Dit lichaam, deze persoonlijkheid, is vergankelijk – maar ik
ben dat niet! Hoe vaak we echter tegen onszelf zeggen dat dit omhulsel
van vlees eens niet meer onze vertrouwde woning zal zijn, nog steeds
dringt het niet diep tot ons bewustzijn door dat ‘wij’ niet
in het niets kunnen overgaan. Toch is er een deel in mij dat de ontbinding
overleeft en het is mijn uitdrukkelijke en belangrijke taak mijzelf
in dat blijvende deel van mijn natuur te vestigen. Doe ik dat niet,
dan ben ik op het moment dat ik van mijn tijdelijk verblijf moet scheiden
onvoorbereid om mijn reis te vervolgen.
Laten we niet tot uitersten vervallen door de verantwoordelijkheden
die bij ons horen, zoals we nu zijn, te negeren of te trachten eraan
te ontkomen. We kunnen dat ook niet, maar velen hebben het geprobeerd
en raakten hopeloos in verwarring. Laten we liever zien in welke toestand
we ons bevinden en proberen de citadel van ons ware zelf te benaderen.
We kunnen allemaal zeggen: ‘Ik werd enkele jaren geleden op die
en die dag geboren.’ We herinneren ons niet dat te hebben meegemaakt,
maar deden dat wel anders waren we hier niet. We menen dat die gebeurtenis
ons deed ontstaan!
We kunnen allemaal zeggen: ‘Ik behoor tot die en die familie;
ik heb ouders en, eventueel, zoveel broers en zusters: Daarmee wordt
onze identiteit vastgelegd binnen een bepaalde groep mensen die aan
ons gelijk zijn.
We weten ook dat onze ervaringen sinds de geboorte plaatsvonden in
een zeker land en in een bepaalde beschaving. Zonder uitzondering heeft
ieder van ons op meer of minder bekwame wijze de rol gespeeld die de
omstandigheden van de geboorte, de familie en de omgeving vereisten.
Tot nu toe zijn we op vertrouwd terrein, zelfs zo vertrouwd dat we
zelden nota nemen van de betreffende feiten. Hoe staat het met de chemische
en organische samenstelling van het lichaam waarin we leven? Hoe verschillend
we er voor elkaar ook uitzien, menselijke lichamen bezitten dezelfde
verhouding aan water, mineralen en organen en functioneren op dezelfde
wijze. Deze lichamen, die schitterend van bouw en oneindig gevarieerd
zijn, gebruiken we wel, maar we beseffen slechts zelden de waarde ervan
vóór er in het mechanisme iets mis gaat en er met een
schok een einde komt aan het vrije en zorgeloze gebruik ervan.
Als u over al deze dingen nadenkt, krijgt u dan niet sterk de indruk,
net als ik, dat we wel heel dwaas en blind waren om niet eerder in te
zien hoeveel mensen op elkaar lijken? Waarin zijn we eigenlijk
van elkaar gescheiden? Waar anders dan in ons denken, ons opgaan in
onszelf. Hoe velen van ons hebben enig begrip van de aard van de bewoner
van dit tijdelijke, veranderende en vergankelijke lichaam? Wie waagt
het de heer van de citadel te naderen en onder ogen te komen?
Is hij niet te benaderen, terwijl hij toch een innig deel is van u en
mij? Kan hij zich aan ons onderzoek onttrekken?