Boekbespreking: Echoes of the Orient, The Writings
of William Quan Judge, deel III, verzameld door Dara Eklund; Point
Loma Publications, San Diego 1987; Theosophical University Press, Pasadena,
2010, tweede herziene druk.
Sommige leraren komen slechts voor korte tijd maar laten een onuitwisbare
indruk op het wereldbewustzijn achter. Zo iemand was William Quan Judge,
die in zijn korte levensperiode van 45 jaar zijn eretitel held van onze
ijzeren eeuw (kaliyuga) ten volle verdiende. De drie delen van de geschriften
van Judge, Echoes of the Orient, zijn een rijke bron van praktische
wijsheid en esoterisch onderricht. Bovendien geven ze een beeld van
de onvermoeibare inspanningen van Judge voor de theosofische zaak, een
voorbeeld van de zelfopoffering die uiteindelijk de schrille wanklanken
van onze materialistische cultuur zal overstemmen.
De delen I en II van Echoes bestaan uit de meer toegankelijke
artikelen van Judge uit een groot aantal theosofische tijdschriften
en uit publicaties van het ‘Wereldparlement van Religies’.
Het nieuwe deel bevat zeldzame en voorheen weinig bekende herdrukken
van brochures, boekjes en krantenartikelen, waarin Judge in bijzonder
heldere en beknopte termen over de meest diepzinnige leringen sprak
tot mensen die misschien nooit het woord theosofie hadden gehoord. Daaronder
bevond zich een korte serie artikelen, geschreven voor de Kate Field’s
Washington in 1890, en later in dat jaar door Judge verzameld en
gepubliceerd als Echoes from the Orient (waaraan de huidige
delen hun naam ontlenen). Ook is opgenomen het klassieke Epitome
of Theosophy, waarin de voornaamste leringen zo goed zijn samengevat
dat het nu nog steeds in druk is. In talrijke krantenartikelen verdedigde
Judge krachtig het werk van de Theosophical Society en behandelde hij
problemen van zijn tijd in het licht van de theosofie.
Een contrast daarmee vormt de rest van het boek dat zijn ‘Suggestions
and Aids’ bevat, over ingewikkelde onderwerpen van de esoterische
filosofie, gericht aan een ‘correspondentie-groep binnen de Oosterse
School van Theosofie, die tot doel had de door HPB gegeven leringen
te verduidelijken.’ Deze betreffen de diepere denkbeelden van
de theosofie, als een antwoord op de vaak wanhopige pogingen van bestudeerders
uit die begintijd om de toen pas verschenen meesterwerken van H.P. Blavatsky
te begrijpen. Zijn antwoorden getuigen van de innerlijke grootheid van
Judge. Hij verenigt in zich gezag en discipline met de bescheidenheid
van de echte leraar.
Het is bijna honderd jaar geleden dat Judge het materiaal schreef dat
nu in deel III van Echoes is verzameld. Wat heeft dit deel
ons te zeggen nu we de dageraad van een nieuwe eeuw en een nieuw millennium
naderen? In de eerste plaats dat universele broederschap en ethiek van
overwegende betekenis zijn en uitgaan boven de sensationele aspecten
van ‘occulte’ studie. Zijn werken behandelen de fundamentele
leringen van de oude wijsheid – universele broederschap, karma
en reïncarnatie zonder op zijpaden van occult onderricht af te
dwalen. Judge was een meester in het schrijven van korte essays en bracht
de meest diepzinnige leringen altijd in verband met het dagelijks leven,
zodat men onmiddellijk de betekenis begreep die de theosofie voor het
leven heeft. Hij legde er de nadruk op dat de theosofie niet alleen
bestemd is voor intellectueel ingestelde mensen of voor leden van de
Theosophical Society, maar dat ze licht brengt en een ‘beschavende
invloed’ uitoefent op de samenleving in het algemeen.
Uit ‘Suggestions and Aids’ over de esoterische filosofie
blijkt hoe belangrijk WQJ het vond dat theosofen goed onderlegd zijn
in de filosofie, zodat het werk van de Theosophical Society zich veilig
in de volgende eeuw zou kunnen voortzetten. Zijn raad geldt nu evenzeer
als toen, want in een wereld die vraagt om onmiddellijke oplossingen
en successen vergeet men gemakkelijk dat om innerlijk te groeien toegewijde
inspanningen, studie, en de dagelijkse toepassing van de idealen van
de oude wijsheid nodig zijn. Daarom is het op zijn plaats dat deel III
van Echoes eindigt met ons eraan te herinneren dat ethiek en
occulte studie fundamenteel hand in hand gaan en dat onze voornaamste
en eeuwige plicht ligt op het terrein van universele broederschap en
de harmonische orde van het heelal. Echoes spreekt vaak over
de noodzaak de antahkarana of de ‘verbindingsbrug russen
het goddelijke en het menselijke ego’ te versterken, wanneer we
tegenover de beproevingen van het aardse leven staan. Nu we hoopvol
de dageraad van een nieuwe eeuw tegemoet gaan en psychologische en milieuproblemen
het overleven van de mensheid bedreigen, kunnen we geen betere raad
ontvangen dan dagelijks onze ethische en spirituele aspiraties te versterken
die de brug of de weg vormen naar een gelukkiger toekomst.
Noot
*Uit het gedicht ‘W.Q.J.,’ gepubliceerd in
The Irish Theosophist (4:7), 15 april 1896.