Held van de ijzeren eeuw*
Andrew Rooke

 

Boekbespreking: Echoes of the Orient, The Writings of William Quan Judge, deel III, verzameld door Dara Eklund; Point Loma Publications, San Diego 1987; Theosophical University Press, Pasadena, 2010, tweede herziene druk.


Sommige leraren komen slechts voor korte tijd maar laten een onuitwisbare indruk op het wereldbewustzijn achter. Zo iemand was William Quan Judge, die in zijn korte levensperiode van 45 jaar zijn eretitel held van onze ijzeren eeuw (kaliyuga) ten volle verdiende. De drie delen van de geschriften van Judge, Echoes of the Orient, zijn een rijke bron van praktische wijsheid en esoterisch onderricht. Bovendien geven ze een beeld van de onvermoeibare inspanningen van Judge voor de theosofische zaak, een voorbeeld van de zelfopoffering die uiteindelijk de schrille wanklanken van onze materialistische cultuur zal overstemmen.

De delen I en II van Echoes bestaan uit de meer toegankelijke artikelen van Judge uit een groot aantal theosofische tijdschriften en uit publicaties van het ‘Wereldparlement van Religies’. Het nieuwe deel bevat zeldzame en voorheen weinig bekende herdrukken van brochures, boekjes en krantenartikelen, waarin Judge in bijzonder heldere en beknopte termen over de meest diepzinnige leringen sprak tot mensen die misschien nooit het woord theosofie hadden gehoord. Daaronder bevond zich een korte serie artikelen, geschreven voor de Kate Field’s Washington in 1890, en later in dat jaar door Judge verzameld en gepubliceerd als Echoes from the Orient (waaraan de huidige delen hun naam ontlenen). Ook is opgenomen het klassieke Epitome of Theosophy, waarin de voornaamste leringen zo goed zijn samengevat dat het nu nog steeds in druk is. In talrijke krantenartikelen verdedigde Judge krachtig het werk van de Theosophical Society en behandelde hij problemen van zijn tijd in het licht van de theosofie.

Een contrast daarmee vormt de rest van het boek dat zijn ‘Suggestions and Aids’ bevat, over ingewikkelde onderwerpen van de esoterische filosofie, gericht aan een ‘correspondentie-groep binnen de Oosterse School van Theosofie, die tot doel had de door HPB gegeven leringen te verduidelijken.’ Deze betreffen de diepere denkbeelden van de theosofie, als een antwoord op de vaak wanhopige pogingen van bestudeerders uit die begintijd om de toen pas verschenen meesterwerken van H.P. Blavatsky te begrijpen. Zijn antwoorden getuigen van de innerlijke grootheid van Judge. Hij verenigt in zich gezag en discipline met de bescheidenheid van de echte leraar.

Het is bijna honderd jaar geleden dat Judge het materiaal schreef dat nu in deel III van Echoes is verzameld. Wat heeft dit deel ons te zeggen nu we de dageraad van een nieuwe eeuw en een nieuw millennium naderen? In de eerste plaats dat universele broederschap en ethiek van overwegende betekenis zijn en uitgaan boven de sensationele aspecten van ‘occulte’ studie. Zijn werken behandelen de fundamentele leringen van de oude wijsheid – universele broederschap, karma en reïncarnatie zonder op zijpaden van occult onderricht af te dwalen. Judge was een meester in het schrijven van korte essays en bracht de meest diepzinnige leringen altijd in verband met het dagelijks leven, zodat men onmiddellijk de betekenis begreep die de theosofie voor het leven heeft. Hij legde er de nadruk op dat de theosofie niet alleen bestemd is voor intellectueel ingestelde mensen of voor leden van de Theosophical Society, maar dat ze licht brengt en een ‘beschavende invloed’ uitoefent op de samenleving in het algemeen.

Uit ‘Suggestions and Aids’ over de esoterische filosofie blijkt hoe belangrijk WQJ het vond dat theosofen goed onderlegd zijn in de filosofie, zodat het werk van de Theosophical Society zich veilig in de volgende eeuw zou kunnen voortzetten. Zijn raad geldt nu evenzeer als toen, want in een wereld die vraagt om onmiddellijke oplossingen en successen vergeet men gemakkelijk dat om innerlijk te groeien toegewijde inspanningen, studie, en de dagelijkse toepassing van de idealen van de oude wijsheid nodig zijn. Daarom is het op zijn plaats dat deel III van Echoes eindigt met ons eraan te herinneren dat ethiek en occulte studie fundamenteel hand in hand gaan en dat onze voornaamste en eeuwige plicht ligt op het terrein van universele broederschap en de harmonische orde van het heelal. Echoes spreekt vaak over de noodzaak de antahkarana of de ‘verbindingsbrug russen het goddelijke en het menselijke ego’ te versterken, wanneer we tegenover de beproevingen van het aardse leven staan. Nu we hoopvol de dageraad van een nieuwe eeuw tegemoet gaan en psychologische en milieuproblemen het overleven van de mensheid bedreigen, kunnen we geen betere raad ontvangen dan dagelijks onze ethische en spirituele aspiraties te versterken die de brug of de weg vormen naar een gelukkiger toekomst.

 

Noot

*Uit het gedicht ‘W.Q.J.,’ gepubliceerd in The Irish Theosophist (4:7), 15 april 1896.

 

Uit het tijdschrift Sunrise mrt/apr 1990

© 1990 Theosophical University Press Agency


Een van de taken van de natuur is het leven door al haar rijken te laten gaan: het elementalen-, mineralen-, dieren-, planten- en mensenrijk en die andere rijken die ons begrip te boven gaan. Werken we samen met de natuur, dan zal de natuur met ons samenwerken – een diepzinnige gedachte, die eenvoudig is maar moeilijk toe te passen. Hoe kunnen we daarmee beginnen? Is dat magie die alleen een wijze zou kunnen uitvoeren?

Een vriendelijk woord, een bemoediging voor een vriend of iemand in nood – dat zijn uitingen van een ontwaakte ziel. Zelfopoffering is een van de hoogste idealen en iemand die deze universele wet in zijn leven tot uitdrukking brengt, baant de weg voor anderen. Het innerlijk motief achter al onze handelingen bepaalt ons lot. Door te proberen de menselijke natuur te begrijpen, zullen we inzicht en wijsheid verkrijgen en eens in harmonie komen met onszelf.

Spirituele groei voltrekt zich langzaam naarmate we geleidelijk leren altruïstisch te denken. Nieuwe denkpatronen en het dienen van anderen komen niet spontaan tot stand; oude begrippen moeten nauwkeurig worden bekeken en losgelaten. We moeten de moed en volharding hebben onze gedachten te veranderen als dat nodig is. Als we afbrekend, negatief denken vervangen door mededogen, liefde en toewijding aan een verheven ideaal, zullen de gevolgen ons in verbazing brengen; deze andere houding die we aannemen zal zich weerspiegelen in het beeld dat we van anderen hebben. We zullen nieuwe vreugde en nieuwe kracht ervaren.     – James N. Feinstein