricht te geven. Zijn meest bekende en wellicht beste leerling was Plotinus, die in 205 n.Chr. in Alexandrië verbleef. Plotinus schreef enkele indrukwekkende verhandelingen, gebaseerd op de leringen van zijn leraar. Hij verwierf grote populariteit en gaf in zijn latere levensjaren les in Rome. Na Plotinus volgden anderen, zoals Porphyrus, Amelius, Synesius en Iamblichus. Het neoplatonisme had een verruimende invloed op sommige kerkvaders, zoals Origenes, die volgens Porphyrus de lessen van Ammonius Saccas had gevolgd. De laatste grote neoplatonist was Proclus, die in Athene doceerde en daar tot zijn dood in 485 n.Chr. hoofd was van de Academie.

Het neoplatonisme was in feite een platonische filosofie omdat het naar grondbeginselen zocht. Maar het bevatte nog een ander element: het streefde er niet alleen naar de mens duidelijke kennis te verschaffen, maar moedigde hem aan binnen te gaan in een verhevener bewustzijnstoestand dat door Plotinus werd betiteld als extase en gedefinieerd als ‘de vlucht van de ziel naar God, waartegenover ze van aangezicht tot aangezicht zal staan en alleen.’5

Zoals de feniks die herrees uit de as, had het neoplatonisme een sterke invloed, omdat het opkwam tegen het einde van de Alexandrijnse cyclus en tijdens een soms vreselijke chaos. Drie eeuwen later gaf Proclus een uiteenzetting van deze leer voor een groot aantal volgelingen in de Academie van Athene, het centrum van de filosofie, bijna 1000 jaar daarvoor door Plato gesticht. Het was echter een soort zonsondergang, want in 529 n.Chr., nog geen veertig jaar na de dood van Proclus, verbood keizer Justinianus de filosofische scholen en sloot hij de Academie. Maar tegen die tijd had de feniks zich al verheven en was weggevlogen.

Men zou kunnen denken dat alle schatten van de Bibliotheek van Alexandrië vernietigd waren, maar er zijn toch overleveringen, weergegeven door H.P. Blavatsky in haar monumentale werk De Geheime Leer (1:7-13; 2:787, 868), dat de meest waardevolle en onvervangbare delen werden gered en op een geheime plaats opgeborgen, om weer tevoorschijn te kunnen worden gehaald op de tijd en de plaats waar ze de mensheid het best kunnen dienen.

Als we de vernietiging van de Alexandrijnse schatten betreuren is dit een hele geruststelling. Maar vanuit het standpunt van reïncarnatie waren de echte schatten van de Alexandrijnse school de grote zielen die haar in het leven riepen en vormden. Waar ze ook incarneren, zullen deze opmerkelijke individuen in leven na leven religie, filosofie, wetenschap en kunst tot bloei brengen. De feniks sterft nooit werkelijk maar wordt eeuwig herboren.

Het is op zijn plaats te eindigen met enkele woorden over Alexander de Grote. Ondanks de wreedheid van zijn veroveringen, was Alexander geen onbeschaafd en gemeen persoon. Hij stelde zich voor ogen een wereld polis tot stand te brengen, een wereldbeschaving, waar alle mensen
broeders zouden zijn, en wetenschappen, religies en kunsten naast elkaar zouden bloeien in een toestand van vrede en samenwerking. Deze droom werd in Alexandrië ten dele verwezenlijkt.

Het is in dit verband boeiend de pogingen te volgen van de UNESCO, de Egyptische regering en andere volkeren om de Bibliotheek van Alexandrië te herbouwen. Het laatste nieuws vermeld in American Libraries (januari 1990) is dat het ontwerp voor de bibliotheek is goedgekeurd. Inzendingen uit 77 landen werden bekeken door een uit zeven landen afkomstige jury van negen leden. De eerste prijs ging naar het plan ontworpen door een firma in Oslo, Noorwegen. Men verwacht dat de herboren bibliotheek in 1995 zal worden geopend.

 

Noten

  1. De oude heersers van Egypte werden farao genoemd – heerser of koning. De naam Ptolemaeus verdrong de titel farao, omdat een opeenvolgende reeks van Ptolemaeën koningen werden van Egypte. Er waren in totaal 14 Ptolemaeën, de laatste was de zoon van Caesar en Cleopatra, Caesarion, die in 30 v.Chr. op 17-jarige leeftijd op bevel van Augustus werd vermoord. Daarna werd Egypte een Romeinse provincie.
  2. Vgl. Paul Johnson, ‘Herleving van de Bibliotheek van Alexandrië’, Sunrise sep/okt 1989.
  3. Het woord pharos kreeg de betekenis van ‘vuurtoren’, Frans phare, Italiaans en Spaans fero; soms wordt in het Engels pharos gebruikt voor een scheepslantaarn.
  4. Cleopatra had een zoon van Julius Caesar en twee zonen en een dochter van Antonius. Het tragische lot van deze nakomelingen geeft een goed beeld van de wreedheid waarmee de opkomst van een imperium onveranderlijk gepaard gaat.
  5. Dictionary of Christian Biography, IV, ‘Neoplatonisme’, een uitstekend artikel over Plotinus door J.R. Mozeley. Zie ook Plotinus, Enneaden VI. 9.11.

 

Bibliografie

  • Blavatsky, H.P., De Geheime Leer, TUPA, Den Haag, 1988.
  • Desmond, Alice D., Cleopatra’s Children, Dodd, Mead & Co., New York, 1972.
  • Heur, Kenneth, City of the Star Gazers, Charles Scribner’s Sons, New York, 1972.
  • Mackenna, Stephen, Plotinus V, Sixth Ennead, The Medici Society, Londen, 1930.
  • Mozeley, J.R., ‘Neoplatonism’, A Dictionary of Christian Biography, IV:18-23, geredigeerd door Wm. Smith en Henry Wace, John Murray, Londen, 1877.
  • Parsons, Edward A., The Alexandrian Library, Cleaver Hume Pres, Londen, 1952.
  • Sarton, George, ‘Hellenism’, History of Science, II, Harvard University Press, Cambridge, 1959.
 
Andere artikelen over gnosticisme
 
Andere artikelen over Egypte
 

Uit het tijdschrift Sunrise jul/aug 1990

© 1990 Theosophical University Press Agency