Onze hogere plicht
Catherine Roberts

 

[Catherine Roberts haalde in 1943 haar doctoraal in de microbiologie aan de Universiteit van Californië; in 1946 ging ze naar Kopenhagen om een jaar te studeren aan het Carlsberg Laboratorium, waar ze tot 1961 bleef om microbiologisch en genetisch onderzoek te doen. Toen keerde ze de wetenschap de rug toe om haar energie te kunnen geven aan het schrijven van protesten tegen de gangbare wetenschappelijke praktijken, en in 1967 publiceerde ze The Scientific Conscience (Het wetenschappelijk geweten), in 1980 gevolgd door Science, Animals, and Evolution: Reflections on Some Unrealized Potentials of Biology and Medicine (Wetenschap, dieren en evolutie: Bespiegelingen over enkele ongerealiseerde mogelijkheden van de biologie en de medische wetenschap), dat werd besproken in Sunrise (mei, juni/juli 1981).

Dr. Roberts, bioloog en platonist, is lid voor het leven van de National Anti-Vivisection Society. Het volgende uittreksel is met toestemming overgenomen uit een artikel dat verscheen in het NAVS Bulletin Nr. 2, 1989. – Red.]

De verdediging van de rechten van het dier heeft lang te lijden gehad door interne verdeeldheid als gevolg van diepgaande meningsverschillen over doeleinden en beleid. In 1982 werd gesuggereerd dat de verdedigers van de rechten van het dier een meer verenigd front zouden kunnen vormen door te erkennen dat hun werk een spirituele grondslag heeft. Hoewel de suggestie aan dovemansoren leek te zijn gericht, volgt hier een nieuw beroep in dezelfde geest, . . .

Twintig jaar lang heb ik gezegd dat de verdedigers van de rechten van het dier de morele plicht hebben volstrekte eerlijkheid te betrachten tegenover hun opponenten, wie dat ook mogen zijn. Deze stellingname, die is ontleend aan een studie van Plato’s begrippen over aardse en hemelse rechtvaardigheid, legt er de nadruk op dat verdedigers van de rechten van het dier zullen moeten toegeven dat onderzoekers die gebruik maken van proefdieren vaak gemotiveerd worden door een idealistisch en uit mededogen voortkomend verlangen om anderen die in nood verkeren te helpen, en dat het lijden en de dood die ze de laboratorium-dieren veroorzaken vaak tot gevolg heeft dat het leven van andere dieren en mensen wordt gered en hun lijden wordt verzacht. . . .

Voor velen lijkt de strijd tussen de onderzoekers die van dierproeven gebruik maken, en de verdedigers van de rechten van het dier in een morele impasse te zijn geraakt. Terwijl de laatsten verkondigen dat dierproeven immoreel zijn, zeggen de onderzoekers dat zij de morele plicht hebben ermee door te gaan omdat hun experimenten een bijdrage leveren aan de gezondheid van mens en dier.

Behalve voor de extremisten, die beweren dat zulke positieve bijdragen aan de gezondheid niet bestaan, betekent dit argument voor alle andere verdedigers van de rechten van het dier een ethische uitdaging. We moeten dit onder ogen zien zonder uitvluchten en zonder het belang ervan te bagatelliseren, want de onderzoekers die van dierproeven gebruik maken zijn op dit moment bezig hun campagne om de steun van het publiek te krijgen, te intensiveren. De mens heeft de morele plicht, zo herhalen ze, om voort te gaan met dierproeven om de gezondheid van levende wezens te beschermen.

We kunnen deze uitdaging het hoofd bieden door spiritueel te denken, want de verdediging van de rechten van het dier is veel meer dan een wereldse, morele filosofie die bepaalt welk menselijk gedrag ethisch is en welk niet. Pleitbezorging voor het dier is, bewust of onbewust, een poging aan de eisen van de goddelijke ethiek te voldoen. Laten we er daarom op wijzen dat we onze morele plicht voor de gezondheid van mens en dier te zorgen, onze hogere plicht ten opzichte van de universele morele wet die rechtvaardigheid en mededogen voor allen omvat, niet langer geweld moet aandoen. En het is niet rechtvaardig en ook niet mededogend om wie weet hoeveel miljarden dieren te doen lijden of te doden, ter wille van de gezondheid van anderen. In zijn bovenmatige ijver anderen te willen helpen, ontwikkelt het medisch onderzoek zich langs de verkeerde weg – niet alleen door het toenemend misbruik van proefdieren, maar ook door te kiezen voor technologische doeleinden, die in toenemende mate de kunstmatige verlenging van menselijk en niet-menselijk leven met zich meebrengen. Zowel de middelen als de doeleinden van de biowetenschappen tonen de morele blindheid van wetenschapsmensen die zich niet bewust zijn van het nieuwe spirituele ontwaken dat ernaar streeft de banden met het heilige te versterken. Door te beseffen dat het goddelijk Goede de bron is van het menselijk goede, kan een spiritueel verenigd front van verdedigers van de rechten van het dier de biowetenschappen helpen terug te keren tot het belangrijkste pad van spirituele evolutie waarop alle bewuste wezens rechtvaardig en met mededogen behandeld moeten worden.

Een briefschrijver die zich onlangs richtte tot de Chronicle in San Francisco kan de oprechtheid van de tegenstanders van vivisectie alleen accepteren als ze tot het besluit komen elke vorm van medische hulp te boycotten die is ontwikkeld dankzij het gebruik van dieren. We moeten op dit standpunt spiritueel reageren. De moderne medische wetenschap is in al haar facetten in mindere of meerdere mate afhankelijk van proefdieren, maar het is totaal onrealistisch te verwachten dat de pleitbezorgers van dieren elke medische behandeling weigeren en dat ook van het grote publiek verwachten. Al wat de medische wetenschap heeft geleerd uit het onderzoek van dieren kan nooit ongedaan worden gemaakt. Nieuwe behandelingswijzen zijn in overvloed aanwezig en wij wensen allemaal genezing van onze kwalen en een lang leven. Maar om onze spirituele mogelijkheden meer te verwezenlijken, zijn er in de huidige omstandigheden bepaalde dingen die we kunnen doen.

Ten eerste kunnen we uiting geven aan ons oprecht berouw over het lijden en het onrecht dat het medisch onderzoek andere soorten heeft aangedaan, hoofdzakelijk ten behoeve van Homo sapiens. Ten tweede kunnen we ons afvragen of de zogenaamde gezondheidsverbeteringen die het gevolg zijn van vivisectie, vooral voor zover die berusten op buitensporige technologische manipulaties en verlenging van het leven, inderdaad de ontwikkeling ervan vergemakkelijken. En ten derde kunnen we erkennen dat een voortgaand misbruik van dieren door de wetenschap onze banden met het heilige niet verdiept, maar verslapt. Een spiritueel verenigde verdediging van het dier kan de weg verlichten voor een biomedische vooruitgang en helpen daaraan een totaal nieuwe richting te geven.

 
Sociale en maatschappelijke vraagstukken: dieren
 

Uit het tijdschrift Sunrise mrt/apr 1990

© 1990 Theosophical University Press Agency