Het voor of tegen van de doodstraf blijft de gemoederen bezighouden,
omdat executies, uitspraken van het Amerikaanse gerechtshof, en pogingen
in de hele wereld om deze praktijk af te schaffen, het probleem onder
de aandacht van het publiek houden. Sommige voorstanders menen dat de
dood een juiste vergelding is voor bepaalde misdaden – dat de
misdadiger door wat hij deed het recht om te blijven leven heeft verspeeld;
sommigen zien het als een afschrikking; anderen hebben het vertrouwen
verloren dat het strafrechtstelsel in staat en bereid is aantoonbaar
gevaarlijke mensen weg te houden van de bevolking in het algemeen. De
mensheid blijvend te ontdoen van de invloed van de ergste misdadigers
lijkt het meest voor de hand liggende gevolg van de doodstraf, maar
is dat werkelijk zo? Ons oordeel over deze praktijk hangt af van wat
er volgens ons na de dood gebeurt. In het begin van deze eeuw behoorden
theosofen tot degenen die het meest actief waren in de pogingen de doodstraf
af te schaffen. Wat zijn enkele van de redenen voor hun standpunt en
welk licht werpen ze op het huidige probleem?
Hoewel we af en toe zeggen dat ‘men het lichaam kan doden maar
de ziel niet’, hebben zulke gevoelens geen wezenlijke betekenis
voor de meeste mensen van nu, omdat we een mens zo volledig identificeren
met zijn stoffelijk lichaam. De moderne wetenschap, de bron van informatie
achter onze tegenwoordige levensopvatting, ziet het lichaam als de oorsprong
van het menselijk bewustzijn. Zelfs voor de meeste gelovigen is de ziel
een onwerkelijke abstractie geworden, die tijdens het leven weinig praktische
gevolgen heeft voor de wereld, laat staan na de dood. Dat is echter
in strijd met de meeste religieuze en filosofische overleveringen. Volgens
het theosofische standpunt is ieder mens geworteld in de spirituele
werkelijkheid achter de kosmos en is hij niet een voortbrengsel van
de fysieke stof. Ieder wezen is in zijn diepste kern een onsterfelijk
spiritueel atoom of een monade, die zich door middel van verschillende
vormen tot uitdrukking brengt naarmate de innerlijke mogelijkheden worden
ontwikkeld. Leven, bewustzijn en stof zijn overal aanwezig en in plaats
van abstracties zijn onze spirituele en psychologische aspecten even
reëel als de stof die wij met onze zintuigen waarnemen.
Als de uitdrukking van een spirituele bron is het heelal een fundamentele
eenheid; de aarde is een integrerend deel van het zonnestelsel en wij
zijn integrerende delen van de aarde. Zoals we de elementen van ons
stoffelijk lichaam ontlenen aan het stoffelijk lichaam van onze planeet,
zo komen ook onze geest, ziel en emoties voort uit de overeenkomstige
aspecten van onze levende, bezielde aarde. Voorts worden deze verschillende
gebieden van ons wezen onderhouden door hun wisselwerking met overeenkomstige
aspecten van de aarde, op dezelfde wijze als wij lichamelijk worden
onderhouden door ons contact met het fysieke milieu van de aar,de; onze
wisselwerkingen met de psychologische aspecten van de aarde zijn even
reëel als die met de stoffelijke wereld.
Buiten-lichamelijke ervaringen van verschillende aard bevestigen dat
onze psychische elementen kunnen en blijven functioneren wanneer ze
van het stoffelijk lichaam zijn gescheiden. Zowel traditionele gegevens
over de dood, zoals in het Tibetaanse ‘Dodenboek’, als verslagen
over huidige bijna-dood-ervaringen bevestigen dat als een mens sterft
zijn bewustzijn, gevoelens en zelfbesef doorgaan. Het meest essentiële
dat deze bronnen aangeven is wellicht dat wij na de dood onszelf
zijn. Er vindt door het afleggen van de stoffelijke vorm geen magische
transformatie plaats waardoor we in een ‘engel’ of ‘duivel’
of ‘niets’ veranderen. We zijn precies wat we waren toen
we stierven: dat wil zeggen, wat we van onszelf in het leven hebben
gemaakt door onze gedachten, gevoelens en daden. Alle energieën
die we in ons leven hebben opgebouwd zijn er nog steeds en net als bij
een batterij die we hebben opgeladen, of een veer die tot een zekere
spanning is opgewonden, zal deze opgeslagen energie moeten vrijkomen
vóór de verschillende menselijke voertuigen kunnen worden
ontbonden en naar de elementen van de aarde kunnen terugkeren.
Na de dood staan we in ons eigen wezen tegenover de gevolgen van ons
leven op aarde. Maar om de ‘hemelen’ en ‘hellen’
te ervaren die we voor onszelf in het leven hebben gevormd, hoeven we
niet naar een verre of denkbeeldige plaats te reizen. We zijn onafscheidelijke
delen van de aarde en het zonnestelsel, en daarom vinden onze ervaringen
na de dood in deze gebieden plaats. Bij de dood keert het stoffelijk
lichaam naar de aarde terug en de elementen daarvan gaan weer over in
het stoffelijk lichaam van de aarde waaruit ze voortkwamen. Op dezelfde
wijze keert het grove of substantiële deel van ons psychische zelf,
ons lagere psychomentale bewustzijn of voertuig, terug naar het overeenkomstige
gebied van het organisme van de aarde en valt daar ten slotte geheel
uiteen.
Onmiddellijk na de dood bestaat de volledige mens, minus de meest stoffelijke
aspecten, als entiteit – als persoon – in dat deel van het
wezen van de aarde dat soms het kamaloka of de ‘begeerte-wereld’
wordt genoemd. Omdat het bewustzijn van de meeste mensen tijdens het
leven niet sterk op deze gebieden was geconcentreerd, hebben ze geen
affiniteit met dit soort bewustzijn opgebouwd, en gaan daarom bijna
onbewust door die toestand heen. Er komt een moment dat de meer spirituele
en nobele delen van de mens zich losmaken van het lagere psychische
voertuig om hun eigen postmortale ervaringen te ondergaan. Deze ‘tweede
dood’ laat een lichaam achter van lagere psychische substantie
of energie, dat ten slotte ook ontbindt en terugkeert naar het overeenkomstige
deel van de aarde, net als het stoffelijk lichaam doet. Deze lagere
aspecten van gestorven mensen kunnen voor of na het moment dat het lagere
van het hogere menselijke bewustzijn wordt gescheiden, worden aangetrokken
tot seances en andere necromantische praktijken en kunnen ook de levenden
beïnvloeden: omdat we allemaal deelhebben aan de psychomentale
atmosfeer van de aarde, wordt iedereen op aarde door de krachten en
wezens die in deze sfeer actief zijn beïnvloed.
Heeft echter iemand de lagere psychomentale kant van zichzelf wel sterk
ontwikkeld, dan behoudt hij in deze lagere regionen van de aarde meer
van zijn bewustzijn, omdat hij thuis is in het milieu waarop zijn energieën
waren gericht toen hij nog leefde. Gedachten van haat, zelfzucht, boosaardigheid,
geweld, hebzucht, wreedheid, woede, egoïsme, verdichten en versterken
het lagere psychische zelf en daarom duurt het langer voor het na de
dood tot ontbinding overgaat. Zulke entiteiten hebben een schadelijke
invloed op de levenden omdat ze soortgelijke elementen in de gedachteatmosfeer
versterken; ze beïnvloeden zwakke of negatieve personen die op
dat soort bewustzijn zijn afgestemd. Wanneer zo iemand door een gewelddadige
dood plotseling uit zijn stoffelijk lichaam wordt gestoten, blijft hij
geruime tijd in de lagere psychomentale atmosfeer van de aarde als een
volledig mens, alleen ontdaan van zijn stoffelijke en lagere astrale
aspecten. Enkelen worden echter zo aangetrokken tot het stoffelijk leven
en zijn zo thuis in de lagere psychomentale atmosfeer dat ze in feite
bewust hun bestaan kunnen voortzetten als psychische wezens van het
kwaad, die de levenden achtervolgen die zich, bewust of onbewust, openstellen
voor kwade krachten. Wat betekent dit alles voor de doodstraf? In plaats
van de samenleving te bevrijden van ongewenste invloeden, geeft de doodstraf
ze grotere kansen door de misdadiger opzettelijk, zonder zijn lichaam,
in de psychische atmosfeer van de aarde te werpen, waardoor een brandpunt
wordt geschapen van haat, boosaardigheid en al de destructieve krachten
die hij voor zijn misdaden aanwendde. Deze psychische energieën
worden niet vernietigd, maar worden van stoffelijke beperkingen bevrijd:
de ter dood gebrachte misdadiger kan, als hij werkelijk een slecht mens
was, een veel verwoestender uitwerking op de mensheid hebben als een
volledig of gedeeltelijk bewust menselijk wezen in de psychomentale
gebieden van de aarde, dan wanneer hij aan zijn stoffelijk lichaam was
gebonden. Zulke mensen werken in de oorzakelijke gebieden van gedachten
en emoties en daar kunnen we de misdaden waaraan zij bijdragen niet
nagaan. Dit alles betekent dat de kosmos een spirituele eenheid is,
en hoewel we de menselijke vorm kunnen vernietigen, kunnen we een mens
of zijn schakel met de aarde en zijn medemensen niet vernietigen.
De werkelijke invloed op de levenden is natuurlijk niet het enige probleem
dat met de doodstraf samenhangt. We kunnen ons afvragen of het opzettelijk
beëindigen van een mensenleven ooit gerechtvaardigd is. Wat zijn
op de lange duur de gevolgen voor een samenleving die gelegaliseerde
moord duldt en aanmoedigt? Hoe kan een samenleving zich beschermen tegen
roofzuchtige mensen? En hoe staat het met de misdadiger, gezien als
een spiritueel en ook als een menselijk en stoffelijk wezen? Heeft de
samenleving het recht hem alle mogelijkheden te ontnemen om in dit leven
af te rekenen met het kwaad dat hij heeft gedaan? Zulke vragen hebben
vele kanten. Bij het overwegen van ons antwoord vergeet men gemakkelijk
de woorden uit de Bijbel, ‘Mij komt de wraak toe, . . . spreekt
de Heer.’ Als de praktische gevolgen van de doodstraf feitelijk
schadelijker voor de mensheid zijn dan die van opsluiting van de levende
misdadiger, zullen we misschien de wraak over moeten laten aan de spirituele
werkelijkheid van het heelal, hoe onmenselijk de begane misdaden ook
zijn. We kunnen ons dan concentreren op middelen om de samenleving zo
goed mogelijk te beschermen tegen die individuen die te gevaarlijk zijn
en een te gering verantwoordelijkheidsgevoel hebben om onder ons te
leven, in plaats van te proberen een mens te vernietigen, wat een onmogelijke
opgave is. Want we kunnen inderdaad alleen het lichaam doden en nooit
de ziel.