Meester Eckhart is onder de middeleeuwse theologen veel te lang onopgemerkt
gebleven. Zijn opvattingen over het menselijk leven zijn waardevol,
voor vandaag en morgen. Als erkend leraar in de theologie en beroemd
om zijn lezingen over diepzinnige scholastieke onderwerpen, gaf hij
er toch de voorkeur aan zijn landgenoten in hun Duitse moedertaal toe
te spreken, en hen deelgenoot te maken van zijn visie op wat een waarachtig
christelijk leven met zich meebrengt, de ethiek en de idealen ervan.
Behalve bij speciale gelegenheden, vermeed hij het Latijn dat door zijn
theologische collega’s werd gebruikt. Eckhart legde er de nadruk
op dat in ons allen een goddelijke vonk is die van God is, en dat de
menselijke ziel, als het voertuig van die vonk, van zelfzucht gezuiverd
moet worden voor ze kan opstijgen tot de ‘Godheid’, het
bewustzijn dat het heelal doordringt.
Raymond B. Blakney, een sympathieke vertaler, merkt op dat
zijn gedachten eenvoudig genoeg zijn. Wat Eckhart
moeilijk maakt zijn de morele eisen die hij de mens stelt. . . . ‘Hij
die de Waarheid kent, weet dat ik de waarheid spreek.’ Hij vraagt
van ons niet alleen ons hoofd, maar ook ons hart.1
Met andere woorden, hij vraagt eerder om een overtuiging dan dat men
zich alleen uiterlijk aanpast aan het ritueel of de gewoonten van buren.
Johannes Eckhart werd omstreeks 1260 in Hochheim geboren, een dorp
in de omgeving van Gotha in Thuringen. Zijn vader was rentmeester op
een adellijk kasteel, waarop Eckhart met de volgende woorden doelde:
‘Let wel, dit kasteeltje van de ziel ligt zo hoog boven alle wegen.
. . dat God zelf er niet kan binnensluipen.’ Later in zijn leven
veranderde zijn opvatting over de aristocraat en zag hij die niet langer
als iemand die in een adellijke familie is geboren, maar als de voor
hem ideale mens zoals God hem zou willen zien.
Hij werd opgeleid als dominicaan in het klooster waar Albertus Magnus
doceerde en waar de krachtige invloed van Thomas van Aquino, die kort
daarvoor was overleden, nog voelbaar was. Eckhart werd vele malen bevorderd
en werd uitgenodigd om theologie te doceren aan de priorij van Saint-Jacques
in Parijs. Tijdens zijn verblijf daar haalde hij zich de vijandschap
van de franciscanen op de hals door een debat met hen te winnen, waarin
hij zijn opvatting naar voren had gebracht over de vereniging van de
mens met God door mystieke ervaring. Hij verklaarde ook dat zich in
de ziel het goddelijke of een godsvonk bevindt en dat de mens Gods zoon
kon worden, net als Christus.
De franciscanen waren zo verbitterd door hun nederlaag, dat zij hun
beroemde ‘doctor subtilis’, Johannes Duns Scotus, naar Keulen
stuurden, waar Eckhart een collegestoel bezette, om zijn opvattingen
als ‘ketters’ aan de kaak te stellen. Uiteindelijk vroeg
de aartsbisschop van Keulen, Heinrich von Virneberg, een franciscaan
die een tegenstander was van de dominicanen, om een onderzoek, en in
1329 werd er door paus Johannes XXII in Avignon een pauselijke bul uitgegeven
met een lijst van 28 stellingen van Eckhart die op ‘ketterij’
wezen. Maar toen was Eckhart in 1327 of 1328 al gestorven.
Er worden in Duitsland vier grote werken aan Eckhart toegeschreven,
waarvan enkele zijn toespraken en preken bevatten. Hij schreef ook een
vlugschrift met de volgende tekenende titel:
Das sint die rede der unterscheidunge –
Dit zijn de onderricht bevattende toespraken die de vicaris van Thuringen,
de prior van Erfurt, broeder Eckhart van de Orde der Predikers, voor
diegenen van zijn geestelijke kinderen heeft gehouden die hem over
verschillende zaken vragen stelden tijdens hun gesprekken als ze ’s
avonds bij elkaar zaten. – blz. xvii
Blakney schetst ze als ‘vriendelijke, openhartige toespraken,
die aan de muziek van Mozart doen denken’, en over deugden gaan
zoals ‘het gezegende leven en de devotie, waarover weinigen ooit
in staat waren te schrijven.’ Als Eckhart over God spreekt, zo
voegt hij hieraan toe, komt de opmerkelijke diepte van zijn ziel duidelijk
naar voren, en hij citeert het volgende:
God heeft de redding van de mens nooit verbonden
aan een bepaald levenspatroon. . . . Daarom moet men doordrongen zijn
van de goddelijke Aanwezigheid, bezield zijn door de vorm van de geliefde
God die in hem is, zodat hij die Aanwezigheid kan uitstralen zonder
daaraan iets te doen. – Ibid.
Meester Eckhart toont ons het beeld van een God die in ons woont en
niet is verbannen naar een wereld buiten ons. Dit houdt in dat we geen
afzonderlijke objecten zijn, maar deel uitmaken van een kosmos gevormd
uit ons allen, die in zijn universaliteit met elkaar zijn verbonden.
De leringen die Eckhart in zijn rijpere jaren verspreidde, hadden als
thema het verlangen van de ziel naar vereniging met God. Aan het begin
van de reis naar het goddelijke is God alles en het schepsel niets.
Maar in het stadium van vervulling is de ziel uitgegroeid boven het
schepperaspect van God en openbaart ze meer van de Godheid, die het
allesdoordringende bewustzijn van het heelal is, het werkelijke hart
ervan en de bron van alle eigenschappen die naar het goddelijke neigen.
Het is de drijvende kracht die ons in het evolutieproces aanspoort.
Eckhart zag de beperktheid van de opvatting over God als een grote
figuur, een groot formaat mens, die de menselijke eigenschappen veel
verder heeft ontwikkeld dan wij. Misschien moeten we tegen deze achtergrond
zijn waarschuwing zien een duidelijk onderscheid te maken tussen wat
wij ‘van de waarheid verwachten en wat de waarheid blijkt te zijn’.
Eckhart gebruikte de termen Gelassenheit of Abgescheidenheit
in de betekenis van ‘nietgehechtheid’, maar hij
was allesbehalve ongeïnteresseerd in zijn medemensen. Hij was het
die de mensen in het algemeen de essentie van de leer van het Nieuwe
Testament bracht, en die de ‘Vrienden van God’ beweging
stichtte (ook bekend als de ‘Kinderen van God’), toegewijde
mensen die eenvoudige christelijke ideeën uitdroegen op het platteland
en in dorpen, en die hun opvattingen met anderen deelden.
Terwijl veel mystici op zoek waren naar eenwording met God, vond Eckhart
dat ‘niet voldoende’, omdat God alleen als ‘God’
bestaat als hij als zodanig wordt aangeroepen. Boven het aspect van
het goddelijke dat zich in iedere betekenis van het woord oneindig uitstrekt,
staat de godheid: even ver verwijderd van de persoonlijke opvatting
van God als de hemel van de aarde. Volgens Eckhart is het mogelijk door
de illusoire stoffelijke vormen van het bestaan heen te breken, omdat
het goddelijke eerder een proces is dan een wezen. Er zit humor en ernst
in zijn opmerking: ‘Wilt u volmaakt zijn, jank dan niet om God’,
wat het gedachteloos opzeggen van gebeden in een zeker perspectief plaatst.
Het verschil tussen Eckharts visie op het menselijk leven met betrekking
tot het heelal en de orthodoxe opvatting ligt in zijn gnostische ervaringen
en voorliefde, want het zijn de beste elementen van de neoplatonische
opvatting over de essentie binnen de stoffelijke vormen die er kleur
aan hebben gegeven. Terwijl sommige mystici uit die tijd buiten zich
zochten naar mystieke vereniging met het geestelijke aspect van het
universele leven, keken Eckhart en zijn volgelingen naar het centrum
van bewustzijn in ieder mensenhart.
Geen enkel mens heeft een bemiddelaar van buiten nodig, want in het
innerlijk, en in zekere zin het hele individuele bestaan overschaduwend,
bevindt zich dat stille, kleine centrum van onze individualiteit de
goddelijke essentie die de weg naar volmaaktheid verlicht. Misschien
hebben we het gevoel dat onze tijd kort is, maar we worden gedragen
door een levenskracht van eindeloze duur. Zoals de Perzische dichters
Rumi en Hafiz zeiden, en vóór hen de kabbala, zijn we
vele keren en op vele plaatsen gestorven, en heeft de vonk van ons hart
zich via minerale, plantaardige en dierlijke stadia ontwikkeld om het
menselijke te bereiken. ‘Wanneer zijn we er door te sterven minder
op geworden?’
Noot
- Meister Eckhart, A Modern Translation, door
Raymond Bernard Blakney (1941), blz. ix.